donderdag 21 juli 2016

Wat drie zwanen ons leren


Het is al bijna zo’n 30 graden. We staan met onze camper aan de Moezel, zo’n 20 kilometer stroomafwaarts van Trier in het rustige wijndorpje Mehring. Op een prachtige plek zo’n 10 meter van het water. Tussen onze camper en de Moezel loopt een fietspad, het asfalt zindert van de hitte. Maar vandaag komt er geen hond langs, het is veel te heet. Marijke zit in haar badpak en leest een boek, een flesje water op grijpafstand. Alle campinggasten hebben de luifel uitgedraaid, en bijna iedereen heeft er badhanddoeken met wasknijpers aan vastgemaakt om nog meer schaduw te creëren. Het is windstil en de Moezel ligt er rimpelloos bij. Ook drie zwanen drijven aan de overkant in het water, in de lommerrijke schaduw van de altijd imponerende bergen. Ik typ wat ik zomaar ter plekke beleef op mijn tablet.
Er zwemmen een drietal witte zwanen in de Moezel die zich regelmatig voor onze camper ophouden. Ze zijn hier echt thuis, wij zijn maar voor even hier op bezoek. Ze zijn steeds samen, ik heb nog even nagedacht om ze een naam te geven, maar toch maar besloten het zo te laten. Zwanen zijn hun leven lang trouw aan hun partner, dus ik vermoed dat het een mannetje en een vrouwtje zijn. Met daarbij een derde samengaande alleenstaande weduwe of zomaar een vrijgezel. Ze accepteren en respecteren elkaars aanwezigheid. Ik kom er niet uit en heb ook te weinig aanknopingspunten om vast te stellen wie van hen een mannetje of een vrouwtje is. Maar het zijn prachtige statige beesten met hun lange sierlijke hals, hun mooi gevormde oranje snavel onder die donkere oogjes. Met hun oogverblindend wit verenkleed dobberen ze op het water. Een zwarte poot laten ze rusten op hun rug en met de andere peddelen ze wat rond. Alleen als ze uit het water komen worden het wat krakkemikkelig voortstrompelende oudere dametjes. Met de pootjes wat ver uit elkaar flappen ze naar links en rechts waggelend op hun grote zwemvliezen door het gras. Het lijken ineens wel kleuters met een te grote luier om. Of oudere dametjes met een overmaats inlegkruisje, ik weet niet hoe ik het moet omschrijven. In ieder geval maken ze geen sierlijke beweging meer, maar ze blijven oogverblindend mooi.
Wij genieten ervan en Marijke heeft er veel foto’s van genomen. Helaas blijken we de enigen, want iedereen heeft een hekel aan ze omdat ze voor de campers schijten. Het door de zwanendarmen verwerkte gras en waterplanten spuit er af en toe uit en laat dan van die groene eenpersoons vlaaitjes achter, die jammer genoeg dan niet altijd zijn te ontwijken. Ons driespan komt dagelijks langs om de verse grassprietjes voor onze campers weg te grazen. Maar onze buurvrouw links stuurt ze weg. Onze zwanen zijn het er duidelijk niet mee eens en maken een protesterend blazend geluid, spreiden hun mooie vleugels en hobbelen in onze richting.
‘Snap jij dat nou, zij hebben er last van en dan sturen ze die zwanen onze richting uit?’.
‘Wat maakt het uit, nu hebben wij ze mooi dichtbij, geniet er maar van’.
En zorgvuldig de beste grassprietjes selecterend graast ons driespan gezapig aan onze camper voorbij. Af en toe strekken ze hun sierlijke hals en kijken even in onze richting, om vervolgens weer door te gaan. Ik weet zeker dat zij nu zeker weten dat wij ze ongemoeid laten. Zij horen hier meer thuis als wij, zit ik me te bedenken. En ze passen ook nog eens veel mooier in het landschap, weet ik ook zeker. Want net passeert een vreselijk dikke Duitser in zijn korte broekje. Op zijn bolle kop zo’n zwart zeemanspetje gedrukt met zo’n typisch klein klepje. Hij draagt alleen een korte vale kaki broek en twee lelijk witte spillebeentjes steken uit die te wijde verschoten pijpjes. Twee mannenborsten, waar menige vrouw jaloers op is, staan stevig boven een afgrijselijk vette hangbuik die tot over de helft van zijn gulp hangt. Met in de zij uitlopend in zo’n vettige spekrol als overmaatse huidplooi. 
Een van de zwanen kijkt hem na, en ik weet zeker dat we allebei hetzelfde denken. De man passeert in zwanengang en de drie zwanen grazen weer verder. Oei, twee campers verder blijken ze ook al niet erg welkom. Een Belgische madam stuurt haar veel te dik lichtbruin poedeltje erop af. Blazend en tegensputterend verplaatsen de drie zwanen zich als rechtop lopende apen naar het water.
‘Snap jij dat nou? Die doen toch niks’, zegt Marijke.
‘Nee, wij niet, maar niet iedereen denkt zoals wij’, antwoord ik.
Ons driespan is het water in gejaagd en dobbert voor ons uit. Soms duikelen ze voorover met de staart recht omhoog. Blijkbaar hebben ze besloten over te gaan op sappige waterplanten, die ze ondersteboven van de bodem plukken. Af en toe strekken ze hun hals en kijken nieuwsgierig in de richting van de campers.
‘Die zijn niet dom, die slimmeriken wachten hun beurt af’, zegt Marijke.
‘Denk ik ook, vanavond slaan ze hun slag’.
En inderdaad, als ik ’s avonds voor het slapen gaan nog even naar buiten loop, doen drie zwanen zich tegoed aan het gras bij de buren. Ik kan een lach niet onderdrukken. Een van de drie kijkt me aan, en gaat vervolgens weer vastbesloten verder.
Gisteren hadden we lekker gegeten in het dorp, en onze schnitzel dorstlessend weggespoeld met Viez (uit te spreken als fiets), een jonge appelwijn. We besloten een blokje om te fietsen na het eten. In Mehring de brug over en dan naar Longuich om een ijsje te eten. Maar al halverwege de brug had ik er al spijt van, het was immers bloedheet. En dan moeten wij zo nodig gaan fietsen op het heetst van de dag, met twee ‘Viez-en’ uitzakkend naar de kuiten. Als we ter hoogte van onze camping zijn, maar dan wel aan de overkant van het water, zie ik ineens drie gestrekte sierlijke halzen. Het is ons driespan dat lekker in de schaduw in het koele water van de Moezel ligt te dobberen. Die hebben het beter voor mekaar, denk ik. Maar stel ik me dat voor of is het echt zo. Twee zwanen kijken elkaar aan. Een van hen schudt overduidelijk zijn statige kop. De derde dobbert ietsjes verderop en beweegt heel snel zijn kop op en neer. Die lachen ons uit, ik weet het zeker.
We fietsen door de hitte naar Longuich en komend uitgeblust en uitgedroogd aan in het kleine pietluttige pittoreske wijndorpje.
‘Wat pak jij voor een ijs?’, vraagt mijn zwager.
‘Ik denk het grootste choco-ijs dat op de kaart staat’, zeg ik met kurkdroge mond.
‘Het is wel erg rustig op het terras’, zegt Marijke, exact op het moment dat ik een bord zie staan met overdreven sierlijke letters ‘Dienstag Ruhetag’.
‘Potverdomme, dat hebben wij weer’, vervolgt Marijke.
En zwijgend en in gezapig tempo klimmen we in Longuich weer de brug over en trappen we terug. Ik ruik asfalt en voel de brandende zon op mijn rug.
‘Dan gaan we in Mehring maar even op het terras zitten’, hoor ik achter me. En een half uurtje later zitten we aan het grootste choco-ijs en de dames aan een Erdbeerbecher mit Sahne. Als toetje besluiten we met een halve liter Bittburger en de dames met een Rooibos-thee. Terug op de camping is het bloedheet en het water van de Moezel daagt me uit. Resoluut stap ik in het koele water, heerlijk. Marijke beoordeelt mijn moedige stap als foto-waardig en komt met haar cameraatje naar de waterkant. Ik lig zalig te dobberen in het water en mijn lichaam neemt geleidelijk de temperatuur van de Moezel aan.
‘Kijk nou eens, kijk eens achter je’, zegt Marijke. Ik draai me om en zie dat ik omringd ben door drie prachtige zwanen die me alle drie recht aanstaren.
‘Ongelooflijk, blijf even stil liggen, dan maak ik er een foto van’. En de drie zwanen en ik blijven rustig dobberen totdat Marijke haar foto gemaakt heeft. Ik voelde me voor heel even heel gelukkig. Niet alleen door dat verkoelende water. Maar door die mij omringende nieuwsgierige volkomen ontspannen zwanen. We weten alle vier dat we mekaar volkomen accepteren en compleet met rust laten. Al verschillen we nog zoveel in kleur, eet- en schijtgedrag. Als we ons sociaal en niet als machtswellustelingen weten te gedragen, leven we nog lang en gelukkig in dit aardse paradijs.

