zondag 27 november 2022

Matthijs draait bij

Bij het lezen en aanhoren van die intimiderende uitspattingen van Matthijs van Nieuwkerk bij de-wereld-draait-door, vlogen mijn gedachten meteen meer dan 20 jaar terug in de tijd. Naar de zwartste periode bij die Blerickse draad- en kabelfabriek. Het ging niet best met het bedrijf en er moest gesaneerd worden. Er werd een genadeloze verkoper uit de zandbak in het Midden-Oosten geplukt en gepromoveerd tot plantmanager van meer dan 800 medewerkers. Laat ik hem voor het gemak maar Matthijs noemen. Gesteund door een Amerikaanse directeur en een Limburgse personeelschef begon Matthijs er meteen op los te hakken. Ik mocht de eerste stafmeeting bijwonen, maar ik bleek meteen de enige die zijn gedrag niet pikte. Het was ook gelijk mijn laatste stafmeeting. Een ander moest mij maar aansturen, iemand met letterlijk en figuurlijk een te zwakke rug.

Daarnaast was ik ook de vertrouwenspersoon van het bedrijf. Tot de komst van Matthijs waren de gemelde ongewenste intimiteiten op één hand te tellen. Nu werd ik ineens geconfronteerd met volwassen huisvaders en trouwe medewerkers die huilend op mijn kantoor kwamen. Ook withete kerels die hun ingehouden frustratie bij me kwamen ventileren. Ik zag voor mijn ogen gebeuren hoe angst de ziel bij mensen letterlijk kan opvreten. Ik moest daar wat mee en bij personeelszaken bleef de deur potdicht. Iedere keer als ik Matthijs aansprak op zijn ongeoorloofd intimiderend gedrag, kreeg ik de huid op grove wijze vol gescholden. Het was op een gegeven moment buigen of barsten! Ik dacht bij mezelf die barsten kunnen later herstellen maar buigen zou betekenen dat ik mijn eigen zelfrespect en integriteit moest opgeven. Dat nooit!

Uiteindelijk bezweek ik toch onder de dubbele druk van mijn dagelijkse werk en dat van vertrouwenspersoon. Ik kwam met een burn-out thuis te zitten. Ik werd verwezen naar een Venlose psychologe die het niet zo nauw nam met de vertrouwelijkheid. Ze seinde alles door naar personeelszaken. Uiteindelijk kwam ik in Maastricht bij een psycholoog die me in enkele maanden weer op de rit kreeg. Bij terugkomst op m’n werk kwam de volgende klap. Niemand durfde met mij te praten en vooral niet als die houthakker uit die verre woestijn in de buurt was. Ik leek wel ernstig besmettelijk te zijn. Maar ik was psychologisch gewapend en deed keurig m’n werk.

Op een goeie dag stapte Piet mijn kantoor binnen:
‘Jan, wil je niet als lijstduwer van de Unie meedoen bij de komende Ondernemingsraadverkiezingen?’. Ik stemde zonder blikken of blozen in omdat ik me zeker niet wilde verbergen. Op deze manier hoorde ik er weer een beetje bij. Toen ik dat thuis aan mijn vrouw vertelde sprak ze de historische woorden:
‘Hoe kun je dat nu doen? Geloof me, jij wordt de nieuwe voorzitter van de OR’. Maar ik legde dat naast me neer want de FNV haalde toch altijd de meeste stemmen.

Op de dag van de verkiezingen belde Piet me even na elf uur ’s avonds op:
‘Proficiat Jan, je hebt verreweg de meeste stemmen gehaald en de Unie levert voor het eerst de grootste fractie in de OR’.
‘Zie je wel’
, zei mijn vrouw. Die nacht kon ik niet slapen en dacht na over mijn nieuwe positie.
Een week later zaten we in de bossen bij Herkenbosch voor het eerst bijeen met de nieuwe OR. Iedereen keek naar mij en ik werd de nieuwe voorzitter. De komende dagen discussieerden we hoe we ons gingen opstellen naar de bestuurder, lees die houthakker en die personeelschef. Donderdagavond kwamen ze allebei kennis maken met de nieuwe OR. En zo zat ik aan tafel recht tegenover de twee opponenten die mij wilden breken en het werken onmogelijk hadden gemaakt. Ik zag de personeelschef met open mond onderuit zakken en die houthakker kreeg een cynische trek om zijn mond toen ze hoorden dat ik de nieuwe voorzitter was. En ik voelde me gesterkt door de mensen die op me gestemd hadden en de OR die achter me stond.

We ontvouwden ons plan. De continuïteit van het bedrijf stond op één. Maar we verwachtten wel van de bestuurder een visie op langere termijn naast een standpunt wat betreft de normen en waarden van ons bedrijf. Ieder zichzelf respecterend bedrijf moest zijn kernwaarden uitstralen, het zijn immers de drijfveren die laten zien waar het bedrijf voor staat. Dat was even schrikken, maar binnen een maand hadden we een convenant gesloten met de bestuurder en konden we aan de slag.

Daarin stond ook klip-en-klaar dat niemand meer op staande voet eruit geschopt kon worden. Mensen die boventallig werden, kregen dit tijdig te horen en kregen een passende vertrekregeling aangeboden. Voorwaarde was dat ze met opgeheven hoofd en met respect afscheid zouden kunnen nemen. En dat is ons gelukt.
De plantmanager draaide bij en er groeide een ontspannen sfeer in het bedrijf. Wij tweeën zijn nooit vrienden geworden, maar we cultiveerden een zakelijke vertrouwensrelatie. Bij een van onze afspraken vroeg hij:
‘Hoe gaat het nu met jou?’. Waarop ik antwoordde:
‘Honderd procent gemotiveerd om mensen hun arbeidsvreugde weer terug te geven die jij ze afgepakt hebt’.

