maandag 20 juni 2011

Atleten . . . moordkerels!

Afgelopen weekend was het NK-Masters baanatletiek in den Haag. We liepen het sportpark op dat geheel omzoomd was met wild wapperende groen-gele vlaggetjes, op het veld heel veel zenuwachtige op en neer lopende mensen met groene T-shirtjes met gele teksten als Haag-Atletiek en NK-Masters 2011. Duidelijker kan het niet, we zijn dus in het goeie stadion waar die oudere atleten en atletes komend weekend gaan strijden om het Nederlands kampioenschap in héél veel leeftijdsklassen op héél veel onderdelen. Het sportpark leunt tegen de duinen, dus de Noordzee is niet ver weg en dat is te merken ook. De zeewind blaast ontzettend hard en als we de kantine naderen waaien ons de gele stoeltjes en groene tafeltjes letterlijk tegemoet.

Je moet altijd op tijd zijn, want een van de vaste rituelen is het vriendelijk begroeten van al die oudjes. Dat kost toch geen tijd zou je denken. Nee, maar de meesten heb ik al een jaar niet meer gezien en dan moet je toch, of je wil of niet, het blessureleed aanhoren van die hele voorbije periode. Nou, ik kan er niet eentje opnoemen die niks had. Allemaal hebben ze wel een excuus om hun straks tegenvallende prestatie alvast te verklaren. Voorzichtig probeer ik af en toe met ‘jaja, we worden er niet beter op’. Maar atleten zijn nogal egoïstisch en egocentrisch, eigenlijk zouden we ze ‘egoleten’ moeten noemen. Helaas staat dat niet in van Dalen, maar op mijn weblog mag dat wel. Zelf heb ik ook met een longontsteking en een schouderblessure moeten overwinteren. En, nou ja, mijn linkerknie wordt elk jaar een beetje slechter. Die volgt wat dat betreft zo’n beetje mijn prestatiecurve. Maar niemand, maar dan ook echt niemand, is geïnteresseerd in mijn fysieke wantoestand. En er zelf over beginnen. Nee hoor, ze kunnen me de pot op, ik wil mezelf geen egoleet voelen. En misschien was daar toch die ene uitzondering. Hij had zojuist zijn medisch dossier over me heen gestort, waarbij m’n mond letterlijk van verbazing openviel. Het was eigenlijk een medisch wonder dat die man nog niet uiteen viel met al die niet meer functionerende botten, spieren, gewrichten, pezen en zenuwen. Zelfs voedingssupplementen deden het niet meer bij hem. Toen ik volkomen aangeslagen mijn knie-brace om zat te doen keek hij nogal jaloers in mijn richting ‘heej, heb jij ook wat?’. ‘Och ja, waarom zou ik bespaard blijven van onze onoverkomelijke aftakeling’. Toen ik hem even later zag aanlopen met speerwerpen, kneep ik onbewust m’n ogen dicht ‘oei, als dat maar goed gaat’. Het viel reuze mee, hij bleef mij zelfs ruimschoots voor, sterker nog, hij stond even later op het podium en ik luister in de kantine naar de volgende egoleet!

We gaan kogelstoten en het groepje 60-plussers verzamelt zich rondom de deelnemerslijst. Eentje komt trekkebenend aangelopen en de ander komt zo scheef als een hoepel aangeslingerd. Twee anderen staan met elkaar pratend en niet naar elkaar luisterend tegenover elkaar en ze hebben het over dingen die niet meer zo goed gaan. Ik zoek maar snel onze vrouwelijke supporters op, die klagen immers nooit en zwepen ons altijd op tot onmogelijke prestaties. De wedstrijd begint en ik nestel me op een comfortabele derde plek, de eeuwige roem gloort! Die eerste twee liggen te ver voor, ondanks hun respectievelijke slechte achillespees en chronische rugklachten. De laatste ronde begint. Potverdomme, de nummer vijf op de lijst stoot 11.46 meter. Hoe durft ie, dat was mijn afstand! Maar gelukkig is mijn tweede beste stoot 11.45 meter, dus compleet geen vuiltje aan de lucht. De nieuwe nummer vijf stapt in de ring, een gevaarlijke outsider. Hij is pas terug na een lange blessureperiode, altijd link. Ik hoor onze supportersbank een angstkreet onderdrukken. Potverdomme nog aan toe, stoot die enige blessurevrije een nieuw PR met 11.56 meter. Maar de gedachte dat ik weer naast dat podium grijp, en weer in de kantine naast die volgende egoleet moet aanschuiven, geeft me zo’n stoot adrenaline, dat wil je niet weten. Ik voel me in één klap weer 20 jaar jonger, ik keer terug in de tijd toen ik nog alles onder controle had en denk ‘nu maar gauw voordat het weer weg is’. Mijn trainer Wim Coenen staat me aan te kijken van ‘ja, je zult het nu toch echt zelf moeten opknappen’. En rustig laat ik de perfecte stoot in mijn hoofd voorbijgaan, stap zo ontspannen mogelijk in de ring, zak in de uitgangspositie en denk ‘de dood of de gladioooooo . . . . thee . . ‘.

