woensdag 27 oktober 2021

Ut is pas 25 jaor geleje

Ut is mei 1992 en ik bin allein met mien twieë groeëte jónges de winter doorgekómme. Maar die wille neet met mich un stök wandele en die zièn ouk döks zelf op de joets. En zoeë huùrt det ouk. Tuurlik ging ik ouk waal in ut wiekend op paad met de handbal-veterane. Tuurlik keek ik waal ens nao andere maedjes. En zeej ouk nao mich, maar as se te doeënbeej kwame dóch ik: ‘Laot maar effe zitte, aan mien lièf nog efkes genne polonaise’.

'Waorum schafs se dich gennen hónd aan?’, hadde ze mich al ens gezag. Wie langer ik dao euver nao dóch, deste mièr sprook mich det idee aan. En zoeë leep ik op unne vreje zaoterdig door dae gank van ut diere-asiel. Un stök of tieën van die hundjes keke mich zielig aan. Sómmige blafde taege mich, die vele metein aaf. Maar ik kós gen keus make. As se d’r eine oèt zuks, mós se die andere achterlaote. Ik merkde det ik neet allein in ut asiel waas, d’r leep ouk un knap bruudje van óngevièr miene laeftièd.
‘Zuks dich ouk un hundje?’.
‘Jao, maar ik kin neet keze’, zag det met un hièl vrintelik aangenaam stumke. Ik hoord’waal det ut wat later Blièricks had gelièrd. We stoke allebei de baovekant van ós hand oèt nao zón hundje det ós zielig aanglouwde. Hae douwde zien naat neuske aafwisselend taege zien hand en taege die van mich. Ouk hae kós neet keze. Det bruudje zóch nog effe wiejer en ik waas alweer op waeg nao hoès.

Un paar waeke later, d’r waas un wielerrónde in Blièrick en ik stónd met mien vrinde op de Pepijnstraot te kièke. Ik wis neet wae ik mós aanmoedige dus ik schrieuwde maar wat taege emus dae op kop loog:
‘Det is mien broor’, huurde ik un bekind stumke naeve mich.
‘Haej, det is ouk toeval! Heb se ouk gen hundje kinne oètzeuke?’, dao stónd det leuk maedje zoeë maar naeve mich. Ik vroog of ut zoeë metein mei woel gaon nao de Witte.
‘Jao, maar ik kin neet lang bliève, want mien broor kump nao mich toe. En ik woeën allein, dus . . ‘. Mien hert makde un sprungske en in zien moèje ouge zoog ik un vunkske. We hebbe maar ein pilske same gedrónke beej de Witte en we schreve ós tillefoonnummers achter op un beerviltje. Dae nach heb ik gen oug mièr dich gedaon. En ut ergste waas, ik wis neet ens wie ut hoot of wao ut woeënde. We zuje de waek dao nao de kermis in Düsseldorf ónveilig gaon make met det losgeslage stel van de handbalclub. Ik dóch beej mich zelf, ik vraog gewoèn of ut met wilt.

De volgenden aovend leep ik wie unne dolle asiel-hónd door de kamer. Zal ik um belle? Tuurlik gaon ik um belle? Wat mót ik doon as ut neet met kin nao Düsseldorf? Zal ik um dan vraoge um wat met mich te gaon aete in Mönchengladbach? Un stumke in miene kop zag:
‘Noow pak daen tillefoon höllewölle’. Ik haolde deep aom en dreide det nummer, det met un moèj handschrif op d’n achterkant van det viltje stónd:
‘Hallo, met Marijke’, zag un leef stumke aan d’n andere kant.
‘Hallo Marijke, met Jan, meschiens kins se mich nog van zóndaag beej de Witte?’.
‘Jao zeker, wat leuk . . .’.
‘Ik woel vraoge of se zaoterdig met mich met wils nao de kermis in Düsseldorf?’.
‘Jao zeker huur, wat leuk . . .’.

En zoeë reje we dae zaoterdig met dreej wages met die schalevaegers van de handbalclub nao Pruusses. Tuurlik makde die metein van die döbbelzinnige aanspeulinge. En Marijke en ik zote wat verlaege naevenein en deje de allerièrste persuùnlikke verkinninge. We zatte de auto’s weg en ik weit ut nog hièl good. We meuste zón hoeëg taluud aafloupe. Ik reikde Marijke hièl galant mien hand. En det veulde waal zoeë good! Alle zenuwe ware inens weg, un werme óntspanning trok door mien ganse lièf. Ut veulde metein mièr dan good. En we hebbe ós de gansen aovend vasgehalde en dao nao ouk noeits mièr losgelaote.

Un paar jaor later zien we getrouwd en det veult allemaol nog zoeë kort. Ut is eigelik pas 25 jaor geleje. We viere det heej in Spanje intens met zien twieë, want dan zien we allebei ut meis gelökkig.

dinsdag 26 oktober 2021

Top manta in Guardamar

Het fenomeen top manta langs de Spaanse stranden is de normale omschrijving van al die Afrikaanse illegale verkopers. Het Spaanse manta betekent laken. Als je over de boulevard van Guardamar slentert dan kun je ze niet missen. Hun grote lakens volgestouwd met schoenen, tassen, horloges en T-shirts liggen hinderlijk in de weg. De top manta is een echte plaag aan het worden want het lijkt er wel op dat de autoriteiten er niets willen doen of niets kunnen doen aan de vaak illegale straatverkopers die illegale namaak spullen verkopen. Op het eerste oog lijkt het eigenlijk wel leuk en gezellig, een soort van openlucht markt of rommelmarkt met veel goedkopere spullen als in de legale winkels.

Maar moet ik iets kopen bij die arme mensen? Verdienen ze mijn compassie? Welke moeilijke weg hebben ze moeten afleggen, aan welke ontberingen waren ze blootgesteld? Het merendeel van de verkopers komt uit landen onder de Sahara, Senegal en diverse andere Afrikaanse landen en zijn vaak op illegale wijze Spanje binnengekomen. Zijn we ons bewust dat het meeste geld niet naar die arme mensen gaat maar naar de maffiabazen die op de achtergrond vele tienduizenden euro’s verdienen aan de dubbele illegaliteit van verkopers en producten. 

Maar toch is het ook weer lucratief! Wat moet ik doen? Want ze verkopen producten die ver beneden de prijs aan je worden opgedrongen en vormen een oneerlijke concurrentie voor de normale winkeliers, die wel aan alle wettelijke verplichtingen moeten voldoen. Ik kan me nog herinneren dat ze jaren geleden al actief waren met de verkoop van CD’s en DVD’s maar die markt is blijkbaar opgedroogd. 