Enkele jaren later werd ik vervroegd gepensioneerd en de plantmanager vertrok naar een Duitse kabelfabriek. Een half jaar later ging ’s avonds de telefoon:
‘Dag Jan, heb je geen zin om me de komende winter te komen helpen? Er zijn een paar afdelingschefs die ik niet op het spoor krijg’. Ik had er meteen ontzettend veel zin in maar moest toch even prikken:
‘Tuurlijk, dat doe ik! Maar waarom flikker je ze niet gewoon op straat?’. Na een diepe zucht was het even stil aan de andere kant:
‘Fijn als je dat zou willen doen, bespreek de voorwaarden maar met personeelszaken hier. En wat mij betreft kun je meteen beginnen’.

En dat was het begin van drie lange winters prettige samenwerking met wat eens een botte houthakker was die me bijna de kop gekost had. We zijn nooit vrienden geworden maar vonden elkaar in een gezamenlijke doelstelling.

Keihard werken aan de continuïteit en stroomlijning van een bedrijf met het grootste respect naar zijn medewerkers.


dinsdag 31 mei 2022

Schone schijn

Afgelopen weekend was het NK Masters 2022 in Harderwijk. De 537 deelnemers werden door Atletiekvereniging Athlos warm ontvangen, ondanks dat het weer niet altijd wilde meewerken. Dus voordat Matse c.s. gaan reageren: een welgemeend groot compliment aan alle vrijwilligers en juryleden van Athlos. Ze mogen met trots terugkijken op hun aandeel in dit kampioenschap. Ik heb de jury bij de werponderdelen persoonlijk bedankt, ondanks dat niet alles volgens de regels verliep. Positief vond ik ook dat de prijsuitreiking een perfecte plek naast de kantine had gekregen. En de leden van het Platform Masters reikte de schier eindeloze stapel medailles geduldig en respectvol uit, met een vriendelijk woordje voor iedereen. Chapeau.

Toch merken jullie al dat cynische ondertoontje. Laat ik meteen met de deur in huis vallen. Ik vind dat de Atletiekunie steeds meer van die Noord-Koreaanse trekjes krijgt. Het begon al met inschrijven. Blijkbaar gaven niet alle URL’s toegang tot de opgegeven prestaties. Sommigen werden welwillend geholpen, anderen werden keihard afgewezen. En deze willekeur is binnen onze atletiek absoluut onacceptabel. Op de keper beschouwd is het zelfs in strijd met artikel één van onze grondwet. Ik ben er zelf niet over begonnen, maar het was wel hét gespreksonderwerp op de vrijdag. Er werd terecht schande over gesproken! Ik loop de kantine in en loop een oude bekende tegen het lijf. Hij draagt nu een atletiekunie-blauw shirt met een groene band. Ik zeg keurig: ‘Hallo’, maar ik krijg geen antwoord en de goeie bekende metamorfoseert in een arrogante vreemdsoortige bal. Het kampioenschap kan beginnen.

Ik moet me melden bij het kogelstoten. Net als op Schiphol had ik vanmorgen al mijn paspoort moeten laten zien. Nou ja zeg, mijn ledenpas kan nu definitief in de prullenbak! Even de kogel laten wegen en de man samen met Frans uitgelegd hoe hij het beste die vervelende rollende kogels kan wegen. Ik moet me op tijd melden in een grote witte tent (callroom). Startnummer laten zien aan twee vriendelijke dames achter een tafeltje en in ruil daarvoor krijg ik voor mijn naam een groen vinkje. De grote witte tent is verdeeld in twee gedeeltes, een beetje verdwaasd vraag ik me af wat ik in dat eerste voorgeborgte te zoeken heb. Totdat mijn oog valt op twee streng kijkende mannen achter een tafeltje, ingeklemd tussen dreigende dranghekken. Ik moest weer mijn startnummer laten zien en moest hiervoor mijn trainingsjasje nogal onhandig helemaal omhoog werken om mijn ‘7510’ zichtbaar te maken. Ik wilde ook nog vragen of ik ook mijn broek moest laten zakken maar ik wilde weg tussen die beklemmende dranghekken. Maar een resolute hand werd met enige druk op mijn rugzakje gelegd.
‘Heb je een mobiele telefoon bij je, of draag je een smartwatch? Want dat mag niet’. Vol ongeloof sta ik perplex naar die twee mannen te staren.
‘Menen jullie dat nu serieus?’
‘Jazeker, mag ik even in je rugzak kijken?’
‘Dat is niet nodig, want sinds ik getrouwd ben heb ik alles aan mijn vrouw moeten afgeven!’

Een beetje in de war ga ik zitten tussen vier mannen M70, drie mannen M75 en een babbelgrage M80-er. Ja, en oudere mannen moeten wel eens vaker plassen. En bij eentje is het nu zover:
‘Mag ik nog even gaan plassen?’
‘Nee, heel even wachten, want er moet iemand met je meelopen!’
.
Wat een onzin, alsof je onderweg naar dat plashokje kunt frauderen!? Het hele plezier in het voor me liggende Nederlandse kampioenschap kogelstoten is compleet weggeëbd. Die hele atletiekunie lijkt wel compleet van de pot gerukt. Het gaat niet meer om een simpel wedstrijdje mogelijk te maken. Nee, alles moet strak (over)gereguleerd zijn. Het gaat om de regeltjes, die denkelijk vermeld staan in die mapjes die ze stijf onder de arm geklemd hebben. Het gaat om hen, wij zijn tot figuranten gedegradeerd in het grote regelspel. Misschien een nieuw format voor John de Mol?

Eindelijk haalt de vijfde controleur in de grote witte tent het rood-witte lint weg en mogen de negen oudjes als makke schaapjes achter zo’n strakke armklem aanhobbelen. En daar liggen onze kogels te wachten. Hèhè, daar komen we uiteindelijk voor. Er liggen welgeteld twaalf kogels, vier van drie kilo en acht van vier kilo. Verbaasd constateer ik dat de ene M80-er uit vier kogels kan kiezen en de rest kan ieder één kogeltje uitzoeken. Als ervaren jury bij ontelbare werpwedstrijdjes bespeur ik onraad. Ik voel het aan m’n water. Allereerst liggen er twee rode vier-kilo kogels met een diameter van 120 mm, terwijl de maximale diameter toch echt 110 mm is. Met een simpele mal waren die zeker niet door de controle gekomen. Alle kogels zijn gemarkeerd met een ‘nummer’, ik had ervoor gekozen om minstens het gewicht duidelijk aan te geven. Voor iedere poging moest je het ‘nummer’ opnoemen of laten zien, dat liep in de praktijk een beetje door elkaar. De volgende bron van verwarring!
De wedstrijd begint en 18 doorleefde ruige mannenhanden laten de diverse kogels liefdevol één-voor-één door hun handen glijden als waren het vrouwenborsten. Ik werd daar meteen nerveus van, dat moet fout aflopen. Ja, ik zou me nooit vergissen tussen een drie of een vier kilo-kogel. Dat voelt een kind van drie of vier jaar zelfs al aan.