Onze bank met supporters strekt alle beschikbare armen ten hemel en roept ‘Jaaaaaa . . ‘. Ik loop rustig weg, doe m’n jasje aan en ik hoor achter me ’ellef meter zesenzeventig . . ‘. ‘Yes, ik word van alle kanten gefeliciteerd en gezoend alsof ik wereldkampioen was geworden. Het stelt echt allemaal geen reet voor, maar atletiek is een geweldige sport en och ja, die egoleten nemen we dan maar op de koop toe.

Het laatste onderdeel op het extreem lange programma is discus mannen 60 plus. Het kent tevens de langste deelnemerslijst en heeft gegarandeerd de sterkste bezetting. De wind jaagt onophoudelijk over de duinen en lijkt nu zelfs het zeewater over ons heen te gooien, het is niet leuk meer. Zijknat beginnen we aan de wedstrijd. Dat ‘medisch wonder’ is een gevaarlijke outsider, maar vergeet die slechte achillespees ook niet. Ook de chronische rugklachten en de ziekte van Lyme kunnen met gemak onder normale omstandigheden over de 45 meter gooien. Maar wij hebben onze eigen Jan van Hooft, behalve dat hij twee liesbreuken heeft is hij ook nog een kop kleiner dan zijn gevaarlijkste opponenten.

De grillige wind blaast de discussen alle kanten op en laat ze als boemerangs kieperen in het gras. De regen verpest het houvast en laat de gladde schijven in het net terechtkomen. Maar onze Jan stelt zijn supporters niet teleur, luistert naar wat Wim hem adviseert en zet in de tweede ronde een schitterende 45.87 meter. Het ‘medisch wonder’ wordt nerveus, iets wat je op zo'n moment niet kunt hebben. De slechte achillespees blijkt ook nog een goeie achillespees te hebben en besluit tot een halve draai. De chronische rugklachten krijgt de discus niet vlak genoeg en eigenlijk is iedereen wel gezien. Onze Jan besluit geheel overbodig de wedstrijd met een prachtige laatste worp als dank naar ons supporters en als bewijs voor die hele medische encyclopedie dat hij gewoon de beste was.

Mooie sport dat atletiek en moordkerels die atleten!

zondag 12 juni 2011

Limburgse K(r)ampioenschappen

Pinksterzondag organiseerde het 75-jarige Swift Roermond de Limburgse Kampioenschappen. Het was de hele dag stralend weer en heel sportpark de Wijher werd kleurrijk overspoeld met kleine atleetjes, en jawel hoor, ik was (op Jacques Janssen na) de oudste deelnemer. Overigens was dat ook zo’n beetje mijn meest opvallende prestatie, voor de rest was het knudde. Ik zeg nog tegen Marijke: ‘ook eens goed om te ervaren wat het is om achterin de uitslagen te bungelen’. En aan de IAAF inclusief al die gehoorzame atletiekbonden: ‘jullie hebben echt gelijk, ik heb vandaag aan den lijve ondervonden waarom oudere atleten met lichtere gewichten moeten gooien’. Iemand vertrouwde me toe nadat ik met volledige overgave de 2-kilo-discus had weggesodemieterd: ‘het ziet er niet meer zo soepel uit als een aantal jaren geleden Jan’. Nou, en zo voelde dat ook, maar ja, dit was een protestactie tegen het boycotten van de masters voor het LK maar niet voor herhaling vatbaar.