Dat zit ik me te bedenken als ik met Marijke op een terrasje zit in Guardamar met een glas witte wijn en een tapa-tje. Drie aardige jongemannen zitten verveeld bij hun koopwaar. Een vierde komt met een steekwagen met twee grote blauwe zakken erop en begint uit te stallen. De andere drie kijken even op en gaan verder met swipen op hun mobieltjes. Waar zoeken ze naar of waar kijken ze naar. Zijn dat ook mogelijk illegale praktijken of appen ze naar hun familie in Senegal of zo. Of zoeken ze speed-dates met wanhopige vrouwen van middelbare leeftijd om ze wat lichter te maken. Ik weet het niet en ik mag dat misschien ook niet denken.
Opeens kijkt er eentje maar links en staat op! Haastig grijpt hij de vier punten van dat grote laken. Hij tilt de vier punten over z’n schouder met al zijn handelswaar. De anderen doen hetzelfde en schielings verdwijnen ze op het strand van Guardamar. Ik kijk naar rechts en zie tergend langzaam de Policía over de boulevard naderen. Als ze ons nog geen 100 meter gepasseerd zijn, klimmen de vier mannen weer de boulevard op en beginnen onverstoord met het rangschikken van hun koopwaar. Dat is ook wat, wat moet ik hier weer van vinden? Als we een uurtje later de boulevard aflopen, terug naar de auto, zien we dezelfde politiewagen weer aan komen rijden. We blijven staan, draaien ons om en zien de vier mannen weer hun grote balen op hun rug tillen. De politiewagen staat even stil:
‘Potdomme, ze wachten om ze de tijd te geven om weg te komen!’, zeg ik tegen Marijke.
‘Die spelen gewoon een spelletje kat-en-muis!’
‘Het lijkt wel dat ze dit gedogen, maar het is dus wel echt illegaal’.

Een beetje in de war stap ik in de auto. Top manta hoort niet! Het is gewoon illegaal en voor die arme jongens simpelweg mens-onterend. De enige manier om hier van af te komen is dus:
‘Nooit iets bij hen te kopen’.

donderdag 14 oktober 2021

Desprendimiento

Voor de oude Blerickenaren: nee, dit is niet de titel van een nieuw liedje van de Vrijbuiters. Maar 12 oktober was ik ’t zat, al meer dan een week had ik last van mijn rechteroog. Dat was 3 augustus in Maastricht met spoed geopereerd aan een netvliesloslating. Bij de laatste controle na zes weken op 14 september bleek alles perfect in orde. Dus niets stond onze reis naar Spanje meer in de weg. Maar net in Benijófar gearriveerd begon dat oog me ontzettend te irriteren, een vervelende zenuwpijn. Bij eventuele nieuwe klachten zou ik contact moeten opnemen met de oogpoli in Venlo. Maar ja, als blijkt dat je pas na vijf werkdagen reactie kunt verwachten? Dus had ik onze steun en toeverlaat Piet en José een berichtje gestuurd hoe ik in Spanje hulp kon zoeken. En wat dacht je? Vijf minuten later stond Piet al voor de deur!

‘Hedde ge dat blauwe pasje bij je van oew zorgverzekering’, vroeg Piet meteen. Even twijfel, maar al snel had ik het gevonden in m’n portemonnee. En tien minuten later waren we met z’n drieën onderweg naar ‘hospital Quiron’ in Torrevieja. Het was een mooie avond en het zonnetje ging diep oranje onder. De auto snel voor de hoofdingang geparkeerd en wij naar binnen. Potdomme, daar was alles donker dus we kozen ieder een donkere gang. Ik had het geluk om de eerste verpleegster tegen te komen. In mijn beste Engels vroeg ik om hulp, maar de Spaanse schone lachte haar mooie tanden bloot. ‘Oooo, emergencia?’, zei ze vragend en wees met een breed gebaar naar de grond, ‘follow the red line’. Daar liep inderdaad een rode plakstrip die ons slalommend door het ziekenhuis naar de andere ingang leidde, die we hadden moeten hebben. Potdomme, daar was het druk maar een vriendelijke man achter de balie gebaarde me en zei: ‘Tarjeta azul y identificación’. Piet had ons goed voorbereid en Marijke reikte mijn blauw verzekeringspasje en rijbewijs aan. Die kreeg ik even later terug met een héle lange vragenlijst in het Nederlands. Met twee man die controlerend en aanvullend over m’n schouders meekeken lukte het om alle vragen correct in te vullen. De man verwees ons naar de wachtkamer. Nou, dat kon wel even duren dachten we. Maar na een kwartiertje kwam een man, compleet verpakt in dun blauw plastic de kamer binnen en riep: ‘Johannes Wilhelmus’. We veerden met z’n drieën op, maar ik moest helemaal alleen volgen. Ja, corona-maatregelen, ze mochten niet mee. Ik werd in een kamertje geleid waar mijn temperatuur, bloeddruk en hartslag werd gemeten. Zonder iets te zeggen verdween hij weer en even later kwam de dokter. Tuurlijk had ik me goed voorbereid en thuis goed geoefend. Met het blaadje in de hand zei ik: ‘He tenedo un desprendimiento de retina y una nueva lente ocular. Desde en cinco de octubre hay dolor en el ojo’. Hèhè, dat was eruit. Nu weet ie hopelijk dat ik een netvliesloslating heb gehad, tevens een nieuwe lens heb gekregen en dat ik vanaf 5 oktober last van mijn oog heb. De dokter lachte:
‘Hablas español?’.
‘No no, un poco pequeña’
, fluisterde ik verlegen.
‘Alemán’, vroeg hij.
‘Si . . uh . . Ja’, antwoordde ik. Nou dat was een hele opluchting en maakte het gesprek wat makkelijker. Hij keek goed in mijn oog en wat er omheen zit en concludeerde in begrijpelijke taal:
‘Sie haben eine Augenentzündung, wir machen das Auge sauber und Sie bekommen Tropfen’, en verliet weer de onderzoekkamer. Het duurde niet lang voordat de eerste zwijgzame verpleger terug kwam en gebaarde dat ik moest gaan liggen. Het leek wel alsof mijn oog door de wasstraat ging dus na enige tijd protesteerde ik al van: ‘sla de hotwax deze keer maar over’. Maar de man in plastic bleef onverstoorbaar, maakte mijn oog goed droog en eindigde heel zorgvuldig met twee druppels. Hij drukte mij het flesje in de hand en zei:

‘Espera aqui al doctor’. Ik wist dat ‘aqui’ hier betekent en dokter is internationaal, dus ik bleef rustig liggen. Even later kwam de dokter en vertelde nog eens keurig in het Duits wat ik precies had en dat ik een weekje moest druppelen en ’s nacht een zalfje moest gebruiken. De druppels kreeg ik meteen mee en de receptie zou me vertellen waar we het zalfje konden halen. Ik bedankte de man uitvoerig en spoedde me naar Marijke en Piet om verslag uit te brengen. De man van de receptie schreef het adres van de Farmacía op in Torrevieja:

‘You can’t miss it, its direct on the corner’. Nou, daar zouden we achter komen. Wij naar buiten, het is intussen stikkedonker en de auto staat helemaal aan de andere kant. We tikken het adres in onze navigatie, het was zo’n zes kilometer rijden. We storten ons in de donkere krochten van Torrevieja. Ongelooflijk, alleen maar éénrichtingsverkeer in een labyrint van smalle straatjes. Overal langs de kanten staan links en rechts auto’s geparkeerd, er rest slechts een smal éénsporig rijbaantje. Er staan geen borden die verraden dat je op een voorrangsweg zit, en ook geen stopbord als dat niet zo is. Dat kunnen we alleen afleiden aan de dikke witte lijnen op ieder kruispunt met heel groot STOP ervoor. Soms in de weg van rechts, soms links en soms plotseling voor onze neus. Zonder onze navigatie hadden we dat zelfs overdag nooit of te nimmer gevonden. Marijke houdt ook de veelvuldige wisselingen van al dan niet voorrangsweg in de gaten en zucht regelmatig ‘pas op Jan’. Gelukkig zit onze gids Piet achterin die af en toe heel geruststellend laat horen: ‘Je zit nog helemaal goed’. Ineens zien we in de verte een helder groen knipperend kruis.
‘Daar is het’, zegt Piet, ‘pak maar de eerste vrije parkeerplaats’. En dat doen we dan ook meteen. Piet blijft op de auto passen en Marijke en ik lopen de Farmacía binnen. Ik schuif het receptje van mijn oogzalfje over de balie en een jongedame gaat op zoek en komt even later terug. Intussen was ik al aan het rekenen, bij ons betaal je zonder dat zalfje voor apothekerskosten zo’n 10 euro. En dat kan ’s avonds of ’s nachts zelfs oplopen naar 45 euro! Dus ik verwacht dat ik 25 euro kwijt zal zijn, want we leven binnen één Europa toch?
‘Dos euros cincuenta por favor’, zegt de jongedame. En dat is toch echt in goed Rutte-Nederlands twee euro en vijftig cent. Ongelooflijk maar wel een goed gevoel, en lachend lopen we terug naar Piet. We stellen de navigatie in op ons tijdelijk thuisadres en storten ons weer in het donkere labyrint tussen twee rijen auto’s, geparkeerd tegen torenhoge huizenrijen. Met dat éénrichtingsverkeer is het wel zo dat geen enkele weg hetzelfde is als op de heenweg.
‘Tomme, wat is dat Torrevieja toch groot’, verzucht ik. Piet schiet achterin de auto in de lach en zegt:
‘Laatst vertelde ik dat we in de buurt van Torrevieja woonden. En toen zei die man: dat kleine vissersplaatsje in Zuid-Spanje?’. We schoten alle drie in de lach. Eindelijk verlieten we ons labyrint en Piet herkende de rechte weg terug naar Benijófar.

Thuisgekomen kreeg ik van zuster Marijke meteen mijn volgende druppeltjes en gingen we over op de witte wijn en mijn alcoholvrij biertje. Na een goede nachtrust met een gezalfd oog gaat het ineens weer een stuk beter. Met dank aan de goede en goedkope Spaanse zorg. En niet je blauwe zorgpasje vergeten als je naar Spanje gaat!

zaterdag 9 oktober 2021

Onderweg naar Spanje

Het is 4 oktober, we zitten aan het ontbijt in hotel Flamingo in l’Ampolla. Vandaag rijden we de laatste 400 kilometer naar Benijofar. Gisteren en eergisteren waren dat 800 kilometer, dus dat moet vandaag meevallen. Met Jan en Mai vertrokken we twee dagen geleden in een herfstachtig Blerick, twee auto’s volgepakt voor de komende drie maanden. Het miezert treurig, de ruitenwissers bewegen neerslachtig op-en-neer. Die grauwe stad Luik ziet er nog troostelozer uit dan normaal. De hele Ardennen blijven verborgen in de mist en het regent aanhoudend. In Luxemburg is de eerste stop om met mondkapje te tanken en een eerste koffiestop te doen. We rijden Frankrijk in en het wordt droog. De Route du Soleil doet zijn naam eer aan.

De temperatuur is opgelopen naar 22 graden als we de auto’s parkeren bij hotel Kyriad in Givors, net voorbij Lyon. Keurig hotel direct aan de oever van de brede Rhône. Plakstrips op de grond geven aan dat we twee meter afstand moeten houden en de mondkapjes moeten voor. Een vriendelijke jongeman vraagt om de internationale QR-code. Marijke schrikt, ze vergat even door te schuiven van ‘Nederland’ naar ‘Internationaal’. Het geeft toch een goed en veilig gevoel. Zelfs in de verste vertes voel ik niets van onderdrukking. Zelfs de termen dwang en drang blijven opgesloten in het woordenboek. Ook afschrikwekkende symbolen uit een oorlog die we gelukkig niet hebben meegemaakt verschijnen niet op mijn netvlies.
De avond brengen we door met een paar flessen wijn in een Brasserie aan de oever van die mooie Rhône, de vakantie is begonnen. Lekker pitten, ’s morgens een uitgebreid ontbijt en op weg naar Spanje. Het zonnetje breekt door en de temperatuur loopt op naar 28 graden. Links en rechts doemen de bergen op en als we op de borden Narbonne onderscheiden, begint het loeihard te waaien. Op de Franse tolwegen is het goed doorrijden, alleen als we een grotere stad naderen wordt het wat drukker. Bij le Boulou rijden we Spanje binnen door de uitlopers van de Pyreneeën. Jarenlang was dat een overnachtingsplek met onze camper. De Spaanse autowegen zijn tolvrij en we zullen de kustlijn blijven volgen. Regelmatig noemt Marijke een plaatsnaam gevolgd door: ‘Weet je nog, daar zijn we ook geweest!’. We herinneren de campings waar we gestaan hebben, waar we lekker gegeten hebben en wie we daar ontmoet hebben. Misschien wel daarom schiet het goed op en anderhalf uur achter Barcelona verlaten we de autobaan bij l’Ampolla. We hebben hetzelfde hotel van twee jaar geleden. Het ligt direct aan de Middellandse Zee en het zonnetje kleurt het water blauw. Precies zoals Toon Hermans dat zo prachtig bezong: ‘Méditerannée, zo blauw zo blauw. Méditerannée, zo blauw zo blauw. Met je mademoiselles, belles belles belles. Méditerannée’.
Met onze bagage voor-één-nacht lopen we hotel Flamingo binnen. De aangegeven looprichting leidt ons over een Corona-mat naar de balie, de QR-code wordt alvast opgezocht. Maar dat blijkt niet nodig, een vriendelijke jongedame neemt onze temperatuur op. En bij het inchecken krijgen we twee mondkapjes, keurig verpakt in een zakje. Met de lift vier-hoog naar onze kamer die verzegeld blijkt met een grote plakker ‘desinfectado’. Heej, toch wel apart. Onze kamer is brandschoon en de handdoeken zijn allemaal verpakt in plastic. Overdreven? Nou nee hoor, het geeft ons een veilig gevoel in een beschermde omgeving. We voelen ons absoluut niet gemuilkorfd binnen een repressief regime. Ook die blauwe Middellandse Zee weerspiegelt geen enkel gruwelijk of huiveringwekkend symbool uit die Tweede Wereldoorlog die we gelukkig niet hebben meegemaakt.
Die avond eten we in het visrestaurant Can Pañana aan de kust. De vissoep en de wijn waren slechts ingrediënten. De vriendelijkheid en gezelligheid op het terras waren zalig. Achter ons zat een jong Spaans stelletje met een baby van drie maanden. We raakten in gesprek, dat hoort zo in Spanje.