Iemand die net over de tien meter stoot heeft plotseling een uitschieter naar dik 11 meter. Hij springt blij uit de ring als heeft hij een wereldrecord gestoten. Maar dan komt een oplettende veldjury met zijn kogel:
‘Hij heeft niet gestoten met het juiste gewicht. Deze kogel is maar drie kilo’. Verschrikt kijkt hij naar het projectiel dat hem verraden heeft. Maar zonder gêne kraait hij meteen naar de jury:
‘Maar dan mag ik over stoten!’. En verdomd, hij krijgt een extra poging. Ik pak mijn hoofd in mijn handen en schaam me plaatsvervangend kapot voor mijn zo dierbare wedstrijdreglement. Ik voelde me al beknot en gekneveld door allemaal die zelf verzonnen regeltjes. Nu weet ik het zeker. Het gaat alleen om het uiterlijke vertoon, om de schone schijn. Als het gaat om onze pure atletieksport binnen ons wedstrijdreglement dan blijken de mazen wagenwijd.

Thuis heb ik de moeite genomen om de uitslagen van het kogelstoten eens te bekijken. Enkele zeer verdachte uitschieters springen er meteen uit. Heeft er iemand onterecht een podiumplek afgenomen van een eerlijke atleet? Ik weet het niet en mag het slechts vermoeden. Ik moet denken aan Hans de Vries en enkele anderen die onterecht werden buitengesloten vanwege een tikfoutje in een U-R-elletje.

En die twijfelen aan mijn verhaal? Vraag even na bij de deelnemers M70-M75-M80, zij waren getuige.  

zaterdag 6 november 2021

Corona in Spanje

‘Jullie boffen maar, jullie hoeven je nergens wat van aan te trekken!’, kregen we al een paar keer te horen uit het thuisland. Ja, we zitten intussen al ruim een maand in Spanje. Ik wist niet direct wat ik daarop moest antwoorden, dus zweeg ik maar in alle talen. Moest ik me nu schuldig voelen? Moesten we ons schamen? Moesten we ons vluchtelingen voelen voor het Corona-gevaar?

Het afgelopen jaar waren we helemaal niet op vakantie geweest. Mede gewaarschuwd door lieve mensen om ons heen bleven we keurig in onze bubbel. Ons leven speelde zich voornamelijk af in Blerick vier-hoog. Ja, wel elke dag een wandelingetje of een fietstocht in de omgeving.  
‘Ja, jullie behoren tot de risicogroep!’, kregen we vaak te horen. We voelden ons in één klap voor het eerst echt oud geworden. Dus hielden we ons keurig aan de maatregelen. Natuurlijk begrepen we d’r af en toe niets meer van, maar we hielden ons er keurig aan en lieten ons twee keer vaccineren.
Intussen groeide de weerstand met de dag, ook in onze eigen omgeving. De maatregelen werden versoepeld, mondkapjes verdwenen uit het straatbeeld en lagen voor oud vuil in de goot. Er werd twijfel gezaaid over het nut van vaccineren. Een kleine maar extreme groep ontkende zelfs het bestaan van het virus! De groep die de vrijheid terug eiste werd steeds luider te horen. De zucht naar grote bijeenkomsten was niet meer te stoppen. Volle voetbalstadions, dance-events, onbegrijpelijke field-lab-experimenten. We voelden er ons niet prettig bij. Om me te beschermen tegen onzinnige discussies moest ik zelfs ‘vrienden’ blokkeren op Facebook.
Met echte vrienden hadden we het plan om ’n paar maanden naar Spanje te gaan. Eind oktober zouden we vertrekken. De scholen begonnen weer, de zogenaamde vrijheidsstrijders trokken steeds stoutere schoenen aan. De hakken gingen in het zand, respectvol met elkaar argumenteren werd grof weggerukt uit onze eens democratische samenleving. Ons demissionaire kabinet kreeg steeds meer het niveau van een ordinaire muppet-show.
‘Als dat maar goed gaat!’, zeiden we tegen elkaar.
‘Kunnen we niet wat eerder gaan, straks mogen we niet meer reizen’, zei Marijke ongerust. En dus vertrokken we 2 oktober naar Benijófar. Hèhè, bij aankomst voelden we ons een paar maanden teruggeworpen in de tijd. Het voelde als een herademing. Iedereen droeg een mondkapje bij zich, onder de kin, met zo’n koordje op de borst of met die twee lussen om de onderarm. En zonder uitzondering ging dat ding om in gesloten ruimtes als winkels en restaurants. Maar ook op de markt moest dat ding om. Zelfs op het strand! De simpele uitleg was: ‘Bij verplaatsingen binnen altijd en bij verplaatsingen buiten als de onderlinge afstand van 2 meter niet aangehouden kan worden!’. En iedereen houdt zich hieraan, en niemand protesteert. En mocht je ‘m vergeten zijn dan word je er vriendelijk aan herinnerd.