’s Morgens vroeg waren we al in Roermond om een paar jubileum-affiches op te hangen en om half tien was de juryvergadering. Jullie weten dat ik nogal sans-gêne kan uitpakken tegen bobo’s en topjury, maar ja, als ik aan mijn eigen weblog al niet meer mag vertellen wat er in mijn kop rondspookt? Peter R. de Vries zal me daarvoor echt niet gaan ‘stalken’ en mocht ik later toch onverhoopt Petrus tegenkomen hoef ik me daarvoor niet te verantwoorden. Maar je bent gewaarschuwd.
Die juryvergadering was een echte muppet-show, daar stond me d’r eentje te oreren en zichzelf belangrijk te maken, ongelooflijk. Hij had de hele week aan het tijdschema gewerkt en zóóó’n grote stapel mailtjes moeten doorlezen. Met bordjes werken vond ie maar niks, maar na de zoveelste steunbetuiging mompelde hij ‘nou ja, als jullie dat willen’. Ooh ja, ook streng opletten op correcte clubtenue, vooral de broekjes verdienden extra aandacht en toch ook vooral letten op de uniforme ‘duidelijke herkenbare’ startnummering. Niet van die vieze klittebandjes, nee, die wielrenners daar ben ik ook zeer succesvol mee bezig en die doen dat veel beter. Vijftien euro boete als het niet goed zichtbaar is . . . Intussen verspilt de tijd en is het al bijna 10 uur en dan moesten Marijke en ik jureren bij kogelstoten. Ik maakte dat nederig en beleefd duidelijk en we liepen ‘met toestemming’ weg, het hele jurycorps achter ons aan.

Daar stonden we met z’n zessen bij de kogelring en we keken elkaar aan van: ‘hoe gaan we ’t aanpakken?’. Nou gewoon, even vragen wie-wat-wil doen, rustig bespreken dat we ‘uit voorzorg’ vooraf controleren op startnummer en clubtenue, opletten bij achteruit de ring stappen, niet in de ring komen met meten, opletten dat die kleintjes niet gooien maar stoten en achter de ring vrijhouden om de atleetjes niet uit de concentratie te halen. Nou, met nog wat van die tips is dat zo’n beetje het recept voor een probleem- en vlekkeloze wedstrijd kogelstoten. Zelf rolde ik de kogeltjes terug en had daarbij een perfect overzicht op het strijdperk. Marijke en de andere juryleden hartelijk bedankt, jureren is gewoon ‘normaal doen’.

Atletiek is mijn grootste liefhebberij, ik kan ervan genieten, het is maar een spelletje zou je zo denken, maar niet voor iedereen. Komt me daar zo’n topper met trillende onderlip aanlopen: ‘ik ga naar huis, ik laat me toch zeker niet belachelijk maken’. Ik ging naar hem toe en wat bleek. Hij had een poging van een polsstokspringer ongeldig verklaard omdat hij geen startnummer droeg, en toen hadden drie van zijn maten hem vocaal nogal onheus besprongen. Scheidsrechter erbij, arm om de schouder en even later dribbelde hij weer driftig over het veld, maar niet in de richting van de polsstokbak. Die hadden de hele dag geen last meer, sportpark de Wijher had voor heel even zijn eigen Vinkenslag.

Even later zie ik een man met oranje hesje en cowboy-hoed Jeroen van Emmerik nogal woest een stapel discussen op z’n voeten kletteren. Toch maar even tussenbeide komen. Wat bleek, Jeroen had de man keurig gevraagd of ze klaar waren bij discus. ‘Ja hoor’, en dat was voor die overijverige Jeroen het sein om de discussen te wisselen voor de volgende groep, die eigenlijk allang aan de beurt was. Maar dat bleek een groot misverstand, ze waren pas klaar met de eerste drie pogingen en nu bezig met het meten voor de finale. ‘Maar moet je dan zo reageren als je zelf onduidelijk antwoord geeft?’. De cowboy erkende zijn dwaling en bood excuses aan.

Trainers en pupillen vormen ook zo’n dankbaar schouwspel, als je daar tenminste oog voor hebt. ’s Morgens had een trainer al dispensatie gevraagd aan de wedstrijdleider voor zijn pupil om met 1,75 in plaats van 2 kilo te mogen gooien. ‘Nee, dat was allemaal vooraf bekend en er worden geen uitzonderingen toegestaan’. Uiteraard dreigt een goeie trainer dan met ‘okay, dan gaan we naar huis’, om vervolgens naar de eerstvolgende lagere-in-rang te gaan. ‘Het is een van de laatste kansen om zich te kwalificeren voor het EK voor junioren . . . ‘. En laat nou dit argument overtuigend genoeg zijn, want tijdens de wedstrijd vormde de bewuste pupil een steen des aanstoots, een doorn in het oog en zoals het een goeie olifant in een porseleinkast betaamt waren de scherven niet meer te tellen, laat staan te lijmen. En langs de kant stond een trainer breedlachend toe te kijken, wat een klootzak.