En nu zitten we dus aan het ontbijt in hotel Flamingo in l’Ampolla. Het is een buffet, dus krijgen we plastic handschoentjes aangereikt om de spullen te pakken. Overdreven? Ben je gek, het geeft slechts aanleiding tot grapjes over die gynaecoloog en zo. Het is ervaring, dus iets meer dan een mening: ‘Die gevaccineerd of getest zijn kunnen met een veilig en ontspannen gevoel reizen door België, Frankrijk en Spanje’. Om op die simpele maatregelen verwerpelijke etiketjes van doodskisten, galgen of wat dan ook te plakken begrijp ik echt niet. En om rond te lopen met huiveringwekkende symbolen van een verwerpelijk fascistisch regime? Dat is pas echt ziek makend! 

vrijdag 8 oktober 2021

Guardamar

Het is 7 oktober, we sjokken langs het strand. De sandalen bungelend in één hand en de blote voeten spelend met de golfjes van die helderblauwe Middellandse Zee. We lopen niet ver vandaag, we zijn nog een beetje moe van de reis. Op het strand zitten meest oudere echtparen, de mannen zwaar uitgezakt in te grote zwembroeken. De vrouwen wat vormeloos in te nauwe badpakken, blijkbaar hebben die hun pasmaat toch wat onderschat.

Een stukje van het strand ligt de langgerekte boulevard met zijn vele aanlokkelijke terrasjes. Ook wij laten ons verleiden. Voorover gebogen slepen we ons door het mulle zand omhoog en ik zie dat er nog één tafeltje vrij is. Hèhè, we zitten. Achter ons telefoneert een Duits echtpaar op de speaker met het thuisfront. Het hele terras kan mee genieten en horen dat ze het over 800 euro ‘Rente ohne Steuer’ hebben. Voor onze neuzen staan intussen twee tot aan de rand gevulde glazen met koele witte wijn. Op de menukaart zoeken we ’n paar tapa’s uit. We weten al wat we gaan bestellen. Gamba’s in knoflooksaus, stukjes varkens-poulet met dikke pittige tomatensaus en gebakken stukjes kaas met zoete rode jam. En daarbij als basis een voorgesneden stokbroodje en een portie ‘patatas bravas’.

We nippen aan het beslagen glas wijn en kijken elkaar aan: ‘Dit is het echte leven’. Over de boulevard lopen drommen mensen op en neer. Zomaar onderweg naar niks en nergens. Oudere echtparen strompelen van het strand omhoog en moeten even bijkomen met de handen op hun knieën. Schuin voor ons zitten drie Afrikaanse mannen, ieder op gepaste afstand op een grote ronde betonnen bank. Omdat ze met z’n drieën in die eigen herkenbare houding zitten, noemen we ze al snel ‘horen, zien en zwijgen’. Alle drie hebben ze hun handel uitgestald op een groot wit doek. De eerste verkoopt sportschoenen, hij heeft er zichtbaar geen zin in want zijn blik is continu gericht op zijn eigen blote voeten. De tweede stalt nog uit, we weten niet wat er in die kleine pakjes zit. De derde zwaait naar het  voorbij slenterend ongeïnteresseerd publiek. Hij verkoopt tassen en sportschoenen. ‘Goeie combinatie’, zegt Marijke, ‘hebben ze meteen wat om in te doen’.
We zitten heerlijk te smikkelen van onze tapa’s maar houden ook de ons passerende bonte parade der onbekenden in de gaten. ‘Daar komen de Veerkampjes’, zeg ik tegen Marijke. ‘Dat zijn moeder en dochter’, mompelt ze tussen twee gamba’s door. Wat hadden die twee zich verschrikkelijk opgedirkt. Moeder droeg een voorzichtig permanentje in haar dunne haartjes. Dochter droeg drie van die grote rollen geelblond haar in drie forse verdiepingen. Moeder had een veel te krap lichtblauw jurkje aan. Met van die overdreven grote donkerblauwe en witte bloemen die de aandacht weghielden van wat ooit vrouwelijk schoon moet zijn geweest. Het jurkje kroop aan de voorkant heel irritant omhoog tussen de bolle buik en de twee borsten. Daarnaast trippelde dochterlief op véél te hoge naaldhakken, ze liep met korte pasjes ongemakkelijk op haar tenen. Dat kon ook moeilijk anders want ze droeg een nauwsluitend rood jurkje met van die lullige blauwe bloempjes erop. Het jurkje zat zó strak dat haar bovenbenen langs mekaar schoven. ‘Die is vanavond schraal tussen de benen, daar moet wat trekvet tussen’, liet ik me ontvallen. Maar Marijke reageert al lang niet meer op die opmerkingen. Daarboven droeg dochterlief een push-up braa, maar dat was wat overdreven over-de-top. Want op die twee plankjes hoort iets bolligs te liggen. Het enige wat ik ontwaarde waren twee deuken in het bovenstukje. ‘Kijk wat die opgespoten lippen heeft’, fluisterde Marijke en sopte een stukje stokbrood in de knoflooksaus. Die twee Engelse echtparen naast ons hadden het ook gezien en schoten ongegeneerd in de lach. Mij bekroop bij die twee té overdreven geprononceerde dikke vette lippen slechts een gevoel van medelijden. Afschuwelijk, wat kunnen mensen zich zelf verminken. Maar al met al een schitterend schouwspel, niets mooiers dan mensen kijken.
We sloten ons heerlijk etentje af met twee ‘café americanos’ en slenterden over de boulevard terug. ‘Heej, daar zitten de Veerkampjes’, zei Marijke. Dochterlief zat kaarsrecht op haar stoeltje te balanceren, want zij moest die drie haarbollen in de lucht houden. En die tetters van pruillippen helpen daar niet bij. Moeder zat op haar gemak wijdbeens in haar korte jurkje met haar borsten rustend op het tafeltje. ‘Die laat de kippen uit’, mompelde ik, niet rekenend op een reactie. Eindelijk kwamen we bij de auto: ‘Zal ik de slaapzak eruit halen, kunnen we op het strand even uitbuiken?’.
En even later lagen we naast elkaar met de oogjes toe op het strand van Guardamar. Onze niet meer zo kwieke lichamen zakten gewillig uit in het losse zand. En ik besloot het toch maar voor jullie op te schrijven. Misschien moeten we wat vaker in de spiegel kijken.