Intussen zien we Nederland weer pieken naar een volgende lock-down, en hier in Spanje blijft het rustig.
‘Jaja, maak dat de kat maar wijs. Daar geloof ik niets van!’, hoor ik iemand hardop denken. Het enige dat ik daar tegenover kan stellen: wat feiten opzoeken. Ze staan keurig in het tabelletje. Spanje heeft 2,7 keer zoveel inwoners als Nederland en het aantal gevaccineerden ligt actueel 10,9% hoger als in Nederland. Als we kijken naar het gemiddelde aantal nieuwe Corona-gevallen, dan ligt dat 10 keer lager dan in Nederland. Oftewel in Nederland ligt het gemiddelde over de afgelopen 7 dagen per één miljoen inwoners op 456, in Spanje op luttele 44.
‘Jaja, maar Spanje is een héél ander land’, hoor ik iemand opperen. Dat klopt ook, de bevolkingsdichtheid ligt een factor 6 lager dan in Nederland. En ja, het is er gemiddeld 6,4 graden warmer dan bij ons. Dan is het wat gemakkelijker om buiten te verblijven.
Maar wat blijft staan is dat de vaccinatie-bereidheid van de Spanjaarden echt hoger ligt. En niet onbelangrijk en voor mij hartverwarmend om elke dag te zien: die aangename democratische solidariteit om je aan maatregelen te houden!
Ik ga me even niet mengen in de binnenlandse politiek van Spanje, maar dit doen ze goed. Hèhè, i
k voel me ineens niet meer zo schuldig. Het is weliswaar geen enkele garantie tegen Corona, maar het voelt hier een stuk prettiger in een ontspannen omgeving. En dat gun ik echt iedereen! Denk nog eens goed na, zoek in je diepste ik naar 'jouw eigen' argumenten. Voeg je in onze democratische besluitvorming en sluit daarna de gelederen en laat geen bres slaan door wat dan ook.
Of die vijand nu corona, polarisatie, racisme, emancipatie of populisme heet.

maandag 1 november 2021

Een warme zondag in Benijófar

Het is zondagmorgen 31 oktober, het wordt naar verwachting 30°C vandaag. We gaan toch maar een stukje wandelen, want straks is het te heet en we moeten toch in beweging blijven. We zijn alweer bijna een maand in Benijófar, een dorpje dat aanleunt tegen Rojales. Mede door de vele pensionado’s is Rojales de laatste decennia geëxplodeerd van 5.000 naar 18.000 inwoners. De dichtstbij gelegen plaats aan de kust is Torrevieja met zo’n 85.000 inwoners. Die niet zo vertrouwd zijn met deze omgeving zien Torrevieja vaak nog als een klein vissersplaatsje in Zuid Spanje. Wij weten inmiddels beter.

Het is rustig op de Calle de Malhucen en na enige tijd doemen de drie markante kruisen op, die hoog boven Rojales uittorenen. Van hieruit heb je een prachtig uitzicht over het dal van de Rio Segura. Natuurlijk wel minder indrukwekkend als de Maas. De rivier ontspringt in de Sierra de Segura en slingert door de provincies Jaén, Albacete, Murcia en Alicante om na 325 kilometer in Guardamar uit te monden in de Middellandse Zee. Rechts zien we de oude grotwoningen, daar moeten we nog een keertje gaan kijken. We lopen de kruisweg af naar het dorp, langs de veertien staties, die de lijdensweg van Jezus Christus in beeld brengen. Mijn knieën herinneren me onmiddellijk aan dat lijden, maar toch genieten we van de mooie grote cactussen en de ruïnes van de grotwoningen. Door een smal straatje met oude typisch Spaanse huisjes lopen we langs de Rio Segura. Heerlijk koel onder groene ficus-achtige bomen tot aan de stenen brug. Ik heb het al een beetje gehad en we slaan linksaf naar de Plaza de España. Daar moet je je niet teveel bij voorstellen, want het stelt qua oppervlakte helemaal niets voor. Maar op het terrasje van Cafetaría Maui ploffen we neer. Mijn gevoelige knietjes voelen weldadig aan als ik ze kan strekken. Op dit vroege moment blijkt Cafetaría Maui een echt buurtcafeetje. Vooral mannen lopen in en uit voor een pakje sigaretten en een vluchtig drankje aan de bar. Wij genieten buiten van onze Café Americano en delen het terras met twee zwervers. De ene zit voorovergebogen in een ontieglijk smerige lange broek naar zijn versleten sandalen te kijken. Een smoezelig vest zit strak om zijn dikke ronde buik. Ik zie denkbeeldige vliegen om zijn vette haren tollen. De ander zit met zijn boodschappenwagentje met al zijn bezittingen aan een tafeltje verderop. Hij heeft zich binnen een pakje sigaretten gekocht en verwent zichzelf met een glas bier. Hij rookt de ene sigaret na de andere en nipt daar tussendoor met kleine teugjes aan het bier. Hij zit echt te genieten en strijkt door zijn ongewassen wilde haardos.
‘Waar zullen die vannacht geslapen hebben?’, vraag ik Marijke.
‘Ik denk dat we dat niet willen weten . . ‘, krijg ik als antwoord.
‘Waar zullen die hun eten vandaan halen?’, probeer ik weer.
‘Waarschijnlijk bij de Sociedad, ik weet het niet’.