Een andere trainertje dribbelde druk op en neer in het toch al veel te volle gebied tussen kogelring en discuskooi. Heej, hij dacht geconstateerd te hebben dat iemand op de rand van de sector had gegooid. Laat dat nou net toevallig die worp zijn die zijn pupil naar de tweede plek verwees. Laat nou net het bewuste jurylid op misschien twee meter te staan van de bewuste discus-inslag en hij op meer dan 30 meter afstand. Maar nee hoor, hij gaf 't niet op, de wedstrijd werd stilgelegd en zijn clubmaten opgetrommeld die allemaal in koor beweerden: ‘die was compleet op de lijn, die worp was ongeldig, schandalig . . . ‘. Nu ook weer scheidsrechter erbij, die correct de chef jury en veldjury erbij haalt: ‘de worp was geldig’. Het werd nu echt lachwekkend: ‘dan dien ik een protest in, waar kan ik dat doen?’. ‘Bij de scheidsrechter’, ‘en wie is dat?’. ‘Ikke, en het protest is bij deze afgewezen’.

Dezelfde trainer liep met z’n staart tussen de benen en uit de oren stoom afgevend naar de kogelring waar een andere pupil nog eerste lag met kogelstoten. Nauwkeurig legde hij met zijn camera elke poging vast. Zijn pupil is aan de beurt, trainer camera in de aanslag, en de jongeman verbetert zich duidelijk! Meteen door de ring lopen om te controleren dat de jury toch wel 9.59 en niet 9.58 afleest. Maar ik heb als chef jury gezien dat de jongeman overduidelijk de kogel gooit in plaats van te stoten. Dus zeg ik tegen hem: ‘ dit was geen correcte stoot, maar ik zie het voor de laatste keer door de vingers’. ‘Dat was niet waar kl . . . ‘, wordt mij toegesist waarop ik zeg ‘nou dan laten we dat filmpje maar eens terugspoelen’. Hij wordt rood in zijn hals dat heel komisch paars opstijgt naar zijn gezicht terwijl hij zijn camera als een gevreesde vijand ver van zich afduwt. ‘Nouww . . ?’ zeg ik, hij draait zich om en even later staat hij zijn pupil voor te doen hoe je een kogel correct tegen je hals moet houden. De laatste twee stoten worden keurig uitgevoerd, waarbij de trainer nu zonder camera zenuwachtig naast me stond van ‘het zal toch niet’. Ik steek m’n duim op naar hem en vertrouw hem ‘keurig gedaan’ toe. Helaas kan ik niet voorkomen dat zijn pupil ook nu weer naar de tweede plaats wordt verwezen. Het pad van een trainer gaat niet altijd over rozen . . .

Na de wedstrijd zitten we weer met ons vertrouwde kringetje gezellig aan het bier. In toenemende mate begrijp ik wat men met tunnelvisie bedoelt, want ik blijk veel andere van die sappige voorvallen te hebben gemist. Nou ja, je kunt niet alles hebben. En, Swift Atletiek, jullie hebben het keurig gedaan en er is altijd ruimte voor verbetering. Bijvoorbeeld de eigen leden laten betalen voor een eigen wedstrijd vond iedereen toch wel erg miereneukerig. Zeker voor die jeugdleden, en ook nog eens bij een 75-jarig jubileum. Je zou bijna gaan denken wat een oude vrek. Maar ja, ik voelde me vandaag ook al een oude gek.

En Swift is gewoon een prachtige club . . . . .

vrijdag 3 juni 2011

Derde en laatste poging . . . ?

Nou, gisteravond naar een avondwedstrijd geweest en me verheugd op een lekker wedstrijdje discuswerpen. We melden ons bij de ring en krijgen ruimschoots de gelegenheid om in te werpen voordat de wedstrijd begint. Maar na de tweede ronde, we zitten net goed in de wedstrijd, roept de keurige dame die de afstanden registreert: ‘derde en laatste poging’. ‘Heej, ik had me toch gemeld voor een wedstrijdje discus, en geen meerkamp!’. Iedereen kijkt vreemd op, behalve de twee junioren die al bezig zijn hun spikes aan te trekken voor het verspringen dat zo meteen gaat beginnen.

Schuchter verzamelt zich een plukje teleurgestelde discuswerpers rond de zenuwachtig wordende dame. ‘Krijgen we geen finaleworpen?’. ‘Nee, de wedstrijdleider heeft mij gezegd drie pogingen voor iedereen! Sorry!’. Langs natuurlijke selectie wordt het plukje werpers gereduceerd naar twee afgevaardigden die de wedstrijdleider opzoeken. Het blijkt een voormalig lange-afstands-loper te zijn, ik herken hem van competitiewedstrijden van héél lang geleden, en zie hem zo nog véél te lang achter die hele grote groep aan sjokken. Nu staat hij daar in keurig blauw colbert met rode armband met een mapje papieren onder de arm naar de 1500 meter te kijken.