dinsdag 5 juli 2016

Een kölsch Vader-Zoon-Weekend

Het was een idee van mijn zoon Hans: ‘Een keer per jaar een vader-zoon-weekend, moet kunnen, toch . . ‘. Dus dit jaar was ik aan de beurt om een weekendje te organiseren. Je mag niet verraden waar we naar toe gaan, alhoewel, het logo van OLW (ouwe-lullen-weekend) had stof tot nadenken moeten geven. Heel vaag staan daar de contouren op van de Dom van Keulen. Gewapend met tandenborstel en schone onderbroek bracht Marijke ons weg naar het station Venlo. En we ‘moesten’ een regenjas meenemen van onze bezorgde echtgenotes, je weet maar nooit. Op het station gaf ik Hans zijn ticket: ‘Verrek, de Tietelèrs gaan internationaal, dàt had ik niet gedacht. Was best wel een beetje zenuwachtig van waar gaan we naartoe’.
Toch wel leuk zo met de trein, en onderweg konden we de folders alvast doornemen van Keulen. Op het Hauptbahnhof zoeken we meteen een terrasje op bij Brauhaus Gaffel am Dom. Ik wil een kop koffie en de menukaart vragen om een broodje te bestellen. Komt een strak in het blauw gestoken kelner en zegt ‘zwei kölsch’ en loopt weg. Even later zet hij het eerste glas van een verschrikkelijk lange rij voor ons neer en deponeert twee menukaarten op tafel. ‘Prosit’, dan maar geen koffie. Het is heel druk en heel gezellig op het plein voor de Dom.
Ik stel voor dat we eerst naar Köln Tourismus gaan, om iets cultureels te reserveren. We lopen binnen, en een ongeïnteresseerde in zwart geklede jongedame zegt ‘bitte?’. Nog net slik ik ‘twee frikandel en twee friete’ in en vraag wat er in Keulen zoal te doen is? Ze kijkt Hans en mij misprijzend aan en klettert een foldertje ‘anders Leben’ voor onze neus. Hans schiet in de lach en fluistert in mijn oor ‘het is LHBT-weekend, die denkt dat wij ook zo zijn’. Ik weet niet waar hij het over heeft of wat hij daarmee bedoelt, en ik vraag wat explicieter: ‘Wir möchten heute eine Brauhaustour machen, können wir das hier reservieren’. De jongedame is echt niet behulpzaam, en net voordat ik vraag of haar verkering net uit is, legt ze uit dat er geen Aussen-Führungen zijn. We kunnen het om vier uur proberen of er ‘iets’ is voor de Dom en ze loopt verveeld weg waar helemaal niemand haar verder nodig heeft. Buiten gekomen legt Hans uit dat we het weer treffen. Was vorig jaar het WK-Beachvolleybal in Den Haag, dit weekend verzamelen de lesbische vrouwen, homo’s, biseksuelen en travestieten zich in Keulen. Nou ja, alleen klote dat er geen Brauhaustour is. Het begint te miezeren, en ik zie een droog romantisch tweezittertje onder een mooie antieke gotische boog.
‘Kom, drinken we daar gezellig een kop koffie’. We gaan zitten en voor we iets kunnen vragen passeert een kelner ‘zwei kölsch’, en we hebben de volgende glazen alweer voor ons staan. Het valt ons inderdaad nu op dat er erg veel mannelijke stelletjes voorbij lopen, of wat daar ’n beetje op lijkt. We besluiten om dan toch maar eerst die werkelijk indrukwekkende Dom te gaan bezoeken. Onze gids dreunde een dik uur lang ‘als-las-hij-een-boek-voor’ op één toon de indrukwekkend Domse geschiedenis voor. Ze hebben er van 1248 tot 1840 aan gebouwd, die grootste Gotische Kathedraal, het meest bezochte gebouw in Duitsland. Met zijn kaarsrechte statige torens van 157 meter hoogte, en zijn vijf machtige schepen en dwarsschip in de vorm van een kruis. Best wel indrukwekkend, zelfs voor een zoon en een vader op leeftijd. Door de zijdeur lopen we de kathedraal uit via zo’n draaideur. Je moet netjes één-voor-één in zo’n draaideur-compartimentje stappen. Maar ik lette teveel op die mooie plafonds en constateer plotseling dat ik achter een dame in dat krappe compartimentje stap. Als een zwangere eend dribbel ik heel voorzichtig achter haar aan, om elk erotisch contact te vermijden. Hèhè, dat ging net goed. Hans komt achter ons aan en staat zich krom te bescheuren van het lachen.