Onder het tweede kopje koffie genieten we van het ontwaken van het dorpje. We wandelen terug langs de Rio Segura, ongemerkt verlaten we Rojales en zijn alweer terug in Benijófar. De vele gepensioneerden hebben hier het uitgaansleven een behoorlijke boost gegeven. Vele restaurantjes schreeuwen om klandizie. Voor minder als een tientje heb je hier compleet gegeten en gedronken, ongelooflijk maar aantrekkelijk. En ook nog erg lekker en gezellig. Maar wij wandelen even door naar het Parque Cañada Marsá, een mooi gevarieerd langgerekt park in een dieper gelegen glooiing van het landschap. We zoeken een bankje langs het meertje met zijn ontelbare kakelende kippen, hanen, eenden en ganzen. Spaanse gezinnetjes met kinderen komen de eendjes voeren of laten hun kinderen los op de speeltoestellen. Marijke maakt helemaal voorovergebogen een foto van een eigenwijze haan die haar recht aankijkt. Ik zou daar graag zelf een foto van willen maken, maar mijn mobieltje zit in de tas van Marijke en ik zou die foto toch nooit en aan niemand mogen laten zien!? Een moeder voert aan de overkant de eendjes en haar twee dochtertjes jagen ze dan weer in het water. Stelletje pestkoppen! We zitten rustig op die bank als Marijke zegt:
‘Zie jij dat ook? Die vrouwtjes-eenden waggelen allemaal en die mannetjes-eenden niet’. En verdomd, die vrouwtjes-eenden draaien allemaal met hun gevederde kontje en die mannetjes dribbelen bijna onbewogen recht vooruit. Het valt me er zomaar uit:
‘Eigenlijk is dat toch geen verschil met vrouwtjes-mensen en mannetjes-mensen, toch?’. Naast mij blijft het angstvallig stil. Daar komt een jong stelletje met kinderwagen aangelopen. Volgens mij zijn ze pas moeder en vader geworden. Zij straalt in haar lange zwarte broek en vuurrode truitje. Hij loopt er wat onwennig en kleurloos langs. Zij heeft van die prachtige volle ronde borsten onder dat truitje. Verschillende gedachten schieten door mijn kruin:
‘Dat kindje zal niet vlug last krijgen van koemelk-allergie!’
‘Dat moedertje heeft geen Nutricia onder die kinderwagen verborgen!’
‘Die heeft de boel op de goeie temperatuur binnen handbereik’
.
Als ze vlakbij ons zijn haalt dat moedertje haar oogappeltje uit de kinderwagen en pakt hem op de arm. Het is inderdaad nog een piepklein baby-tje Als ze ons voorbij lopen draait ze de baby zo, dat wij reikhalzend met lange nekken het kindje kunnen bewonderen. Wij stralen allebei en het moedertje lacht tevreden terug. De jonge vader draait nog wat meer onwennig met zijn hoofd de andere kant op. Een stukje verderop maken ze selfies met z’n drieën. Steeds moet het moedertje even kijken of de foto gelukt is. En telkens moet vader in een iets andere positie zijn werk overdoen. Dat gaat wel even duren, maar het prille geluk blijft ervan af spatten.
‘Moet je niet even vragen of je ze kunt helpen met een foto maken?’. Normaal zou ik dat altijd spontaan aanbieden, maar nu hield iets me tegen:
‘Die kunnen dat goed zelf en je mag nooit storen in een gelukkig huwelijk’. Marijke is het ermee eens, we staan op en lopen het park uit:
‘Zullen we maar naar de Chinees gaan?’.
En daar zeg ik nooit geen nee op!

woensdag 27 oktober 2021

Ut is pas 25 jaor geleje

Ut is mei 1992 en ik bin allein met mien twieë groeëte jónges de winter doorgekómme. Maar die wille neet met mich un stök wandele en die zièn ouk döks zelf op de joets. En zoeë huùrt det ouk. Tuurlik ging ik ouk waal in ut wiekend op paad met de handbal-veterane. Tuurlik keek ik waal ens nao andere maedjes. En zeej ouk nao mich, maar as se te doeënbeej kwame dóch ik: ‘Laot maar effe zitte, aan mien lièf nog efkes genne polonaise’.

'Waorum schafs se dich gennen hónd aan?’, hadde ze mich al ens gezag. Wie langer ik dao euver nao dóch, deste mièr sprook mich det idee aan. En zoeë leep ik op unne vreje zaoterdig door dae gank van ut diere-asiel. Un stök of tieën van die hundjes keke mich zielig aan. Sómmige blafde taege mich, die vele metein aaf. Maar ik kós gen keus make. As se d’r eine oèt zuks, mós se die andere achterlaote. Ik merkde det ik neet allein in ut asiel waas, d’r leep ouk un knap bruudje van óngevièr miene laeftièd.
‘Zuks dich ouk un hundje?’.
‘Jao, maar ik kin neet keze’, zag det met un hièl vrintelik aangenaam stumke. Ik hoord’waal det ut wat later Blièricks had gelièrd. We stoke allebei de baovekant van ós hand oèt nao zón hundje det ós zielig aanglouwde. Hae douwde zien naat neuske aafwisselend taege zien hand en taege die van mich. Ouk hae kós neet keze. Det bruudje zóch nog effe wiejer en ik waas alweer op waeg nao hoès.

Un paar waeke later, d’r waas un wielerrónde in Blièrick en ik stónd met mien vrinde op de Pepijnstraot te kièke. Ik wis neet wae ik mós aanmoedige dus ik schrieuwde maar wat taege emus dae op kop loog:
‘Det is mien broor’, huurde ik un bekind stumke naeve mich.
‘Haej, det is ouk toeval! Heb se ouk gen hundje kinne oètzeuke?’, dao stónd det leuk maedje zoeë maar naeve mich. Ik vroog of ut zoeë metein mei woel gaon nao de Witte.
‘Jao, maar ik kin neet lang bliève, want mien broor kump nao mich toe. En ik woeën allein, dus . . ‘. Mien hert makde un sprungske en in zien moèje ouge zoog ik un vunkske. We hebbe maar ein pilske same gedrónke beej de Witte en we schreve ós tillefoonnummers achter op un beerviltje. Dae nach heb ik gen oug mièr dich gedaon. En ut ergste waas, ik wis neet ens wie ut hoot of wao ut woeënde. We zuje de waek dao nao de kermis in Düsseldorf ónveilig gaon make met det losgeslage stel van de handbalclub. Ik dóch beej mich zelf, ik vraog gewoèn of ut met wilt.

De volgenden aovend leep ik wie unne dolle asiel-hónd door de kamer. Zal ik um belle? Tuurlik gaon ik um belle? Wat mót ik doon as ut neet met kin nao Düsseldorf? Zal ik um dan vraoge um wat met mich te gaon aete in Mönchengladbach? Un stumke in miene kop zag:
‘Noow pak daen tillefoon höllewölle’. Ik haolde deep aom en dreide det nummer, det met un moèj handschrif op d’n achterkant van det viltje stónd:
‘Hallo, met Marijke’, zag un leef stumke aan d’n andere kant.
‘Hallo Marijke, met Jan, meschiens kins se mich nog van zóndaag beej de Witte?’.
‘Jao zeker, wat leuk . . .’.
‘Ik woel vraoge of se zaoterdig met mich met wils nao de kermis in Düsseldorf?’.
‘Jao zeker huur, wat leuk . . .’.