‘Hallo Kees, we hebben een probleem, we krijgen maar drie pogingen bij discus en dus ook geen finale?’. ‘Ja dat klopt, anders gaat het allemaal te lang duren!’. ‘Nou, dan pak je wedstrijdreglement maar eens en lees op bladzijde 107 maar wat daar staat!’. ‘Trouwens, je laat die 1500 meter lopers toch ook geen rondje minder lopen als er teveel deelnemers zijn?’. Hij keurt ons geen blik waardig en maakt knorrig een afwerende slotopmerking: ‘In dergelijke discussies heb ik nu helemaal geen zin en geen tijd’ , daarmee onze klacht en het wedstrijdreglement compleet schofferend.

Ongetwijfeld hebben wel meer werpers een vergelijkbare teleurstellende situatie meegemaakt. Ik vraag me soms af wat de waarde is van ons wedstrijdreglement in vergelijking met de macht die sommige wedstrijdleiders zichzelf toekennen. Zelfs op een NK worden besluiten genomen tegen de reglementen in. Zo werd b.v. in Veldhoven besloten om linkshandige kogelslingeraars twee keer in dezelfde ronde achter elkaar te laten gooien. Om reden dat het net dan minder omgezet hoefde te worden? Maar volgens het reglement mag dit (terecht) niet, want wie wil er nou niet twee keer achter elkaar gooien?

We moeten ons allemaal aan de regeltjes houden en al diegenen die met mij vinden dat ook werpers recht hebben op een echte en faire wedstrijd, hieronder in verkorte versie nog eens wat het Wedstrijdreglement Atletiekunie ervan zegt. Misschien dat jullie dat nog eens nodig hebben om de een of andere wedstrijdleider te overtuigen:

Artikel 180 Algemene bepalingen technische onderdelen (blz.107)
Aantal pogingen
Punt 5. Als er aan de technische onderdelen meer dan acht atleten deelnemen hebben allen recht op drie pogingen. De acht atleten met de beste geldige prestaties hebben recht op drie extra pogingen. Behalve bij het hoogspringen en polsstokhoogspringen is het niet toegestaan een atleet in één ronde van de wedstrijd meer dan één poging te laten uitvoeren.
Als er acht of minder atleten zijn, hebben alle atleten recht op zes pogingen. Als er meer dan een atleet gedurende de eerste drie ronden geen enkele geldige poging heeft, dan moeten zij in de daarop volgende ronden hun pogingen doen voorafgaand aan de atleten met geldige pogingen, in dezelfde volgorde als van de oorspronkelijke loting.
Bij regionale en instuifwedstrijden kan om organisatorische redenen worden bepaald, dat minder dan acht atleten recht hebben op drie extra pogingen. Dit moet vooraf in de wedstrijdaankondiging worden vermeld.

Gelukkig gaat het bijna altijd goed en maken atleten en organisatie er samen een echt atletiekfeest van. Laten vooral deze mensen zich niet aangesproken of aangevallen voelen, zij hebben eigenlijk geen wedstrijdreglement nodig om alles in goede banen te leiden.

maandag 30 mei 2011

Eef Kamerbeek Atletiekcentrum

Samen met mijn sportmaat Frans en onze echtgenotes waren we 27 mei voor de opening van het nieuwe ‘Eef Kamerbeek Atletiekcentrum’ uitgenodigd in Eindhoven. We waren zeer vereerd en tussen alle bobo’s zochten we een bescheiden plekje om getuige te zijn van een bijzondere gebeurtenis. ‘Wat doe jij hier, ook uitgenodigd?’ roept een bekend en blijkbaar verbaasd iemand. ‘Ja hoor, ik heb een uitnodiging gehad’, antwoord ik netjes en naast enige trots komt dank bij me op dat men niet alleen naar ‘functies’ heeft gekeken.