Aansluitend zoeken we ‘das Kölsche Rheinufer’ waar we vanavond gezellig buiten romantisch kunnen dineren. Onderweg passeren we enkele imposante Brauhäuser, en het aantal ‘anders Lebende’ neemt zienderogen toe. Onze schatting is snel bepaald, het LHBT-contingent omvat ca. 90% homoseksuele mannen (minus twee), 9% best wel aardige lesbische vrouwen en 1% travestieten, die beter thuis hadden kunnen blijven. ‘Wat een lelijk wijf’, zeg ik tegen Hans. ‘Zie jij dat echt niet, dat is een kerel, een travestiet!’. Nou ja zeg, als je dan toch zo nodig vrouwenkleren wil aantrekken, verzorg je dan ook als een vrouw en niet als een slonzige vent. Al snel hebben we een geschikte locatie voor ons ‘dinner-by-candle-light am Rheinufer’ gevonden. Er stond iets van Grill en van Platte, en het zag er gezellig uit.
Geweldig hoe leuk dat kan zijn met je zoon, je komt tot een geheel ander gesprek. We begrijpen elkaar feilloos, en houden van dezelfde geneugten des levens. Nee nee, niet te verwarren met ‘anders Leben’. Wat een stad, dat Keulen, wat een volk, wat een verscheidenheid. We tellen die dag ook nog eens minimaal 15 vrijgezellen-groepjes. Allemaal opvallend uitgedost en de meest lullig opvallende is overduidelijk de toekomstige bruid of bruidegom. De mannengroepen lopen zuipend en lallend door de stad. De meidengroepjes iets beschaafder en proberen ook de omringende mensen bij hun volkomen zinloze en belachelijke bezigheid te betrekken. Net als we op een muurtje aan de Rijn onze geblesseerde ledematen uitstrekken, worden we aangevallen door een losgeslagen horde amazones. ‘Möchten Sie etwas kaufen?’, en eentje steekt een lollie met een lullige uitstraling voor onze neuzen. ‘Nein danke’, antwoorden wij in koor. ‘Lieben Sie vielleicht Gummi-Bärchen, aber Gummi’s haben wir auch?’, vraagt de ander. ‘Ich mag keine Gummi-Bärchen und Gummi’s liegen mir zu schwer auf den Magen’, antwoord ik keurig. Ze hoort blijkbaar dat we ‘nicht-von-hier’ zijn en het gesprek wordt plotseling netter van inhoud en is vlug voorbij. We lopen voorbij het Brauhaus Sion en besluiten even binnen te kijken. Wat een gigantsch grote kroeg annex restaurant. Het is er gezellig druk met smakelijk etende en vrolijk drinkende mensen. We zoeken een plekje en hebben weer zonder te bestellen ‘zwei kölsch’ voor onze neus staan. Elke kelner heeft zijn eigen ‘Abteilung’, en met die van ons hebben we het getroffen. De man loopt met zo’n dienblad met handvat tussen de tafels door en vervangt simpelweg de lege glazen door volle. Ik neem de laatste slok en verdomd, zonder één woord of één blik! Sterker nog, met de rug naar ons toe twee worden twee schuimende en van het aangeslagen vocht druipende kölsch voor onze neuzen gezet. ‘Die man lijkt wel autistisch, ben benieuwd hoe lang hij dat volhoudt’. ‘Ik denk langer als wij’, en bij het vierde glas grijpt hij ruggelings een bierviltje, pakt een potlood vanachter zijn oor en fakkelt acht streepjes op het viltje. Je komt, tussen het goede gesprek dat we hebben door, oren en ogen tekort. De lucht wordt steeds meer bezwangerd met die heerlijke bakluchtjes met die kruidige sausjes van die gigantische borden met ‘Fleisch und Zutaten’. Het water loopt in mijn mond en wordt weer weggespoeld met die exact op de juiste temperatuur kölsch. En we hebben met zijn tweeën een open gesprek over alleen onderwerpen die alleen ons aangaan, waarbij je niet op hoeft te letten ‘wat-je-zegt’ of ‘hoe-je-het-zegt’.
‘Gaan we eerst nog naar de hotelkamer of wil je meteen gaan eten’, vraagt Hans. ‘Nou, die kamer loopt niet weg, en ik verrek van de honger’. En even later zetten we ons gesprek voort op dat uitgekozen terrasje aan de Rijn, met een kolossale Grillplatte tussen ons in en twee overmaatse kölsch dichtbij de rechterhand. Heerlijk!!!
Op de weg terug in de Altstadt komen we langs een volgend Brauhaus. Het barst in Keulen van die enorm grote Brauhäuser. We lopen binnen en zien in de vier hoeken liefst vier van die grote TV-schermen. ‘Verrek, Duitsland speelt tegen Italië, dat hebben wij weer’. ‘Goed weekendje uitgezocht pap’. ‘Sorry, maar ik kan er niks aan doen’, en we zoeken een plekje waar we nog enig zicht hebben op één van die vier schermen. Alle goeie plekken zijn vergeven, maar we vinden wel iets. Tussen vijf normale mannen en negen inmiddels uitgebluste vrijgezelle dames. En zo beleven wij ongewild maar met een brede glimlach de EK-kwartfinale Duitsland-Italië. Tussen honderden Pruusse die schreeuwend opspringen bij elke schermutseling voor een van de twee doelen. Een vriendelijke jongedame kan de kölsch-consumptie nauwelijks bijhouden aan onze rij tafels. Af en toe moet ze corrigerend optreden bij drie jongedames aan een tafel verderop. Het zijn de enige die geen kölsch drinken, maar zich vol laten lopen met ‘trockener Weisswein’. Heb ik nooit geweten, maar trockener Weisswein blijkt een verslappende uitwerking op arm-, been- en spraakspieren te hebben. Na de één-één en de compleet zoutloze verlenging besluiten we de penalties op de hotelkamer te bekijken. Maar een straat verder trekt de geur van Döner-Kebab ons naar binnen. We schuiven een broodje Döner, lekkend van de knoflooksaus, met twee handen naar binnen en aanschouwen die vreselijk spannende, nu al historische penalty-serie.
Als ze ons later ooit vragen ‘Waar was jij bij die historische penalty-beslissing Duitsland-Italië’, dan weet ik dat wel. Onderweg bedenk ik me dat we een volgende variant van ‘wat-is-voetbal’ hebben meegemaakt. Het is een spelletje met twee keer elf man en één bal. Die spelen twee keer 45 minuten en op het eind winnen de Duitsers. Maar spelen ze gelijk, dan spelen ze voor de labberjoeks nog twee keer 15 minuten en nemen vervolgens 17 strafschoppen, en dan winnen die Pruusse alsnog.

Ondanks die 27 kölsch volgde een perfecte nachtrust voor mij, want ik hoor mijn eigen snurken toch nooit. Ik had een kamer met twee bedden gereserveerd, maar dat bleek één bed te zijn. 'Geeft niks', zegt Hans, 'd'r liggen twee dekbedden op'. De volgende dag hebben we genoten van een geweldig mooi ‘Sport und Olympia Museum’ en een overheerlijk ‘Chokoladen-Museum’. Hans houdt van Formule-I en ik van kogelslingeren, en beide waren vertegenwoordigd. Op de treinreis terug met de tas vol chocolade, vonden we allebei dat het jammer was dat het alweer voorbij was. Een Vader-Zoon-weekend om niet te vergeten. Keulen is een mooie stad, het ‘anders Leben’ draagt onze goedkeuring, die Duitsers worden toch wel weer Europees Kampioen en ik ben nu al benieuwd waar we komend jaar naartoe gaan.

dinsdag 21 juni 2016

Een héél bijzonder clubrecord


Zaterdag 18 juni 2016, sportpark de Wijher is het strijdtoneel van het Limburgs Kampioenschap Junioren. Marijke en ik gaan jureren, onze opgegeven voorkeur was uiteraard bij de werpnummers. Om negen uur staan we bij de slingerkooi.  Kogelslingeren is mijn passie en ik geniet al van het inwerpen van die aanstormende jeugd. Marijke roept de deelnemers op en we kunnen beginnen.

B-junior Niek Brummans van onze club Swift Atletiek Roermond stapt in de ring. Met een lichte slingerbeweging laat hij de kogel rechts op de rand van de ring rusten, zakt wat nonchalant door de knieën, en laat zijn slingerkogel ronddraaien in de ring. Ik sta er langs en geniet. Ik hoor dat de kogel een zacht fluitend geluid opbouwt en met een ‘vvjieppp’  loskomen van zijn handen. Ik wacht tot Niek de ring uit is, en zeg ‘geldig’ tegen Marijke. ‘Mooie worp’, zeg ik tegen Niek. ‘Pffhh, gaat wel . . .’, krijg ik als antwoord.

Er wordt gemeten, hij wint de wedstrijd met de verste afstand van de dag, ’48.89 meter’. Zijn vader heeft al die tijd staan kijken naar de verrichtingen van zijn zoon. ‘Eindelijk, nieuw clubrecord, heeft ie mijn prestatie verbeterd met 9 centimeter!’, hoor ik achter mij. Ik draai me om, en kijk naar vader en zoon. Een stevige handdruk, een voorzichtig mannelijke toenadering. Een heel eenvoudig ‘proficiat’ begeleidt een héél mooi moment van waardering, trots, respect, blijdschap en geluk tussen een vader en een zoon. Perry Brummans had sinds 1985 het clubrecord met 48.80 meter. Zijn zoon Niek verbetert 31 jaar later een van de oudste clubrecords van Swift Atletiek Roermond. Een gedenkwaardige verbetering, maar dat de volgende generatie Brummans dat record verbetert, maakt het toch wel héél bijzonder!

Ik was er getuige van, ik heb ze allebei gefeliciteerd. Dat moest ik even aan jullie kwijt en met jullie delen! Ik heb er geweldig van genoten en kan me voorstellen hoe trots je als vader kunt zijn op zo’n moment. Ik deelde een beetje mee in dit vader-zoon-moment. Een bescheiden traantje voelde ik bij me opkomen, want ook dit maakt voor mij atletiek zo bijzonder.