En zoeë reje we dae zaoterdig met dreej wages met die schalevaegers van de handbalclub nao Pruusses. Tuurlik makde die metein van die döbbelzinnige aanspeulinge. En Marijke en ik zote wat verlaege naevenein en deje de allerièrste persuùnlikke verkinninge. We zatte de auto’s weg en ik weit ut nog hièl good. We meuste zón hoeëg taluud aafloupe. Ik reikde Marijke hièl galant mien hand. En det veulde waal zoeë good! Alle zenuwe ware inens weg, un werme óntspanning trok door mien ganse lièf. Ut veulde metein mièr dan good. En we hebbe ós de gansen aovend vasgehalde en dao nao ouk noeits mièr losgelaote.

Un paar jaor later zien we getrouwd en det veult allemaol nog zoeë kort. Ut is eigelik pas 25 jaor geleje. We viere det heej in Spanje intens met zien twieë, want dan zien we allebei ut meis gelökkig.

dinsdag 26 oktober 2021

Top manta in Guardamar

Het fenomeen top manta langs de Spaanse stranden is de normale omschrijving van al die Afrikaanse illegale verkopers. Het Spaanse manta betekent laken. Als je over de boulevard van Guardamar slentert dan kun je ze niet missen. Hun grote lakens volgestouwd met schoenen, tassen, horloges en T-shirts liggen hinderlijk in de weg. De top manta is een echte plaag aan het worden want het lijkt er wel op dat de autoriteiten er niets willen doen of niets kunnen doen aan de vaak illegale straatverkopers die illegale namaak spullen verkopen. Op het eerste oog lijkt het eigenlijk wel leuk en gezellig, een soort van openlucht markt of rommelmarkt met veel goedkopere spullen als in de legale winkels.

Maar moet ik iets kopen bij die arme mensen? Verdienen ze mijn compassie? Welke moeilijke weg hebben ze moeten afleggen, aan welke ontberingen waren ze blootgesteld? Het merendeel van de verkopers komt uit landen onder de Sahara, Senegal en diverse andere Afrikaanse landen en zijn vaak op illegale wijze Spanje binnengekomen. Zijn we ons bewust dat het meeste geld niet naar die arme mensen gaat maar naar de maffiabazen die op de achtergrond vele tienduizenden euro’s verdienen aan de dubbele illegaliteit van verkopers en producten. 

Maar toch is het ook weer lucratief! Wat moet ik doen? Want ze verkopen producten die ver beneden de prijs aan je worden opgedrongen en vormen een oneerlijke concurrentie voor de normale winkeliers, die wel aan alle wettelijke verplichtingen moeten voldoen. Ik kan me nog herinneren dat ze jaren geleden al actief waren met de verkoop van CD’s en DVD’s maar die markt is blijkbaar opgedroogd. 

Dat zit ik me te bedenken als ik met Marijke op een terrasje zit in Guardamar met een glas witte wijn en een tapa-tje. Drie aardige jongemannen zitten verveeld bij hun koopwaar. Een vierde komt met een steekwagen met twee grote blauwe zakken erop en begint uit te stallen. De andere drie kijken even op en gaan verder met swipen op hun mobieltjes. Waar zoeken ze naar of waar kijken ze naar. Zijn dat ook mogelijk illegale praktijken of appen ze naar hun familie in Senegal of zo. Of zoeken ze speed-dates met wanhopige vrouwen van middelbare leeftijd om ze wat lichter te maken. Ik weet het niet en ik mag dat misschien ook niet denken.
Opeens kijkt er eentje maar links en staat op! Haastig grijpt hij de vier punten van dat grote laken. Hij tilt de vier punten over z’n schouder met al zijn handelswaar. De anderen doen hetzelfde en schielings verdwijnen ze op het strand van Guardamar. Ik kijk naar rechts en zie tergend langzaam de Policía over de boulevard naderen. Als ze ons nog geen 100 meter gepasseerd zijn, klimmen de vier mannen weer de boulevard op en beginnen onverstoord met het rangschikken van hun koopwaar. Dat is ook wat, wat moet ik hier weer van vinden? Als we een uurtje later de boulevard aflopen, terug naar de auto, zien we dezelfde politiewagen weer aan komen rijden. We blijven staan, draaien ons om en zien de vier mannen weer hun grote balen op hun rug tillen. De politiewagen staat even stil:
‘Potdomme, ze wachten om ze de tijd te geven om weg te komen!’, zeg ik tegen Marijke.
‘Die spelen gewoon een spelletje kat-en-muis!’
‘Het lijkt wel dat ze dit gedogen, maar het is dus wel echt illegaal’.

Een beetje in de war stap ik in de auto. Top manta hoort niet! Het is gewoon illegaal en voor die arme jongens simpelweg mens-onterend. De enige manier om hier van af te komen is dus:
‘Nooit iets bij hen te kopen’.

donderdag 14 oktober 2021

Desprendimiento

Voor de oude Blerickenaren: nee, dit is niet de titel van een nieuw liedje van de Vrijbuiters. Maar 12 oktober was ik ’t zat, al meer dan een week had ik last van mijn rechteroog. Dat was 3 augustus in Maastricht met spoed geopereerd aan een netvliesloslating. Bij de laatste controle na zes weken op 14 september bleek alles perfect in orde. Dus niets stond onze reis naar Spanje meer in de weg. Maar net in Benijófar gearriveerd begon dat oog me ontzettend te irriteren, een vervelende zenuwpijn. Bij eventuele nieuwe klachten zou ik contact moeten opnemen met de oogpoli in Venlo. Maar ja, als blijkt dat je pas na vijf werkdagen reactie kunt verwachten? Dus had ik onze steun en toeverlaat Piet en José een berichtje gestuurd hoe ik in Spanje hulp kon zoeken. En wat dacht je? Vijf minuten later stond Piet al voor de deur!