Maar eerst ‘wie was die Eef Kamerbeek?’. Eef was een bekend tienkamper, geboren in Eindhoven in 1934, overleden in 2008 en in mijn beginperiode meer dan een boegbeeld in de atletiek en de landelijke sportscene. De tienkamp, het zwaarste nummer van de atletiek en ook mijn favoriete discipline, beheerste jarenlang zijn leven. Eef won 11 maal op rij de nationale titel en bereikte in 1960 het hoogtepunt in zijn loopbaan met de vijfde plaats bij de Olympische Spelen van Rome. Vier jaar daarvoor had de Russische inval in Hongarije ertoe geleid dat Nederland zich in november 1956 terugtrok van de Olympische Spelen in Melbourne. Eef Kamerbeek behoorde tot de kleine groep die het droomfestijn op het laatste moment aan zijn neus voorbij zag gaan. Hij baalde als een stekker, maar wierp zich met de hem kenmerkende wilskracht op de training voor de volgende Spelen, die van Rome. Het lukte de mentaal en fysiek ijzersterke Kamerbeek in het weekeinde van 5 en 6 september 1960 de hoge verwachtingen in te lossen. Met een totaalscore van 7236 punten, goed voor de vijfde plaats, sloot hij de Olympische tienkamp af. Alleen de Amerikaan Johnson, Yang Chuan uit Formosa en het Russische duo Kuznetsov en Kutenko eindigden vóór hem. Dat hij nog niet aan het eind van zijn mogelijkheden was, bewees Eef Kamerbeek een jaar later door het Nederlands record op 7594 punten te brengen. Na zijn vierde plaats bij het EK van 1962 leek hij tijdens de Spelen van Tokio in 1964 rijp voor een medaille. Maar het noodlot sloeg toe. Al op het eerste onderdeel, de 100 meter, raakte hij geblesseerd.

Onder leiding van z’n vader Henk, een kampioen bij het kogelstoten en kogelslingeren, ontwikkelde Eef Kamerbeek zich in zijn jeugd tot een alleskunner op de atletiekbaan. Vriend en vijand leerden hem kennen als een onverwoestbare doorzetter die keihard trainde, en dat na zijn volledige dagtaak bij Philips waar hij als machinebankwerker begon en tot sponsoringadviseur opklom. In zijn nadagen en in mijn beginperiode heb ik het grote voorrecht gekend om nu te kunnen zeggen ‘ik heb samen met Eef Kamerbeek nog wedstrijden’ gedaan. Een man met charisma, steeds overduidelijk aanwezig en iedereen toonde groot respect voor hem. Enkele jaren later heb ik nog stage bij hem gelopen bij Philips. In mijn opleiding als bedrijfskundige zat ook een module arbeidskunde en ik moest een paar dagen oefenen met de stopwatch. En uiteraard hebben we het tijdens de stage meer gehad over atletiek dan over arbeidsanalyse. Zo’n 14 jaar geleden werd ik lid van PSV Atletiek en had ik het bijzondere genoegen enkele jaren werptraining te krijgen van zijn zoon Henk. Bij de jaarvergaderingen was erelid Eef Kamerbeek ook aanwezig als stralend middelpunt. Een groot atleet, een innemend mens, een indrukwekkende gestalte met zijn immense borstomvang.

Drie jaar geleden werd Eef Kamerbeek geveld door een slepende ziekte, en het was voor mijn sportmaat Frans en mij gewoon een must om bij zijn crematie aanwezig te zijn. Zijn dochter sprak daarbij indrukwekkend over haar vader als die gedreven sportman, een goede vader die zijn gezin soms tegen wil en dank meenam in zijn grote passie, de atletiek. Eef Kamerbeek werd bij zijn crematie postuum geëerd met de Jaap Eden Trofee. Voorzitter Erica Terpstra van sportkoepel NOC*NSF overhandigde in Heeze de trofee aan diens zoon Henk Kamerbeek. Eef Kamerbeek werd in 1960 uitgeroepen tot sportman van het jaar. Destijds kregen de winnaars nog een kristallen vaasje. NOC*NSF was bezig met een inhaalslag en overhandigde jaarlijks het bekende Jaap Eden-beeld aan vroegere winnaars. Eef Kamerbeek zou de Jaap Eden Trofee eigenlijk tijdens het Sportgala in december 2007 ontvangen maar was toen al te ziek om aanwezig te zijn.

Vrijdag 27 mei werd op het sportpark een mooie plaquette onthuld door zijn broer Jan Kamerbeek en zijn zoon Henk Kamerbeek. Daarmee werd het sportpark de Hondsheuvels omgedoopt in het Eef Kamerbeek Atletiekcentrum. Na het nuttigen van een hapje en een drankje en het volgen van een rondleiding door het prachtige multifunctionele gebouw togen we weer huiswaarts. De bobo’s druk lobbyend achterlatend. ‘Zullen die wel weten wie Eef Kamerbeek was?’ zeg ik tegen Frans. ‘Nou, in ieder geval klinkt het Eef Kamerbeek Atletiekcentrum beter dan de Hondsheuvels’.

En dat is waar, bij elke volgende wedstrijd zal ik terugdenken aan die groot atleet. De gemeente Eindhoven eert zijn zonen op een terechte wijze.

dinsdag 24 mei 2011

Ook dat nog . . .