Niek komt op me af en reikt me zijn hand. ‘Dankjewel voor het jureren’, zegt hij. Dat hebben ze zo geleerd bij Wim Coenen, netjes de jury bedanken. Atletiek is immers meer dan een kogel wegslingeren. ‘Ik ga weer weg, ik moet nog werken’, en Niek neemt afscheid en loopt alweer het sportveld af.


zaterdag 28 mei 2016

Lang leve de masteratletiek


Nederlandse Kampioenschappen Masters! Altijd weer leuk, één groot gezellig sportfeest met die steeds ouder wordende atleten. Altijd weer de vraag: ‘Wie zullen er allemaal meedoen? Wie zijn er afgevallen? Zou ik nog een beetje mee kunnen?’. De organiserende verenigingen doen hun uiterste best om het iedereen naar de zin te maken. Zo’n honderd vrijwilligers moeten worden opgetrommeld, geënthousiasmeerd, en in hetzelfde herkenbare T-shirtje worden gehesen. Meestal wordt een kampioenschap gekoppeld aan een zoveel-jarig-jubileum van de club. Het moet ook een feest voor de organiserende club zijn, de atletiekbaan en de kantine worden feestelijk aangekleed. Zij offeren zichzelf twee dagen op door ervoor te zorgen dat zo’n 500 oudere sporters op tijd kunnen wassen, plassen, eten, véél koffie kunnen drinken en op tijd de weg vinden naar hun atletiekonderdeel. Een delegatie van de Atletiekunie zorgt voor de regelgeving, geëscorteerd door een legertje top-jury met aanhang die denken dat ze top zijn. Perfect toch, succes gegarandeerd?

Nou nee, daar begint elk jaar dezelfde ellende! Hoeveel deelnemers zullen we toelaten? Welke onderdelen passen in twee dagen? Hoe streng kunnen we de toelatingslimieten maken? Zullen we toch stiekem een paar buitenlandse atleten toelaten? Hoe onmogelijk scherp kunnen we de medaillelimieten maken? Kunnen we die huldigingen niet gewoon achterwege laten? En hoe kleuterachtig flauw en onbegrijpelijk kunnen we die logische IAAF-regels naar onze eigen hand zetten.

De commentaren uit masterland zijn niet van de lucht en beginnen al bij de eerste publicatie van de nieuwe regelgeving. De organiserende vereniging krijgt de eerste lading bagger over zich heen, en probeert zich (waarom eigenlijk) te verdedigen. Maar de gedelegeerden blijven onzichtbaar en onwrikbaar. De inschrijvingen komen schoorvoetend binnen en de angst groeit in de masterlijke achterban! ‘Zal ik worden toegelaten? Zullen ze die indoorprestatie accepteren? Hoeveel zullen er inschrijven op mijn onderdeel?’.
Er ontstaat een griezelige, akelige en onsmakelijke driedeling in de master-maatschappij:
  1. Zij, die zeker zijn van hun deelname, omdat ze altijd wel de finale halen. Die houden meestal gewoon de mond, of vinden dat niemand zich ook maar ergens druk over moet maken.
  2. Zij, die in spanning afwachten of ze wel worden toegelaten. Die laten zich vaak horen en smeken om meer sportievere regelgeving.
  3. Zij, die zich verbazen over de stupiditeit van die belachelijke regelgeving. Die nadenken over alternatieven en constateren dat die eigenlijk voor de hand liggen.

Dit jaar ben ik door mijn enkel gegaan en kan ik niet deelnemen aan dat jaarlijkse feestje van de Atletiekunie. Hun doelstelling is (zoals ze zelf aangeven) een kwalitatief hoogstaand kampioenschap voor masters? Aan mijn hoela! Dit jaar zijn de Olympische Spelen, dat moet hoogstaand zijn. En een NK-Masters dient zich af te spelen héél ver in de schaduw van een rijtje oude eiken. Binnen de krochten van telkenjare afnemende prestaties. Het zou organiserende verenigingen meer cachet en kleur moeten geven aan een jubileum. Het zou alle masters moeten verenigen in het één keer per jaar met z’n allen samen genieten van onze atletiek, toch?
Nee hoor, straks sterft de tanende belangstelling bij (jubilerende) clubs om NK’s Masters te organiseren in afgrijzen! Wie laat er immers zijn eigen feestje bederven? Straks krijgen we een echt hoogstaand NK, misschien wel op Papendal! En dan geen gezeik meer, op elk onderdeel slechts acht deelnemers. Punt uit! En om het beter in de hand te houden, meteen finale! Dus werp(st)ers en spring(st)ers, meteen en alleen drie finale-pogingen. En oh ja, om het een beetje goedkoop te houden! Vijftig euro inschrijfboete. En waag je het bij de eerste drie te komen, moet je wel je eigen medaille financieren.

Lang leve de masteratletiek.

maandag 9 mei 2016

Knnnappp . . . einde seizoen

Als we niet met de camper onderweg zijn, geef ik ‘s zondagmorgens werptraining aan de jeugd van Scopias. Zo ook gistermorgen, het was Moederdag, de paardenbloemetjes toverden het groene gras van het sportpark om in de meest heldere sterrenhemel. Een stralend zonnetje, en een groep enthousiaste en gemotiveerde werpertjes. Dat was zeker voor mij dubbel genieten. Totdat ik zelf nog een paar discusworpen wilde proberen. Ik stap met mijn volle gewicht met de linkervoet op de rand van de cirkel. Mijn enkel klapte naar buiten. Een duidelijk en scherp ‘knnapp’ maakte mij meteen duidelijk ‘dit is het einde van het nog jonge baanseizoen’. Het deed niet meteen pijn, maar toen ik mijn werpschoen en sok uitdeed begon meteen de stekende pijn. Maar niks laten merken, stevig inpakken met een rekverband en heel flink met de auto naar huis.

Thuis was Marijke heel resoluut toen ze me zag strompelen: ‘we gaan meteen naar de huisartsenpost’. En even later waren we onderweg naar Venlo, mijn enkel kreeg steeds meer het formaat van een slingerkogel. Blijkbaar komen we bijna nooit bij de huisartsenpost, want de oude Venlose veiling lag er akelig verlaten bij. Daar was het dus niet meer. Dan maar door naar de eerste hulp in het ziekenhuis. Boven een schitterende nieuwe vleugel van het Viecuri-ziekenhuis prijkte in uitnodigend grote letters Spoedeisende Hulp. ‘Daar moeten we zijn’, zei Marijke. Maar ja, waar zet je de auto neer. Er waren zo’n dertig parkeerplaatsen gereserveerd voor de diverse soorten personeel. Heel ver achter het gebouw, achter dreigend gesloten slagbomen,  lagen de betaalde parkeerplaatsen voor diegene die hoognodig spoedeisende hulp nodig hebben. ‘Nou dat hele stuk kan ik echt niet lopen’, mompelde ik, ‘dat hebben ze weer perfect geregeld, zelfs geen stopplaats voor de ingang’. Dus Marijke moest bij de slagbomen rechtsomkeert maken op de smalle doorgang en parkeerde onze FIAT met knipperlichten aan voor de deur. Even later kwam ze met een vuurrode rolstoel met van die kleine slappe bandjes naar buiten. Daarin mocht ik even plaatsnemen, terwijl Marijke aan de horizon verdween om de auto heel ver weg te parkeren.

Nou, dat naar binnen duwen vergde heel wat krachtsinspanning, en mijn Marijke is best wel sterk. Achter de balie moest ik vanuit mijn rolstoel omhoog kijken naar een norse dame. Dit was duidelijk niet haar favoriete Moederdag. Ik kreeg een formulier overhandigd dat ik aan de tafel moest invullen. Het was 13:30 uur, het invullen lukte bijna helemaal, alleen ‘wat is mijn BSN-nummer?’. Marijke leverde het formulier in: ‘Gaat u daar maar zitten’, en het wachten begon.

Net op het moment dat ik dacht ‘die zijn ons vergeten’, hoorde ik mijn naam. Een vriendelijke dame zonder witte jas nam ons mee in een klein kamertje. ‘Dit is geen onderzoekkamer’, zei ik tegen Marijke. Want haar bureautje verdeelde het kamertje in tweeën, wij aan deze kant, zij moest omlopen om aan de andere kant van haar bureautje plaats te nemen.
‘Ik ben de triage-assistente’, zei de dame, ‘we gaan samen enkele gegevens invullen ter voorbereiding aan uw onderzoek’. Dat bleken dezelfde gegevens te zijn, die ik heel nauwkeurig al op dat formulier had ingevuld. Nou ja, behalve dat BSN-nummer dan.
‘Dank u wel’, zei de vriendelijke dame, ‘u kunt links om de hoek wachten tot u wordt opgeroepen’. Het wachten begon opnieuw, even later merkte Marijke mijn overduidelijke knorren van de maag op.
‘Jij ook al, ik verrek van de honger. Hadden we thuis maar eerst wat gegeten!’.
‘Nou, zo lang zal het toch niet duren?’.