‘Hedde ge dat blauwe pasje bij je van oew zorgverzekering’, vroeg Piet meteen. Even twijfel, maar al snel had ik het gevonden in m’n portemonnee. En tien minuten later waren we met z’n drieën onderweg naar ‘hospital Quiron’ in Torrevieja. Het was een mooie avond en het zonnetje ging diep oranje onder. De auto snel voor de hoofdingang geparkeerd en wij naar binnen. Potdomme, daar was alles donker dus we kozen ieder een donkere gang. Ik had het geluk om de eerste verpleegster tegen te komen. In mijn beste Engels vroeg ik om hulp, maar de Spaanse schone lachte haar mooie tanden bloot. ‘Oooo, emergencia?’, zei ze vragend en wees met een breed gebaar naar de grond, ‘follow the red line’. Daar liep inderdaad een rode plakstrip die ons slalommend door het ziekenhuis naar de andere ingang leidde, die we hadden moeten hebben. Potdomme, daar was het druk maar een vriendelijke man achter de balie gebaarde me en zei: ‘Tarjeta azul y identificación’. Piet had ons goed voorbereid en Marijke reikte mijn blauw verzekeringspasje en rijbewijs aan. Die kreeg ik even later terug met een héle lange vragenlijst in het Nederlands. Met twee man die controlerend en aanvullend over m’n schouders meekeken lukte het om alle vragen correct in te vullen. De man verwees ons naar de wachtkamer. Nou, dat kon wel even duren dachten we. Maar na een kwartiertje kwam een man, compleet verpakt in dun blauw plastic de kamer binnen en riep: ‘Johannes Wilhelmus’. We veerden met z’n drieën op, maar ik moest helemaal alleen volgen. Ja, corona-maatregelen, ze mochten niet mee. Ik werd in een kamertje geleid waar mijn temperatuur, bloeddruk en hartslag werd gemeten. Zonder iets te zeggen verdween hij weer en even later kwam de dokter. Tuurlijk had ik me goed voorbereid en thuis goed geoefend. Met het blaadje in de hand zei ik: ‘He tenedo un desprendimiento de retina y una nueva lente ocular. Desde en cinco de octubre hay dolor en el ojo’. Hèhè, dat was eruit. Nu weet ie hopelijk dat ik een netvliesloslating heb gehad, tevens een nieuwe lens heb gekregen en dat ik vanaf 5 oktober last van mijn oog heb. De dokter lachte:
‘Hablas español?’.
‘No no, un poco pequeña’
, fluisterde ik verlegen.
‘Alemán’, vroeg hij.
‘Si . . uh . . Ja’, antwoordde ik. Nou dat was een hele opluchting en maakte het gesprek wat makkelijker. Hij keek goed in mijn oog en wat er omheen zit en concludeerde in begrijpelijke taal:
‘Sie haben eine Augenentzündung, wir machen das Auge sauber und Sie bekommen Tropfen’, en verliet weer de onderzoekkamer. Het duurde niet lang voordat de eerste zwijgzame verpleger terug kwam en gebaarde dat ik moest gaan liggen. Het leek wel alsof mijn oog door de wasstraat ging dus na enige tijd protesteerde ik al van: ‘sla de hotwax deze keer maar over’. Maar de man in plastic bleef onverstoorbaar, maakte mijn oog goed droog en eindigde heel zorgvuldig met twee druppels. Hij drukte mij het flesje in de hand en zei:

‘Espera aqui al doctor’. Ik wist dat ‘aqui’ hier betekent en dokter is internationaal, dus ik bleef rustig liggen. Even later kwam de dokter en vertelde nog eens keurig in het Duits wat ik precies had en dat ik een weekje moest druppelen en ’s nacht een zalfje moest gebruiken. De druppels kreeg ik meteen mee en de receptie zou me vertellen waar we het zalfje konden halen. Ik bedankte de man uitvoerig en spoedde me naar Marijke en Piet om verslag uit te brengen. De man van de receptie schreef het adres van de Farmacía op in Torrevieja:

‘You can’t miss it, its direct on the corner’. Nou, daar zouden we achter komen. Wij naar buiten, het is intussen stikkedonker en de auto staat helemaal aan de andere kant. We tikken het adres in onze navigatie, het was zo’n zes kilometer rijden. We storten ons in de donkere krochten van Torrevieja. Ongelooflijk, alleen maar éénrichtingsverkeer in een labyrint van smalle straatjes. Overal langs de kanten staan links en rechts auto’s geparkeerd, er rest slechts een smal éénsporig rijbaantje. Er staan geen borden die verraden dat je op een voorrangsweg zit, en ook geen stopbord als dat niet zo is. Dat kunnen we alleen afleiden aan de dikke witte lijnen op ieder kruispunt met heel groot STOP ervoor. Soms in de weg van rechts, soms links en soms plotseling voor onze neus. Zonder onze navigatie hadden we dat zelfs overdag nooit of te nimmer gevonden. Marijke houdt ook de veelvuldige wisselingen van al dan niet voorrangsweg in de gaten en zucht regelmatig ‘pas op Jan’. Gelukkig zit onze gids Piet achterin die af en toe heel geruststellend laat horen: ‘Je zit nog helemaal goed’. Ineens zien we in de verte een helder groen knipperend kruis.
‘Daar is het’, zegt Piet, ‘pak maar de eerste vrije parkeerplaats’. En dat doen we dan ook meteen. Piet blijft op de auto passen en Marijke en ik lopen de Farmacía binnen. Ik schuif het receptje van mijn oogzalfje over de balie en een jongedame gaat op zoek en komt even later terug. Intussen was ik al aan het rekenen, bij ons betaal je zonder dat zalfje voor apothekerskosten zo’n 10 euro. En dat kan ’s avonds of ’s nachts zelfs oplopen naar 45 euro! Dus ik verwacht dat ik 25 euro kwijt zal zijn, want we leven binnen één Europa toch?
‘Dos euros cincuenta por favor’, zegt de jongedame. En dat is toch echt in goed Rutte-Nederlands twee euro en vijftig cent. Ongelooflijk maar wel een goed gevoel, en lachend lopen we terug naar Piet. We stellen de navigatie in op ons tijdelijk thuisadres en storten ons weer in het donkere labyrint tussen twee rijen auto’s, geparkeerd tegen torenhoge huizenrijen. Met dat éénrichtingsverkeer is het wel zo dat geen enkele weg hetzelfde is als op de heenweg.
‘Tomme, wat is dat Torrevieja toch groot’, verzucht ik. Piet schiet achterin de auto in de lach en zegt:
‘Laatst vertelde ik dat we in de buurt van Torrevieja woonden. En toen zei die man: dat kleine vissersplaatsje in Zuid-Spanje?’. We schoten alle drie in de lach. Eindelijk verlieten we ons labyrint en Piet herkende de rechte weg terug naar Benijófar.