Afgelopen weekend was in Veldhoven het NK-Masters, specifiek voor de onderdelen kogelslingeren, gewichtwerpen en werpvijfkamp. Dat is om het NK-Masters baanatletiek te ontlasten, en ik denk ook omdat het vanuit Eindhoven Atletiek zo geïnitieerd is. Het was twee dagen schitterend weertje en GVAC Veldhoven had het uitstekend voor elkaar op en rond sportpark de Kempencampus. Ik had ingeschreven voor alle drie de onderdelen, en Marijke al vooraf getemperd in haar verwachtingen: ‘dit jaar geen medailles’. Uiteraard hebben wij Masters daar altijd een excuus voor, en ik had er voor deze gelegenheid maar liefst drie in petto. Een chronisch versleten knie, terugkeren van een vervelende schouderblessure en een lange winterstop wegens een lichte longontsteking en ‘n virus op de luchtwegen. En helaas heb ik op mijn leeftijd inmiddels ervaren dat het héél lang duurt voor je weer in het ritme zit. Maar toch hangen er nu drie ‘medalies’ aan de wand, twee zilveren met kogelslingeren (39,76m) en gewichtwerpen (15,74m) en een bronzen ‘met een gouden randje’ op de werpvijfkamp.

Over die vijfkamp wil ik het wel nog even hebben. Eerst een statement: Lampis is een werpersplatform op internet, ik ben één van de pioniers en onze doelstelling is het stimuleren van de werpnummers in de atletiek. In dat kader geven we gevraagd en ongevraagd adviezen aan atleten, maar ook aan organisaties ‘hoe werpwedstrijden beter en aantrekkelijker te maken’. Dat wordt ons meestal in dank afgenomen, maar er zijn altijd hardnekkige uitzonderingen!

Terug naar die werpvijfkamp, de mannen 60 en ouder zaten geduldig op ’n rijtje op hun stoeltjes te wachten tot ze met hun eerste nummer, het kogelslingeren mogen beginnen. Maar ooh jee, ook de dames heupwiegden in onze richting om te beginnen aan hun 4e onderdeel, het speerwerpen. En het toeval wil dat beide werpsectoren naast elkaar liggen, sterker nog, na 20 meter kruisen ze elkaar waardoor een (levens)gevaarlijke overlappende situatie ontstaat. Dus wij van Lampis stelden aan de wedstrijdleider voor om de dames aan de andere kant te laten werpen, zo gepiept. Dames gooien max.35 meter met de speer en onze beste man ca.45 meter met de kogel, dus blijft er op een middenterrein van 90 meter nog zo’n 10 meter veilig niemandsland over. Maar nee hoor, uit het topoverleg werd besloten naast en over elkaar heen te gooien. Motivering van de wedstrijdleider ‘anders gooien de dames tegen de wind in’, en iedereen die een beetje kan speerwerpen weet dat dit slechts voordelen heeft. Nu moesten we ‘om-en-om’ gooien en een verkeersregelaar stond op het overlappende stuk zenuwachtig en volkomen onduidelijk met een rode en witte vlag te wapperen. Nou, met twee groepen van ca.20 man/vrouw gaat dat een héééle tijd duren, voor een paar van ons hoefde het eigenlijk al niet meer. Op zo'n moment voel je je geen onderdeel meer van het geheel, maar slechts lijdend slachtoffer van niet al te verstandige besluiten.

Maar ja, wel tijd genoeg om wat rond te kijken. Doordat de dames en de jury inmiddels nogal wat geïrriteerd waren ontstond er voortdurend discussie over het wel of niet geldig zijn van de speerworpen. Want ja, met wind mee vallen die speertjes al gauw plat op de buik en de veldjury raakt volledig het spoor bijster. Dus stapt een van onze dames op de scheidsrechter af en stelt voor om veldjury en atletes even een adempauze te gunnen om nog eens uit te leggen wat de regels zijn. En een heel belangrijke regel daarbij is misschien wel ‘bij gerede twijfel altijd in het voordeel van de atleet’. Maar er wordt niet naar geluisterd, iets waar moeilijk aan te wennen is.