Maar het duurde echt wel zo lang, er kwamen patiënten naar buiten, maar er werden geen spoedeisende klanten meer binnengelaten.
‘Volgens mij hebben ze wisseling van de wacht, of ze hebben koffiepauze’, verzuchtte Marijke. Mijn voet kreeg zo langzamerhand de vorm van een werpgewicht (twee keer zo groot als een slingerkogel voor de leken onder ons). Hij begon ook pijn te doen, Marijke zag dat en schoof heel attent een hockertje naderbij om mijn voet op te leggen.

Uiteindelijk opende de automatische deur zich en werd mijn naam genoemd. Een vrouwelijke huisarts liep voor ons uit, en Marijke duwde mij puffend en steunend in die onmogelijke rolstoel achter haar aan. En ja hoor, eerst weer gegevens noteren. Potvernondedju, alweer precies diezelfde gegevens. Al eens van automatisering gehoord, al eens van ‘touch-things-one-time’ gehoord? Mijn ouwe beroep van bedrijfskundige maakte me ineens heel erg opstandig. Maar die verdomde pijnlijke kogel aan mijn voet dwong me onmiddellijk weer tot nederigheid en bescheidenheid.
‘Ja, dat BSN-nummer hebben we toch wel nodig . . . ‘, zei de huisarts.
‘Oh, wacht even, in onze paspoorten misschien . . ‘, kreeg Marijke een helder moment, en toverde even later met een brede glimlach het BSN-nummer tevoorschijn. Het eigenlijke medische onderzoek op de Huisartsenpost kon nu eindelijk beginnen.
‘Nou, dat ziet er heel dik uit, misschien toch maar doorverwijzen naar Spoedeisende Hulp’, merkte de vriendelijke huisarts op in één oogopslag. Ik moest weer terug naar de balie, waar we weer werden door verwezen naar het wachtgedeelte van de Spoedeisende Hulp.

‘Hoe lang zitten we hier nu?’, vroeg ik Marijke.
‘Om precies te zijn, anderhalf uur, en nog steeds honger . . . ‘, antwoordde ze.
‘Dat wordt niet uit eten met Moederdag, dan maar straks een frietje halen’, en ik bespeurde teleurstelling in haar stem.
Hebben ze potverdomme nog geen 10 seconden naar mijn enkel gekeken, dacht ik intussen. Maar wel één formulier en twee schermen met exact dezelfde gegevens ingevuld. Alleen met dat verschil dat de derde keer het BSN-nummer kon worden ingevuld! En daar tussen door wachten, wachten en nog eens wachten. Maar ja, je hebt pijn, ik heb gegarandeerd een enkelband gescheurd of afgescheurd. Je wil geholpen worden en dan wachten we maar geduldig en lijdzaam af.

Een vriendelijke bourgondisch aandoende mannelijke verpleegkundige komt me ophalen. We worden een onderzoekkamer binnen geleid. Er staan twee van die onderzoektafels, met zo’n zeker geen geluidwerend gordijn er tussen. Ik mag op het achterste gaan liggen:
‘Je boft dat het niet zo druk is’, zegt de verpleegkundige.
‘Het is duidelijk te zien wat eraan mankeert’, gaat hij verder. Hij onderzoekt mijn enkel, en mijn tien centimeter loskomen van de onderzoektafel verraadt exact de plek waar het om gaat. Ook wel logisch eigenlijk, want die bevindt zich precies in het centrum van die dikker wordende kogel aan mijn voet.

‘De dokter komt zo’, zegt de verpleegkundige en loopt weg. Het zoveelste wachten begint. Naast ons zit een eveneens ouder echtpaar. De vrouw is gevallen en heeft ogenschijnlijk haar linkerarm gekneusd.
‘Auwieje, auwieje . . ‘, kreunt de vrouw onophoudelijk. Haar man zwijgt en staart strak voor zich uit. De vrouw probeert te gaan liggen, maar dat lukt niet.
‘Auwieje, ik kan niet gaan liggen. Auwieje, auwieje, ik word duizelig’. Haar man zwijgt en staart strak voor zich uit. Ik schiet in de lach, maar Marijke doet heel voorzichtig ‘sssstt’. De vrouwelijke arts komt binnen:
‘Het valt gelukkig mee mevrouw, waarschijnlijk is uw arm gekneusd, want op de foto is niets te zien’, zegt ze.
‘Auwieje, auwieje . . ‘, kreunt de vrouw, ‘ik heb hele erge pijn en word heel duizelig dokter’.
‘Ik kan u wat morfine-tabletjes voorschrijven voor de pijn’, vervolgt de arts.

‘MORFINE . . MORFINE, daar raak je toch aan verslaafd, hebt u niets anders’, zegt de vrouw verschrikt. Haar man zwijgt en staart strak voor zich uit.
‘Nou dat valt best wel mee mevrouw, maar dan schrijf ik iets anders voor! We wachten een week af hoe het gaat. Ik maak voor volgende week een afspraak bij de trauma-arts’, zegt de arts geruststellend.

‘TRAUMA-ARTS . . . TRAUMA-ARTS . . . auwieje, is het zo erg dokter’, zegt de vrouw verschrikt. Ik heb het niet meer en schater van het lachen. Marijke beseft dat dit niet meer te stoppen is, en glimlacht mee. Dit wordt een blog, zie ik haar denken.

‘Nou mevrouw, een trauma-arts kijkt ook gewoon naar kneuzingen, dat is niets bijzonders. Laat u maar eerst een weekje verwennen door uw man’, en ze neemt afscheid van de vrouw. Haar man zwijgt en staart strak voor zich uit.
‘Auwieje, auwieje, als ze maar niet gaan opereren . . ‘, treurt de vrouw. Onder gekreun, gesteun en ‘auwieje, auwieje . . ‘ stapt de vrouw moeizaam van de onderzoektafel. ‘Ik word duizelig, ik val om, auwieje . . .’, horen we en de vrouw strompelt en sleept zich naar de deur. Haar man zwijgt en staart strak voor zich uit.

Intussen zitten wij daar samen af te wachten en we verrekken allebei van de honger. Verpleegkundigen en artsen komen en gaan. Ze wassen hun handen of halen verband uit de vele kasten. De verpleegkundige van ‘de-dokter-komt-zo’ komt ook binnen, en ziet ons zitten. ‘Is ze er nog niet geweest?’, constateert hij en loopt naar buiten. Even later komt diezelfde vrouwelijke arts van onze gehorige onderzoektafel naast ons.
‘Even kijken, oh ik zie het al, laten we maar eerst een foto maken. U wordt zo opgehaald!’. Ze loopt de deur uit en een luttel kwartiertje later komt een vriendelijke verpleegkundige ons ophalen. Marijke had zich al ingesteld op een verschrikkelijk lange kruisweg naar de andere kant van het ziekenhuis.
‘Komt u maar mee, het is hiernaast’, zegt de verpleegkundige. Ik hoor een ontzettende zucht van opluchting achter mijn rolstoel. Vijf minuten later zijn we weer terug bij onze eigen onderzoektafel. Op de terugweg zien we nog vluchtig een vrouw met een gekneusde linker arm in een mitella driftig en boos kijkend met gezwinde pas voorbij lopen. Een nietszeggende man volgt haar op respectabele afstand. We blijken ook weer buren te hebben gekregen. Nou, dat is toch wel erg gehorig hier. Een vrouw zit op de onderzoektafel en uit het gesprek dat ze voert op haar mobieltje horen we luid en duidelijk dat ze hevige huiduitslag heeft!