zaterdag 11 september 2021

Atletieknestor Jan Smit wordt 90 jaar

That's one small step for man, one giant leap for mankind’, waren de woorden van Neil Armstrong toen hij in 1969 als eerste mens voet op de Maan zette. Als hij het niet was geweest dan had iemand anders dat zeer waarschijnlijk ’n paar jaar later gedaan. Zo gaat dat met pioniers, zo is dat ook met Jan Smit, atletieknestor, die 22 september de gezegende leeftijd van 90 jaar bereikt.

Jan Smit (geboren 22-09-1931) behoeft eigenlijk geen introductie in de Nederlandse atletiek, en ik weet niet of ik hem voldoende recht doe, maar ga het toch even proberen. Hij is inmiddels gestopt met zijn atletiek, maar Jan blijft nog even de nestor van ons Nederlandse werpers-peloton, én blijft voor altijd de pionier van de werpvijfkamp. Na zijn omzwervingen in Amerika en opgedane ervaring in Zuid-Afrika besloot Jan zo’n 25 jaar geleden de werpvijfkamp in Nederland te introduceren. PSV-Atletiek (tegenwoordig Eindhoven Atletiek) had hier wel oren naar, alleen die werpgewichten? Waar halen we die vandaan! Geen probleem, Jan liet uit eigen zak een complete set overkomen uit Amerika. En daarmee zette Jan ‘one small step for man, one giant leap for the throwing pentathlon’. In 1996 hoorde ik dat hij samen met Frans Klep die eerste officiële werpvijfkamp in Nederland had georganiseerd. Alle vijf de werpdisciplines achtereenvolgend op één dag: Kogelslingeren – Kogelstoten – Discuswerpen – Speerwerpen – Gewichtwerpen.
Dat leek me wel wat, en voor de tweede werpvijfkamp in 1997 meldde ik me dan ook aan. Wat een geweldige happening, het heeft me niet meer losgelaten. Ik was in die tijd zeker geen werper, maar dat valt allemaal nog wel te leren. Jan Smit was mijn grote voorbeeld, hij was toen immers Nederlands recordhouder discus M60 met 48.04 meter. Een sympathieke man, die terloops ook nog discuskampioen van Zimbabwe schijnt te zijn geweest. Een grote promotor voor de atletieksport, en dan vooral voor het (toen) in Nederland achterblijvende werpen. Jan Smit stond aan de bakermat van de eerste Nederlandse kampioenschappen werpvijfkamp. En toen er problemen ontstonden met de organisatie van het NK-Kogelslingeren bij de masters: ‘Geen probleem, dan doen wij dat toch hier in Eindhoven . . !’. En Jan mobiliseerde de juiste personen om zich heen, en regelde en passant ook nog het eerste Nederlands kampioenschap Gewichtwerpen. En of je het gelooft of niet, maar samen stonden we aan de basis van het eerste Duitse Werpvijfkamp-Kampioenschap in Borken. Bij ons jaarlijks bezoek aan Borken had hij trots zitten vertellen dat WIJ een nationaal kampioenschap werpvijfkamp hadden en ZIJ niet! Het daarop volgende jaar mochten wij als eregasten ‘ausser Wettbewerb’ meedoen. En ik kan het weten, want Frans Klep en ik waren erbij! Want wij twee waren zijn enthousiaste volgelingen. In de daarop volgende jaren reeg Jan Smit de Nederlandse records en kampioenschappen aaneen.
Zo ook in 2013 in Krefeld-Uerdingen (D), waar hij zijn Nederlands record verbeterde met kogelslingeren M80: 25.62 meter. 'Zo zie je maar, als je lekker ontspannen draait gaat ’t vanzelf . . ‘, vertrouwde hij ons glimlachend toe en ging ’s avonds glimmend van trots met de ‘Tagespreis’ naar huis.

Het is 2014, Jan Smit vroeg of ik hem wilde helpen met het inschrijven voor het NK Masters in Utrecht! 'Kijk ook eens naar mijn medaillelimieten, want die kan ik niet vinden!'. Natuurlijk doe je dat, maar toen ik die medaillelimieten onder ogen kreeg voor de mannen 80+ op de werpnummers schrok ik me wezenloos: 'Dat haalt die nooit . . . hoe kan dát nou, hoe kán dat nou . . . ?'. Ik had alleen nog vluchtig naar mijn eigen limieten gekeken: ‘Nou, dat gooi ik nog met links!’, dus ik had aangenomen dat die voor Jan Smit ook een makkie zouden zijn. Hij is immers een véél betere werper als ik, daar moet iets niet kloppen.
Die zijn echt veel te hoog gegrepen bij de oudere leeftijdsklassen! Hij zal wel kampioen worden, maar om een daarbij horende waardering (een medaille) te halen moet hij zijn eigen Nederlandse records kogelslingeren (25.62m) en gewichtwerpen (10.49m) verbeteren. Dat kan toch niet, wie heeft dat nu weer bijeen gefantaseerd? Ik ben 16 jaar jonger en hoef maar luttele 29.10 en 10.80 meter te gooien, respectievelijk op respectabele 25 en 7 meter van die Nederlandse records. Hoe schrijnend kun je het verzinnen. Daar heeft iemand ontzettend zitten schutteren! Het gaat toch om Nederlandse kampioenschappen naar Nederlandse maatstaven?