Thuisgekomen kreeg ik van zuster Marijke meteen mijn volgende druppeltjes en gingen we over op de witte wijn en mijn alcoholvrij biertje. Na een goede nachtrust met een gezalfd oog gaat het ineens weer een stuk beter. Met dank aan de goede en goedkope Spaanse zorg. En niet je blauwe zorgpasje vergeten als je naar Spanje gaat!

zaterdag 9 oktober 2021

Onderweg naar Spanje

Het is 4 oktober, we zitten aan het ontbijt in hotel Flamingo in l’Ampolla. Vandaag rijden we de laatste 400 kilometer naar Benijofar. Gisteren en eergisteren waren dat 800 kilometer, dus dat moet vandaag meevallen. Met Jan en Mai vertrokken we twee dagen geleden in een herfstachtig Blerick, twee auto’s volgepakt voor de komende drie maanden. Het miezert treurig, de ruitenwissers bewegen neerslachtig op-en-neer. Die grauwe stad Luik ziet er nog troostelozer uit dan normaal. De hele Ardennen blijven verborgen in de mist en het regent aanhoudend. In Luxemburg is de eerste stop om met mondkapje te tanken en een eerste koffiestop te doen. We rijden Frankrijk in en het wordt droog. De Route du Soleil doet zijn naam eer aan.

De temperatuur is opgelopen naar 22 graden als we de auto’s parkeren bij hotel Kyriad in Givors, net voorbij Lyon. Keurig hotel direct aan de oever van de brede Rhône. Plakstrips op de grond geven aan dat we twee meter afstand moeten houden en de mondkapjes moeten voor. Een vriendelijke jongeman vraagt om de internationale QR-code. Marijke schrikt, ze vergat even door te schuiven van ‘Nederland’ naar ‘Internationaal’. Het geeft toch een goed en veilig gevoel. Zelfs in de verste vertes voel ik niets van onderdrukking. Zelfs de termen dwang en drang blijven opgesloten in het woordenboek. Ook afschrikwekkende symbolen uit een oorlog die we gelukkig niet hebben meegemaakt verschijnen niet op mijn netvlies.
De avond brengen we door met een paar flessen wijn in een Brasserie aan de oever van die mooie Rhône, de vakantie is begonnen. Lekker pitten, ’s morgens een uitgebreid ontbijt en op weg naar Spanje. Het zonnetje breekt door en de temperatuur loopt op naar 28 graden. Links en rechts doemen de bergen op en als we op de borden Narbonne onderscheiden, begint het loeihard te waaien. Op de Franse tolwegen is het goed doorrijden, alleen als we een grotere stad naderen wordt het wat drukker. Bij le Boulou rijden we Spanje binnen door de uitlopers van de Pyreneeën. Jarenlang was dat een overnachtingsplek met onze camper. De Spaanse autowegen zijn tolvrij en we zullen de kustlijn blijven volgen. Regelmatig noemt Marijke een plaatsnaam gevolgd door: ‘Weet je nog, daar zijn we ook geweest!’. We herinneren de campings waar we gestaan hebben, waar we lekker gegeten hebben en wie we daar ontmoet hebben. Misschien wel daarom schiet het goed op en anderhalf uur achter Barcelona verlaten we de autobaan bij l’Ampolla. We hebben hetzelfde hotel van twee jaar geleden. Het ligt direct aan de Middellandse Zee en het zonnetje kleurt het water blauw. Precies zoals Toon Hermans dat zo prachtig bezong: ‘Méditerannée, zo blauw zo blauw. Méditerannée, zo blauw zo blauw. Met je mademoiselles, belles belles belles. Méditerannée’.
Met onze bagage voor-één-nacht lopen we hotel Flamingo binnen. De aangegeven looprichting leidt ons over een Corona-mat naar de balie, de QR-code wordt alvast opgezocht. Maar dat blijkt niet nodig, een vriendelijke jongedame neemt onze temperatuur op. En bij het inchecken krijgen we twee mondkapjes, keurig verpakt in een zakje. Met de lift vier-hoog naar onze kamer die verzegeld blijkt met een grote plakker ‘desinfectado’. Heej, toch wel apart. Onze kamer is brandschoon en de handdoeken zijn allemaal verpakt in plastic. Overdreven? Nou nee hoor, het geeft ons een veilig gevoel in een beschermde omgeving. We voelen ons absoluut niet gemuilkorfd binnen een repressief regime. Ook die blauwe Middellandse Zee weerspiegelt geen enkel gruwelijk of huiveringwekkend symbool uit die Tweede Wereldoorlog die we gelukkig niet hebben meegemaakt.
Die avond eten we in het visrestaurant Can Pañana aan de kust. De vissoep en de wijn waren slechts ingrediënten. De vriendelijkheid en gezelligheid op het terras waren zalig. Achter ons zat een jong Spaans stelletje met een baby van drie maanden. We raakten in gesprek, dat hoort zo in Spanje.

En nu zitten we dus aan het ontbijt in hotel Flamingo in l’Ampolla. Het is een buffet, dus krijgen we plastic handschoentjes aangereikt om de spullen te pakken. Overdreven? Ben je gek, het geeft slechts aanleiding tot grapjes over die gynaecoloog en zo. Het is ervaring, dus iets meer dan een mening: ‘Die gevaccineerd of getest zijn kunnen met een veilig en ontspannen gevoel reizen door België, Frankrijk en Spanje’. Om op die simpele maatregelen verwerpelijke etiketjes van doodskisten, galgen of wat dan ook te plakken begrijp ik echt niet. En om rond te lopen met huiveringwekkende symbolen van een verwerpelijk fascistisch regime? Dat is pas echt ziek makend!