Intussen zitten Marijke en ik alweer een hele lange tijd voor ons uit te koekeloeren. En we verrekken in toenemende mate van de honger.
‘Die is ons gegarandeerd vergeten’, verzucht ik inmiddels alweer voor de vierde keer. De vriendelijk bourgondische verpleegkundige komt binnen en vlucht nog sneller weer naar buiten.
Alweer een volgend tergend lang durend kwartiertje later komt hij terug en zegt dat er niets is te zien op de foto’s. Dat is geruststellend, dan zijn de botten in orde. Ik krijg een drukverband en moet over een week terugkomen.
‘Ik mag natuurlijk ook voorlopig niet stofzuigen’, probeer ik nog even voordeel uit mijn somber vooruitzicht te slepen. De verpleegkundige kijkt Marijke aan, en redt zichzelf uit dit dilemma:
‘Dat niet, maar aardappelen schillen en groente schoonmaken mag wel . .’. Net als hij wil beginnen met zijn drukverband komt een glimlachende vrouwelijke arts binnen en stelt zich voor.
‘Sorry, maar uw behandelend arts is weggeroepen voor spoedeisende hulp. Ik neem het even over’, zegt ze. Ik kijk blijkbaar heel erg dom, vragend, oenig, plat geslagen en ondeugend tegelijk, en probeer wanhopig een ontzettend snuggere vraag in te slikken. Ze ziet dat blijkbaar en vervolgt:
‘Er is zojuist iemand binnen gebracht. Hebben jullie al de uitslag van de foto?’, en loopt zonder antwoord af te wachten weg. De verpleegkundige haalt de schouders op en gaat door met zijn beklemmende werk. Heel strak wordt mijn slingerkogel ingepakt in een drukverband. Die term zegt al genoeg. De vriendelijke arts komt weer terug, ze heeft een kaartje in de hand.

‘Er is niets gebroken, en door de zwelling kunnen we op dit moment niets zien. U wordt gebeld voor een afspraak voor over een weekje’, en ze overhandigt Marijke het kaartje. ‘Als u vóór dinsdag niet wordt gebeld, kunt u het beste nog even zelf contact opnemen met de afsprakenlijn. En sorry dat u zo lang moest wachten’.
Ze neemt afscheid en ik mompel ‘dat wordt gegarandeerd dinsdag even zelf bellen’. De vriendelijke verpleegkundige plakt mijn drukverband stevig vast en kijkt me moedeloos en meelevend aan.
‘Sorry hoor, dat jullie zo lang moesten wachten’.
‘Geeft niks hoor . . . ‘, lieg ik. Na het betalen van de maximale 5,40 euro parkeergeld gaan we op weg naar Baarlo.

‘We halen maar gewoon wat bij de chinees’, zegt Marijke.
‘Ik vind alles goed, schat, het is immers Moederdag’, antwoord ik helemaal afwezig.

Ik zat na te denken over de alsmaar stijgende kosten van de zorg in Nederland, ik zat te bedenken dat ik best nog wel wat besparingen kon ophoesten op mijn ouwe dag.

De avond van Moederdag was ingevallen.

 

dinsdag 3 mei 2016

Een NK-Masters, iets anders geregisseerd

Op 30 april en 1 mei werden door AV Hanzesport in Zutphen de Nederlandse Kampioenschappen voor Masters georganiseerd op de disciplines Kogelslingeren, Gewichtwerpen en de Werpvijfkamp. We kijken altijd met veel plezier en verwachtingsvol uit naar ‘ons’ werpweekend. Echter deze keer was het allemaal nogal eng, ja, hoe zeg je dat in goed Nederlands? Een beetje spooky, een beetje creepy. Twee dagen waarbij ik van de ene ergernis in de volgende verbazing viel. Maar voor ik hier verder op inga moet me toch echt van het hart dat AV Hanzesport hier part noch deel aan had. Zij organiseren al jarenlang een beregezellige werpvijfkamp op de laatste zaterdag van oktober. Vriendelijke mensen in de kantine, juryleden die nog oog hebben voor de atleten, een geweldig Han-buffet na de wedstrijd en de altijd onopvallende maar oh zo correcte ETU-afstandsmetingen. Hanzesport weet intussen hoe je een werpvijfkamp moet laten lopen. Maar ja, op een kampioenschap voert een ander de regie . . .

Eerst even een referentiekader scheppen. Twee jaar geleden deed ik in Sint-Niklaas (B) mee met de het Open-BK-werpvijfkamp. Daar stonden op één dag maar liefst 92 atleten en atletes op de deelnemerslijst. Ik zei ’s morgens nog tegen mijn sportmaat ‘dat wordt gegarandeerd ene late vanavond’. Maar nee hoor! Alle groepen ‘deden’ hun vijf onderdelen makkelijk binnen de vijf uur. Iedere groep had zijn eigen vaste jury! Je leert elkaar op die manier beter kennen en waarderen, heel belangrijk. Geen mannen of vrouwen in donkerblauwe blazers, met die enge groene en rode banden, die met mapjes stevig onder de arm geklemd driftig over het veld lopen en het wedstrijdverloop alleen maar hinderen. Nee, geen onderscheid in jury. Het enige wat meteen opviel was een grote atletiek-deskundigheid. En ze werden terecht door de organisatie ‘in-de-watten-gelegd’. We moesten ons een half uur voor aanvang van het eerste onderdeel melden in de kantine, en konden rechtstreeks doorwandelen naar de slingerkooi. Het begin van een prachtige sportdag, een wedstrijd die liep. Niemand ging meteen naar huis, na afloop een hapje eten onder het genot van ene Leffe. Je kijkt alweer uit naar de volgende werpvijfkamp.

Dat het anders kon, mocht onze oudste deelnemer Jan Smit (84) aan den lijve ondervinden. Hij moest zich afgelopen weekend melden uiterlijk één uur voor de wedstrijd om 9:40 uur. Vervolgens een half uur voor de wedstrijd in de call-room plaats nemen, en onder begeleiding van een official met zijn groep naar het eerste onderdeel. Zie hier zijn tijdschema:

10:40 uur  Kogelslingeren
11:55 uur   Kogelstoten
14:25 uur   Discuswerpen
16:20 uur  Speerwerpen
17:30 uur  Gewichtwerpen

Maar liefst negen uur later was Jan Smit klaar met zijn werpvijfkamp, totaal gesloopt, uitgewoond en gebroken. Dit heeft niets, maar dan ook niets meer met sport te maken. En al zeker niet met onze masteratletiek. Afschuwelijk!! Maar dan moet je ook aangeven hoe het anders kan?? Nou ja, we hebben dat al meerdere keren uit proberen te leggen aan ‘verantwoordelijken’ van de Atletiekunie. Maar ik heb  dat opgegeven! Laat ze nu maar eens gewoon gaan kijken met een afvaardiging in Sint-Niklaas. Maar een dergelijk programma en tijdschema als in Zutphen zou NOOIT geaccepteerd mogen worden. Vijftien keer werpen in negen uur, reken de wachttijd eens uit.

Ik loop met mijn groep M60-M65 naar de slingerkooi, keurig geëscorteerd door een officiële official. Mijn Marijke loopt verwachtingsvol achter ons aan met haar stoeltje en camera. Zo’n zeven juryleden met felgekleurde gele hesjes staan om de kooi gedrapeerd op ons te wachten.

‘Waarom zoveel jury, drie is toch genoeg?’, vraag ik.
‘Die moeten oefenen voor het grote EK in Amsterdam’, krijg ik te horen. Marijke installeert zich, zoals ze dat al tientallen jaren doet, zo’n 20 meter achter de kooi, met de fotocamera paraat. Daar komt zo’n blauw-geblazerde blaaskaak op haar af:
‘Hup hup, van het veld af, toeschouwers aan de buitenkant van de atletiekbaan’. Maar mijn Marijke laat zich niet zo 1-2-3 afschepen, toch zie ik haar even later met hangende pootjes haar stoeltje wegslepen. De wedstrijd is voor haar al verpest. Wij werpen in, en ik doe de eerste poging. Ik loop de kooi uit en word vrij lomp door zo’n geel hesje gecommandeerd:
‘Je startnummer moet helemaal zichtbaar zijn, en niet omgevouwen’. Ik antwoord geïrriteerd:
‘Ik heb alleen de hoekjes omgevouwen, meneer, want ik moet er twee dagen mee doen. En u kunt toch zien dat ik startnummer 50 heb?’.
‘Nee, helemaal uitklappen’, en hij keert zich van me af.
‘Potvernondedju, wat een ontzettende lompe eikel is dat’, laat ik me ontvallen. Dat toontje, dat gebiedende, dat deelnemers vernietigend met ‘je’ aanspreken. De toon is gezet, die zijn niet van plan ons een gezellige wedstrijd te bezorgen. Ik zie al hoe dat straks in Amsterdam gaat, ik zal er scherp op letten.