Een dag later gaat de telefoon: ‘Met Smit spreekt u. Beste Jan, die medaillelimieten van jou daar klopt helemaal niets van, een oude man van bijna 83 jaar kan onmogelijk elk jaar zijn Nederlands record verbeteren. Waar zijn die mee bezig?’. En Jan start een ellenlang wetenschappelijk betoog over het progressief verlies van krachten vooral vanaf de 60 jaar! Verlies van krachten is afname spiermassa en dus prestatie. Ik kan de spraakwaterval slechts af en toe instemmend onderbreken. ‘Jaha, uhhuh, ik weet ‘t . . . ‘.
Het plaatsvervangend schaamrood stijgt me geleidelijk naar de kaken, ik merk dat ik diep bedroefd raak terwijl ik er feitelijk niets aan kan doen. Ik heb die limieten toch niet gemaakt! Fout ligt immers bij de Atletiekunie, die blijkbaar iemand de opdracht geeft om medaillelimieten vast te stellen. Er liggen al tig jaren redelijke en geaccepteerde Medal Standards bij de Europese bond EVAA, maar ja, de Atletiekunie moet weer eens opnieuw het wiel uitvinden. Natuurlijk had ik al contact opgenomen met de verantwoordelijke maar die had geen enkel begrip en schoof voor geen meter. Jan vervolgt zijn betoog:

‘Weet je nog dat we afgelopen jaar verschillende keren door de sneeuw naar Papendal zijn geweest? Dat we nog een keer overnacht hebben bij van der Valk om toch maar op tijd te zijn? Toen wilden ze me in één klasse stoppen met mannen, die mijn zoons hadden kunnen zijn. En dan ook nog laten strijden om hét Nederlands kampioenschap!’.
‘Ja Jan, dat was heel erg vernederend wat we daar hebben moeten doormaken. Maar we hebben gevochten voor onze masteratletiek en uiteindelijk start iedereen nu wel gewoon in zijn eigen klasse!’.
Jan hoort het blijkbaar niet: ‘Toen wilden ze die oudjes al wegjagen van het atletiekveld, en nu worden ze ook nog eens vernederd met ridicule limieten . . . ‘.

Mijn linkerhand is gebald tot een vuist, de rechter knijpt de telefoon bijna tot gruis. Ik bespeur een machteloze woede in me opkomen, mijn ogen worden vochtig bij het staren naar die klote medaillelimieten.
‘Jan, we komen zo niet verder, laten we het voorleggen aan het Platform masters’.
‘Nou ja .
. (ik bespeur grote twijfel) . . maar we gaan niet meer naar Papendal, dat vond ik wel zo . . .’.
We beëindigen ons telefoongesprek en met een gloeiend nasuizend rechteroor zit ik nog even, niet meer zo trots, naar mijn analyse te staren. ‘Snappen ze dat nu niet? Iedereen snapt dat toch als ze dit zien!’. Vanaf de mannen M35 tot aan de M60 liggen de medaillelimieten voor het NK zo’n 20% onder de Medal Standard EVAA voor Europese kampioenschappen, kippetje, 10% had ook gemogen. Vanaf de mannen M65 ziet iedereen, die kleuterschool gehad heeft, dat de Nederlandse limieten lineair progressief uit de pas gaan lopen met de Europese standaard, toch???

Ik ga bij Marijke op de bank zitten, maar het laat me niet los. In gedachten weggezonken zie ik Jan in Borken vertellen dat WIJ een nationaal kampioenschap werpvijfkamp hadden en ZIJ niet. Ooit ontmoette ik in Tata (Hongarije) Georg Glöckner, de man die in Duitsland de werpvijfkamp introduceerde. Er worden nu werpvijfkampen georganiseerd die zijn naam dragen. De man werd in Tata met alle égards tegemoet getreden, als ware hij de president. Jan Smit zou dit nooit willen. Jan Smit is een veldwerker, sportman en atletiekpromotor, een doener in hart en nieren. Enthousiast en de mouwen opstropen voor eerlijke sport. Voor mij verdient hij een standbeeld. Maar ja, waar maak ik me druk over?

Het is de laatste zaterdag van oktober in 2016 dat Jan Smit zijn laatste Nederlandse records als 85-jarige verbetert. In Zutphen vloog de slingerkogel naar 17.03 meter. Het werpgewicht kwam neer in de sintels na 6.91 meter. Het record op zijn werpvijfkamp werd getild naar bescheiden 2103 punten. Het jaar erop stopte een markante atleet, de geest ontembaar maar het lijf weigerde dienst. Zijn naam prijkt niet meer in de uitslagen maar wel op zijn werpkooi op sportpark de Hondheuvels in Eindhoven.

Op 22 september wordt Jan Smit 90 jaar, hij ziet slecht en zijn fysieke krachten ebben verder weg. Maar zijn passie voor de werpnummers in de atletiek is onveranderd. Zijn vriend van het eerste uur, Frans Klep, gaat regelmatig op bezoek. Samen praten ze bij over de prestaties van de aanstormende jeugd en de aftakelende oudjes op de werponderdelen.

Zou hij zich realiseren wat hij betekent heeft in die gigantische ontwikkeling van de werpnummers in Nederland? Hij was niet zomaar een gepassioneerden werper, hij was ook een voorvechter die opkwam voor de belangen van het oudere werperspeloton. Een echte pionier! Misschien is dit verhaal aanleiding om hem een verjaardagskaart te sturen, dat kan! Stuur uw kaart dan naar: Jan Smit, Molenstraat 189, 5691 AH Son en Breugel.


woensdag 2 september 2020

Hub Diederen en Gos Reinders

Wie kent ze nog? Bij het doorbladeren van mijn oude atletiekarchief kwam ik een bijzondere foto tegen. En zoals me dat wel eens gebeurt, sommige foto’s blijven als het ware plakken in m’n handen. Je ziet plotseling dingen, die je niet eerder belangrijk vond. Ze brengen je terug in de tijd en trekken die grauwsluier van je geheugen. Zo was dat ook met deze foto. Hij is genomen eind 70er jaren bij een baanwedstrijd in Roermond bij de finale van de 110 meter horden. Ik lig al duidelijk op kop, maar dat was geen uitzondering in die goeie jaren. Maar wat mij nu obsedeert in die smoezelige zwart-witte foto zijn die twee figuren aan de binnenkant van de baan. Ik heb ze even in een gouden raampje gezet. Dat zijn Hub Diederen en Gos Reinders die gebroederlijk staan te kijken naar onze wedstrijd. Vlug de foto even inscannen en die twee wat extra uitvergroten. Intussen sleuren mijn herinneringen me resoluut mee naar die goeie ouwe tijd. Hub Diederen van Caesar-Beek, rechts op de foto, een atletiek-bobo pur-sang, bestuurder van het district Zuid en altijd zeer geïnteresseerd aanwezig bij wedstrijden in “zijn” district. Altijd bescheiden op de achtergrond, maar resoluut op de voorgrond als dat nodig was. Gos Reinders, links op de foto, een gelouterd bestuurder van Swift Atletiek Roermond. Verdomme, wat kun je mensen plotseling missen als ze er niet meer zijn, en wat was het zo gewoon toen ze er nog waren. Herinneringen buitelen over elkaar door mijn hoofd. 

Als je bij Swift op wedstrijd ging, kwam je altijd Gos als eerste tegen:
Aah Janne, duis se ouk weer mit . . “. Zijn onafscheidelijke sigarettenpeukje danste bij het praten in z’n mondhoek, plukjes as vielen daarbij op zijn blauwe colbertjasje, een knokige hand slaat de as behendig op z’n grijze broek, om daar vervolgens op te gaan in het onopvallende. 
Hallo Gos, ja zeker . . “, 
Sjtraks drinke we ein beerke . . .”, en Gos beende alweer naar een volgende plek om de wedstrijdorganisatie gladjes te laten verlopen.
Nu staan ze daar samen naar die wedstrijd te kijken. Samen te genieten van hun sport, ieder in hun eigen wereldje nadenkend over hun volgende activiteiten voor dé atletiek. Waar zullen die twee het over hebben, ik denk in alle respect dat het ongeveer zo gegaan zou kunnen zijn:
Hub:  ”Dae lange geit nog good euver de hordes
Gos:   ”Ich mót nog eemus zeuke um die hordes zoeë metein van de baan te kriège
Hub:  ”Ich dink det ik um ens vraog veur de ploog van Zuid
Gos:   ”Volgende waek kriège we hieje weer twieë hóngerd van die pupilkes
Hub:  ”Hae haet gewónne, ich kan um ouk nag as reserf gebroèke op sjpeer of sjlingere
Gos:   ”Jao, jao dao heb se weer de heng aan vol, twieë hóngerd van die menkes
Hub:  ”Ik gaon us kièke wat hae geloupe haet, kan ik um gelièk sjtrikke veur de Coupe de l’Amitié
Gos:   ”Nou, ich begin zelluf maar met opruùme van die hordes
Hub:  ”De hebs ut weer good veur mekaar Gos
Gos:   ”Neet metein nao hoès gaon wah, drinke we sjtraks nag ein beerke

Een geweldig stel bestuurderen, een dubbeldikke stimulans voor de wedstrijdatletiek, daarvoor deed je extra je best op wedstrijden. Dat heb je vandaag de dag niet meer. Zo’n 30 jaar geleden deed ik mee in de competitie met speerwerpen in Kerkrade. Meneer Diederen stond daar, zoals hij daar altijd stond. Op het middenterrein te kijken, kaarsrecht, handen gevouwen op zijn onafscheidelijke paraplu. Ik zei altijd netjes meneer Diederen tegen hem, mijn grote respect vormde immers een te hoge drempel om gewoon Hub tegen hem te zeggen, wat veel van mijn leeftijdgenoten overigens wel waagden. Hij kwam niet naar jou toe. Nee, hij trok jou aan met zijn innemende glimlach en die glinsteroogjes onder zijn rood-grijze kuif.
Daag meneer Diederen”.
Aahh lange, des dich heej nag mit mós doon bie de seniore”.
We hebbe gen baetere, meneer Diederen, en ik doon ut noch zoeë verdomde gaer”.
Jao jao, d’r kump gennen aanwas mièr, waal genóg van die renpaerd naeve de kant van de waeg”.
En zijn glimlach verdween achter een treurige blik, even leek hij vele jaren ouder. Zo zit ik nog enige tijd te mijmeren met die foto in mijn hand. Zorgvuldig berg ik hem weer op. Ik voel dat ik mijn herinneringen op moet schrijven. In de hoop dat er ook maar iemand is, die begrijpt waar dit over gaat.

Gos en Hub, als jullie eens wisten hoe jullie gemist worden, niet alleen door mij. Daarom na zo’n 50 jaar nog even samen in een “gouden” lijstje . . .
(deze blog is in 2009 geschreven en nu nog even opgepoetst)


vrijdag 19 juni 2020

Mijn tante Lucie


Mijn zus en ik praten graag over vroeger, zij weet veel meer details dan ik. Soms denk ik: ‘Verdomme, daar moet ik iets over schrijven’. Deze keer een ode aan mijn tante Lucie.
Mijn oom Eugène Louis André (Sjaen) Orval is geboren 16-02-1892 in Tegelen als zoon van Andreas Nicolaus Joseph Orval en Gertrudis Hubertina Dambacher. Eugène overleed, net geen 82 jaar oud, op 03-02-1974 in Tegelen. Hij trouwt op zijn verjaardag op 16-02-1921 in Semarang[1] met Lucie Dis, geboren 04-02-1896 in Semarang, overleden 24-07-1983 in Venlo. Zij was de dochter van Nawi Paket Jan Abelai (de Christen Afrikaan) en Johanna Louisa Dis[2] (*1866 +1902). Lucie had nog een oudere zus Emma Wilhelmina (*1892) en jongere broer Joseph Alfred Louis (*1898). Eugène en Lucie gingen na hun trouwen wonen op de Nangkalaan 96 in Bandoeng en kregen twee kinderen:
1. Pierre André Hubert (Dries); geb.18-05-1922 Semarang, ovl. 28-08-1948 Batavia
2. Hubertina Johanna Susanna (Tina); geb.28-07-1925, Tegelen, ovl.28-02-1983 Amsterdam[3]

Eugène was de oudste zoon in het gezin Orval-Dambacher. Het verhaal wil dat hij verliefd werd op zijn nichtje, An van ome Lot. Maar dat kon absoluut niet in die tijd. En of dit zijn besluit heeft beïnvloed om zich te melden bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) weten we niet, maar lijkt wel waarschijnlijk. Mijn moeder had het verdriet van haar oudste broer van nabij gezien. Wanneer Eugène naar Nederlands Indië vertrekt is niet bekend, maar dat zal omstreeks 1916 zijn geweest. Eugène werkt zich op in het 2e Garnizoen Batavia A&O tot sergeant 1ste klas infanterie en staat ook ergens vermeld als opzichter bij de dienst ter pestbestrijding. De regeling was dat je iedere zes jaar voor een half jaar op verlof mocht naar Nederland. Het zal voor de eerste keer zijn dat hij op woensdag 8 november 1922 ’s middags om 12 uur vertrok met de SS Insulinde van Batavia via Padang, Suez en Marseille naar Rotterdam. Op de passagierslijst staan vermeld Eugène, Lucie en hun baby. Wat zal hij trots zijn geweest om zijn vrouw en kind voor te stellen aan zijn ouders op de Hoogstraat in Tegelen.