Kogelslingeren is klaar. Na een pauze van een uur worden we weer geëscorteerd naar de kogelring. Daar zitten weer zeven andere juryleden met gele hesjes te wachten. De wedstrijd begint. Jan van Hooft veegt de ring keurig schoon, zoals hij dat altijd doet. Zeven gele kuikentjes in gele hesjes kijken verbaasd toe. ‘Mag dat wel volgens de reglementen’, hoor ik ze denken. Een van de zeven staat op, en loopt met zijn smerige zandpoten in de ring en zet plomp een grote oranje pilon midden in de ring. De eerste deelnemer kan zijn eerste poging gaan ondernemen. Dat gele kuiken loopt weer met zijn zandpoten de ring in, en pakt de pilon weg en zet hem aan de kant.

‘Waarom loopt die man met zijn poten in die ring, hij is net schoongeveegd, hij kan dat ding toch ook vanaf de rand plaatsen?’, vraagt een van de deelnemers aan mij.
De eerste deelnemer veegt keurig zijn sportschoenen voordat hij de ring instapt en doet zijn poging. Dat gele uilskuiken loopt weer de ring in, en zet de pilon in het midden van de ring. Er wordt gemeten, een ander uilskuiken zet de afstand op het scorebord en draait dat rond. Dan haalt hij die afstand weer weg en zet het volgende startnummer erop. Dit is het teken voor dat eerste uilskuiken om de ring weer te bevuilen en zijn pilon weg te halen. Ik zie al hoe dat straks in Amsterdam gaat, ik zal er scherp op letten.

Naast ons is een groep dames aan het kogelslingeren. We zien even later een van de deelneemsters geëscorteerd door een official van het veld lopen.
‘Wat krijgen we nou, moet die naar de dopingcontrole?’, vraagt iemand.
‘Nee, ze moet plassen, maar dat moet blijkbaar onder begeleiding!’. Nog geen tien minuten later moet blijkbaar alweer iemand van de dames plassen.
‘Potverdomme, wat een onzin. Kom op, we zeggen met z’n allen dat we ook moeten plassen’, zegt een van onze groep. Uiteraard is dit een geweldig idee, hadden we moeten doen. Maar zoals dat bij een groep atleten hoort, geeft niemand daar een vervolg aan. Hij geeft het echter niet op en loopt naar zo’n blauw-geblazerde toe, die absoluut niets anders te doen heeft dan zijn mapje stevig onder de arm te klemmen. Ik hoor het gesprek aan:
‘Waarom moet er een official mee als iemand moet plassen?’.
‘Dat is zo afgesproken in het kader van het anti-doping beleid!’.
‘Wablief, doping wat . . ?’.
‘Ja, we moeten in de gaten houden wat er gebeurt met atleten die van het veld gaan!’.
‘Potverdomme je tikt niet goed, denk eens na? We hebben zojuist met de hele kluit een uur in de kantine gezeten. Geen official gezien, en we zaten ongegeneerd met z’n allen te snuiven, te spuiten en te slikken . . . ‘.
Maar de blauw-geblazerde draait zich om en loopt naar een veiliger en rustiger oord, waar niemand hem stoort. Om verder te gaan met totaal geen bijdrage te leveren aan het goede verloop van onze wedstrijd. Ik zie al hoe dat straks in Amsterdam gaat, ik zal er scherp op letten.

Ik zie een vader met zijn dochtertje het veld op lopen. Het dochtertje draagt een lange lichtblonde vlecht, een lichtgrijze legging en bloemetjes truitje. Het is een zéér opvallende verschijning en dartelt lustig tussen kogelring en slingerkooi, zoals jonge meisjes dat plegen te doen. Niemand zegt er iets van, zelfs niet als ze met haar handjes levensgevaarlijk in de touwen van de slingerkooi gaat hangen. Ik kijk met open mond van verbazing naar de rand van het veld, waar mijn ‘verbannen’ Marijke met maximale zoom probeert foto’s te maken. Zij mag niet. Ik mis opeens die andere vrouwen, die ons normaal begeleiden. Mijn speurende blik ontwaart heel ver een bijna lege speciaal gebouwde tribune! Op de onderste rij helemaal rechts zit Lei Holthuijsen. Een stukje verder Mai, Wiedia, Lenie en Tina. Veel meer zal er die dag gebruik worden gemaakt van die grote verlaten tribune. Extra en speciaal opgezet voor het NK-masters werpen. Zo ver mogelijk van alle werpplekken af. Zo ver mogelijk af van daar waar het interessant is om te zijn. Bij hun eigen mannen en vrouwen, om hen aan te moedigen of zomaar voor de gezelligheid. Wie heeft dit bedacht? Welke idioot denkt dat dit ook maar een spoortje van een positieve bijdrage kan hebben. Waarom geen leeuwenkooi met stalen tralies en een stevig slot erop? Ongetwijfeld bedacht door iemand die geen affiniteit heeft met atletiek. Vast en zeker door iemand met het inlevingsvermogen van een loden deur. Pure verspilling, pure afbraak van alles wat een gezellig kampioenschap behoort te zijn.

Na de volgende lange wachttijd met de volgende kop koffie mogen we ons met de stijf geworden ledematen richting discuskooi begeven. Weer zeven andere, maar ook geel gekleurde uilskuikentjes omringen de kooi. We mogen inwerpen. Er staat een man in het veld. De discus zeilt in zijn richting. Blijkbaar en overduidelijk heeft de man dat nog nooit gedaan. Want hij loopt in de richting van de inslaande discus, in plaats van weg te lopen. De werper schrikt zich het laplazerus! Een paar pogingen verder gebeurt hetzelfde. Twee blauw-geblazerde niksnutten met mapjes onder hun armen staan erbij. Ze zien niets en grijpen niet in. De geschrokken werper loopt het veld in en gebaart druk in de richting van het domme uilskuiken. Ik zie al hoe dat straks in Amsterdam gaat, ik zal er scherp op letten.

Jan van Hooft stapt in de ring. Iedereen kijkt, want Jan is een geweldige discuswerper. Tevreden stapt hij na zijn geslaagde poging uit de ring. Het gele hesje naast de kooi geeft de witte vlag. Het domme uilskuiken in het veld staat op de plek van de discus-inslag. De elektronische afstandsmeter zegt: ‘vier-drie-negen-nul’.
‘Mooie worp om te beginnen Jan, 43 meter negentig’, zeg ik.
‘ONGELDIG’, klinkt het vanonder de gele baldakijn waar een paar van die gele hesjes hun onduidelijke opdracht zitten uit te voeren.
‘Hoezo ongeldig’, roepen Jan en ik gelijktijdig.
‘ONGELDIG’, klinkt het vastberaden vanonder de gele baldakijn.
Er ontstaat een onduidelijke maar zeer geagiteerde discussie tussen de kuikentjes onder het niet meer zo Roomse gele baldakijntje. Niemand weet meer wat te doen. Twee blauw-geblazerde niksnutten met mapjes onder hun armen staan erbij. Ze zien niets en grijpen niet in.
‘De laatste meting was vier-drie-negen-nul’, zegt de man van de elektronische afstandsmeter op rustige toon. En zo heeft hij een correcte worp, na een onbegrijpelijke ongeldige omweg, alsnog geldig verklaard. Ik zie al hoe dat straks in Amsterdam gaat, ik zal er scherp op letten.