In 1925 verblijft het gezin ook in Nederland, Lucie is in verwachting van haar tweede kind. De mooie donkere vrouw valt wel erg op in Tegelen. Er zijn nog maar heel weinig donkere mensen, en dan zeker niet getrouwd met een Tegelse jongeman. Als ze voor ’n half jaar in Tegelen zijn betrekken ze twee kamertjes in het ouderlijk huis van Eugène. Mijn moeder is dan nog niet getrouwd en ze bouwt een hechte band op met haar lieve schoonzus. Lucie komt overdag niet buiten omdat ze zich teveel bekeken voelt, maar elke avond als het donker is vraagt ze mijn moeder: ‘Tuutje, zullen we een stukje gaan wandelen’.  Op een avond lopen ze stevig gearmd over de Kerkstraat, Lucie met haar dikke buik. Haar tweede kindje is op komst. Ze heeft dat vervelende opstapje voor een van de deuren niet gezien en valt voorover op haar dikke buik. Mijn moeder helpt haar verschrikt weer overeind nadat Lucie een oer-Hollandse vloek heeft laten horen: ‘Godverdomme’. Op 03-11-1926 vertrekt het mailschip Slamat van Rotterdam naar Batavia, op de passagierslijst staan Lucie Orval-Dis en haar twee kinderen.

In 1940 zouden Eugéne, Lucie en de twee kinderen weer met verlof komen naar Tegelen. De ouders en schoonouders zouden hun gouden bruiloft vieren op 9 juni. Maar inktzwarte wolken belemmerden dat het een stralende dag zou worden. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwam hun kleinzoon Henk Peters om het leven. Op 8 september 1939 liep de mijnenveger Willem van Ewijck op een ‘eigen’ zeemijn, Henk werd nooit gevonden. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen, precies één maand voor hun gouden huwelijk. In een interview van de Limburger Koerier van zaterdag 8 juni 1940 laat het gouden bruidspaar optekenen: ‘En we dachten, dat ook onze zoon, die in het Nederlandsen-Indische leger dient en wiens zes jaren nu om zijn, op het gouden feest zou zijn, maar dat gaat nu niet’.

Maar het zou nog erger worden voor Lucie en Eugène. Op 7 december 1941 was de Japanse aanval op Pearl Harbor, de wereld stond in brand. Eugène werd in Kota Radja[4] krijgsgevangen genomen. In het Nationaal Archief vonden we zijn Japanse interneringskaart. Hij werd overgebracht naar POW[5]-kamp nr.482 in Siam (Thailand) om aan de Birma-spoorlijn te werken. Hij liet zijn baard staan om er ouder uit te zien maar de Jappen trokken hem juist daarmee naar de dwangarbeid. Intussen was zijn gezin ook geïnterneerd in de Japanse vrouwenkampen. Lucie zat samen met haar schoondochter Tilly in één kamp. Het moet verschrikkelijk zijn geweest voor dit verscheurde gezin. Dat verblijf in die kampen. Dat werken aan die Birma-Siamspoorweg, ook wel Dodenspoorlijn genoemd door de geallieerde krijgsgevangenen. Zij werden gedwongen de spoorlijn aan te leggen tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma). Het werk aan de spoorlijn begon op 16 september 1942 en werd 16 maanden later voltooid, ondanks berekeningen van Japanse ingenieurs dat het minimaal 5 jaar zou duren om de 415 kilometer lange en 1 meter brede spoorlijn aan te leggen. De Japanners maakten hiervoor op grote schaal gebruik van dwangarbeid. Tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 75 arbeiders; 15.000 krijgsgevangenen stierven aan uitputting, ziekte en ondervoeding. Onder hen waren 7.000 Britten, 4.500 Australiërs, 131 Amerikanen en bijna 3.000 Nederlanders. Marijke en ik hebben de Bridge on the River Kwai en de eertijdse kampen bezocht. De rillingen liepen over onze rug.

De overgave van de Jappen betekende niet het einde van de problemen. Lucie kon wel terugkeren naar Bandoeng, maar pas eind 1945 lezen we in een vergeeld oud krantenberichtje dat mijn moeder altijd bewaard heeft: ‘God heeft ons gebed verhoord en onze lieve zoon en broeder Eugène behouden. Na 5 jaren wachten ontvingen wij bericht dat hij zich in goede gezondheid bevindt in het EX-POW-kamp Siam (Thailand). Fam. A.Orval-Dambacher, Hoogstraat 94, Tegelen’. De Indonesische Onafhankelijkheidsstrijd begon kort na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië op 17 augustus 1945, en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de kolonie Nederlands-Indië door het Koninkrijk der Nederlanden aan Indonesië in december 1949. Het gezin komt in rustiger vaarwater en keert terug naar Tegelen.

Als klein jongetje ging ik regelmatig met de fiets naar de Plataanstraat in Tegelen. Naar mijn ome Eugène en tante Lucie, schoondochter Tilly en mijn neefje Pierre. Ik zie het nog zo voor me, mijn oom stond altijd kaarsrecht voor de deur, of kaarsrecht strak voor zich uitkijkend achter in de tuin. Nu denk ik wel eens: ‘Wat hebben die mensen meegemaakt, waar zal hij aan gedacht hebben. Wat moet door dat stoere hoofd gespeeld hebben. Hoe diep ging dat trauma van die klote oorlog’. Als ik binnenkwam veranderde die sfeer. Je werd heel hartelijk en warm ontvangen. Als kleine jongen voel je dat meteen aan, ik was er welkom. En het rook er altijd zo lekker. Na het spelen met mijn neefje moest ik altijd blijven eten. Als ik daaraan terugdenk heb ik nooit meer zo lekker Indisch gegeten als bij mijn tante Lucie en bij Tilly.

Nu zijn ze er niet meer. Ik kijk op televisie naar protesten en demonstraties tegen racisme en geweld tegen gekleurde mensen. Ik word daar verdrietig van, ik heb nooit gediscrimineerd. Ik moet terugdenken aan mijn lieve tante Lucie, ik besef nu pas dat zij de eerste donkere persoon was die ik leerde kennen. Ze zal zich destijds zeker wat meer bekeken hebben gevoeld in Tegelen. Die mooie vrouw waaraan ieder streepje mascara overbodige luxe was. Het enige wat ze gebruikte was een wolkje Pompeï talkpoeder. Ik kijk niet op haar neer, maar naar haar op. Als die prachtige lieve sterke vrouw, die ook nog eens verschrikkelijk lekker kon koken.




[1] Semarang is een stad aan de noordkust van het eiland Java, Indonesië. Het is de hoofdstad van de provincie Midden-Java (Jawa Tengah). Semarang was een belangrijke haven tijdens de Nederlandse koloniale periode.
[2] Grootouders van vaders kant onbekend, van moederskant Hendrik Dis (ca.*1839 +1912) en Sikem Inlandse Christen vrouw.
[3] Getr. met Lambertus Peter (Lam) Jornick; geb. ca. 1921 Blerick, ovl.18-08-1994 A’dam (73 j.)
[4] hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh (Sumatra)
[5] Prisoner of War