We worden weer begeleid naar de kantine voor alweer de volgende lange wachttijd.
‘Iemand koffie’, hoor ik.
‘De koffie komt me bijna de strot uit. Ik wil speerwerpen, ik wil gewichtwerpen. Laat er snel een einde komen aan dit theaterdrama . . ‘, antwoordt iemand.
‘Waarom gebeurt er nu eigenlijk niks op het veld’, mompelt de volgende. Ik voel me onpasselijk en machteloos worden tegelijk. Ik moet naar buiten en zoek een plekje om tot bezinning te komen.

Eindelijk mogen we gaan speerwerpen. Verrekt, mijn speer is er niet bij.
‘Waar is mijn speer’, vraag ik in bijna blinde paniek aan een geel hesje.
‘Weet jij of alle speren zijn opgehaald’, vraagt het ene gele hesje aan het andere gele hesje.
‘Nee’, en ze laten mij in tergende onzekerheid in mijn wedstrijdhemdje staan.
‘Ze hadden er eentje afgekeurd omdat er tape om zat, heb ik gehoord’, zegt Han van Dijk.
Ik kijk totaal verslagen naar mijn spikes. Die heb ik zojuist keurig vastgestrikt. Ik kijk naar het materialenhok. Het ligt heel ver weg en dan moet ik ook nog eens met mijn spikes over de trottoirtegels.
‘Waarom zeggen ze dat godverdomme niet eerder, dan had ik die rot tape, waar mijn speer al negen jaar niet voor is afgekeurd, eraf kunnen halen. Wat een stelletje hersenloze onbenullen’.
Mijn wedstrijd is totaal naar de klote. Ik prik drie keer met een ander zijn speer volkomen ongemotiveerd in het gras. Daar tussen door zie ik dat de man in het veld geen rode en witte vlag hanteert, maar simpelweg zijn armen kruist als hij vindt dat de worp ongeldig is. Wij constateren overigens dat de beoordeling geldig-ongeldig meer op willekeur dan op kennis berust.

Ze gaan ook nog eens aan de andere kant van het veld discuswerpen. Ze posteren een extra man zonder geel hesje, maar wel met een fluit én een gele én een witte vlag in het veld.
‘Hedde gij dat ooit al eens eerder gezien’, vraagt mijn sportmaat. Ik heb totaal geen zin in een antwoord en zwijg, dus hij gaat door:
‘Die moet toch een witte en een rode vlag hebben. Trouwens, op het einde van de werpsector hoort toch ook een rode vlag in de grond?’. Maar ik zit er compleet helemaal doorheen. Ik denk, als ze nu eens gekeken hadden bij beide groepen naar de verste werpers op speer en discus. Dan hadden ze geconstateerd dat zich geen enkel probleem kon voordoen op het middenterrein. Nee, daar denken ze niet aan. Zelfs de onontbeerlijke sectorbogen ontbreken, die het voor de jury makkelijker en ons als deelnemers veel duidelijker maken. Of span gewoon een rood-wit lint in het midden van de twee sectoren. Nee, ik voel me een volkomen slaafse getuige van de teloorgang van de Nederlandse atletiek. Ik kan wel huilen van ellende.

Als een zombie onderga ik de laatste wachtbeurt in de kantine. Ik slobber een bak soep weg, en steek de laatste banaan in mijn nek. We slepen ons naar het gewichtwerpen, van mij mogen ze meteen beginnen. Ik werp toch maar een keertje in. Zoals altijd kijk ik om in het veld of de complete werpsector vrij is van alle menselijke sporen. Dat is zo, dus ik draai een keer en gooi de 9,08 kilo het veld in. De schrik slaat me om het hart, ik geef een angstaanjagende gil. Verplaatst een van die blauwe blazers het 10-meter-bordje een onbenullig klein stukje, terwijl mijn kogel boven zijn hoofd zeilt. Iemand die ooit aan gewichtwerpen heeft gedaan, weet hoe dat voelt. Maar ik ben totaal murw geslagen door die hele muppet-show en loop naar die bebrilde idioot met zijn blauwe blazertje en zeg rustig:
‘Wil je dat noooit meer doen . . .’. Maar blijkbaar moet hij zijn blauwe-blazer-eer redden. En denkt zijn gezag te kunnen redden door zich tussen de talrijke kuikentjes te verbergen. Maar ik loop achter hem aan:
‘Je luistert niet, ik schrok me kapot man! Besef je wel wat je deed? Wil je dat potverdomme nooit maar dan ook nooit meer doen?’. Er volgt niets, zelfs geen excuus!

Een geel hesje loopt op ons toe: ‘We gaan beginnen . . .’. Hij passeert daarbij Dirk-Jan, die al even klaarstond. Het volgende gele hesje loopt even later op ons toe: ‘We gaan beginnen . .’. Weer even later komt het volgende gele hesje: ‘We gaan beginnen, ik noem nog even de volgorde. We beginnen met nummer 41 . . . . .’. Ongelooflijk! Natuurlijk kennen we de volgorde, die is niet veranderd sinds vanmorgen 9:00 uur toen we ons voor het eerst moesten melden. Maar ja, dat weten die steeds weer andere gele hesjes weer niet. Dirk-Jan wacht geduldig af tot hij het commando ‘ring-vrij’ krijgt.

’s Nachts lig ik in bed naar het plafond te staren om de dag met mezelf te evalueren. Ik was vandaag getuige van een heuse creepshow. Verschillende groepjes, gekleed in gele hesjes, deden een complete zinloze oefening in jureren. Ze waren vooral met zichzelf bezig en met té veel onduidelijke en voor mij absoluut onherkenbare regeltjes. Wij vormden de totaal onbelangrijke en soms onwillige figuranten, waarop zij hun onbegrijpelijke talloze regeltjes konden botvieren. Ik voelde me acteur en slachtoffer van een spooky theaterstuk. Hoe ontneem je oudere atleten elke motivatie en elk plezier in een atletiekwedstrijd. Ik vraag me ineens af ‘Wat zal die technisch gedelegeerde aan zijn vrouw vertellen als hij thuis komt?’. Diezelfde man die niet eens wist dat Jan Smit de eerste werpvijfkamp in Nederland heeft georganiseerd. Jan moest daarvoor wel eerst uit eigen zak het eerste set werpgewichten uit het buitenland halen.

Je weet wel, die Jan Smit, die een spontane hulde onderging na de wedstrijd. Waarbij een deelneemster een bosje zelf geplukte madeliefjes overhandigde voor de allerliefste werpvijfkamper. Waarbij iedereen nog even was gebleven en voor hem klapte, wat was hij blij met ons bosje bloemen en onze fles wijn. Hij mocht immers geen medaille, we mochten zelfs niet even de microfoon gebruiken, we mochten vandaag eigenlijk niets.

Ik ga slapen, want het leven gaat tenslotte gewoon door. Ons werpers-weekend  NK-masters is verworden tot een trainingsstage voor gele hesjes, tot een thuiswedstrijdje van de Atletiekunie om zo min mogelijk medailles te hoeven uitreiken. Een onnozele hals een zodanig onmogelijk tijdschema in elkaar laten frommelen, zodat straks geen enkele club meer een NK wil organiseren en dat werpers snakken naar hun ‘eigen’ open NK.

Tot slot mijn welgemeende excuses aan de gele hesjes, de kuikentjes en de uilskuikens. Maar hoe had ik jullie anders moeten noemen, zeg het me! Ik roep jullie op, laat je niet als uilskuikens wegzetten. Werp jullie gele trainingshesjes af. Keer terug naar de basis van onze atletiek. Lees de reglementen van de IAAF, wees streng en rechtvaardig en besluit bij twijfel in het voordeel van de atleet.

In de gehorige kamer naast ons in het hotel zingt iemand een laatste lied:
‘We hebben un klupke opgerich
Veur minse met un lillik gezich
Daar heurde gij beij
Daar heurde gij beij’

En met een glimlach val ik in slaap.
Want samen met ons eigen klupke was het toch weer beregezellig.