Intussen had bij het kogelslingeren al een paar man rechts in het net gegooid. Ik bemerk dat het net rechts bovenin zeker ’n halve meter naar buiten moet en loop naar een zeer welwillend GVAC-jurylid. We zijn bezig het net correct te hangen als een keurige man in een kaki tropenkostuum zich ermee bemoeit. ‘Nee hoor, dat net hangt goed, afblijven . . . ‘. Ik kijk naar die verdwaalde carnavalsvierder en stel me zo voor ‘als hij ook nog zo’n tropenhelmpje op had gehad, zou ik dat ongegeneerd over z’n kop hebben getrokken'. Het GVAC-jurylid haalt haar schouders op, maar ik maak onverstoord de ketting los, vraag haar om het net in de goede positie te trekken en nog rustiger pas ik de schakels aan en breng het net op de juiste spanning. De chef jury kijkt tevreden omhoog ‘nou zit ie goed, bedankt’. Even later ben ik aan de beurt met gooien, loop de ring in, en wie staat daar vlak voor m’n neus geanimeerd te kletsen. Precies, diezelfde verdwaalde carnavalsvierder. Overduidelijk heeft hij geen enkele belangstelling of empathie voor het kogelslingeren dat vlak voor zijn neus plaatsvindt. Er knapt wat in me, maar toch beleefd vraag ik of hij z’n mond wil houden. Helaas heb ik nu wel mijn benodigde adrenaline verspeeld en gooi ongeldig. Ik loop uit de ring, flikker mijn leren buikband en werphandschoen op de grond en loop naar die 'man op de verkeerde plek in zijn afwijkend kostuumpje'. Nadat Bert Vreeswijk klaar is met zijn worp fluister ik hem toe dat hij dat in het vervolg maar moest laten en vraag hem uit hoofde van welke functie hij daar eigenlijk stond. ‘Ik ben de gedelegeerde van de Atletiekunie’ krijg ik met enige benepen trots te horen. Mijn maag krimpt ineen van woede en een peristaltische beweging kruipt omhoog langs de slokdarm en knijpt mijn keel gelukkig dicht om erger te voorkomen. Ik beheers me slechts tot ‘ook dat nog . . . .’.

Niet alleen mijn wedstrijd is redelijk verpest. Het erge is, dat je dat GVAC en zijn werkelijk keigoeie jurycorps niet kunt aanrekenen. Het lijkt wel of sommige mensen daar slechts rondlopen voor eigen ‘roem-en-glorie’ en het met hun eigengereidheid expres willen verpesten.

Na drie onderdelen sta ik op grote achterstand op de zesde plaats en reken mezelf nog maximaal een plaatsje omhoog. Bij het laatste onderdeel, het gewichtwerpen, doet zich weer zo'n vervelende situatie voor. Ja hoor, achter de kooi staat een scheidsrechter wijdbeens met de armen over elkaar te kletsen met een werpvijfkampster. Niet zomaar eentje, nee, eentje die al begint te mopperen tegen de wind als die het net wat zachte wiegbewegingen laat maken. Eigenlijk mogen ze daar ook niet staan. Maar ik besluit ‘bemoei je er niet mee’, en tenslotte kan ik mezelf ook goed focussen. Maar het rommelt in de groep werpers, ‘Toch vervelend dat ze net achter die kooi moeten staan kletsen’. ‘Ja, eigenlijk stoort me dat’. 'Hij draagt een groene band, dus . . . . '. 'Je gaat toch ook niet bij de start van de 110 meter horden vóór die lopers staan kletsen'. Een andere bereidwillige Lampis-dame loopt op het tweetal af en verzoekt vriendelijk om ergens anders te gaan staan. Maar wat denk je, ze blijven gewoon staan, daarmee overduidelijk makend dat ze zich ‘helemaal niks’ aantrekken van het verzoek van de werpers.

Het is erg laat geworden, iedereen is alweer naar huis, we zitten na de wedstrijd gezellig bij elkaar, en supersnelle Joke Kleinhesselink brengt ons de uitslag. ‘Heej, ik ben derde geworden, ook dat nog . . . ‘. Trots als een pauw neem ik achter Martin Regtop en Frans de Laat mijn bronzen medaille op een inmiddels verlaten sportpark in ontvangst. Met onze 'harde kern' gaan we nog even Veldhoven in, en we hebben er met z’n allen nog een gezellige boel van gemaakt.

Nogmaals oprechte hulde aan GVAC en de inzet van al die bereidwillige juryleden. En ja, topjury en gedelegeerden. Ik vraag me wel eens af wat die achteraf thuis vertellen over zo’n wedstrijd . . . . tenminste, als ze thuis wat te vertellen hebben.

dinsdag 17 mei 2011

Terug in de tijd . . .

Het lijkt wel alsof dat steeds meer een dagelijkse bezigheid wordt, naarmate je zelf ouder wordt, terugkijken in de tijd. Afgelopen vrijdag 13 mei zou mijn moeder 100 jaar zijn geworden. Nog iedere dag kijkt ze glimlachend op me neer, prachtig in olieverf geportretteerd, ingeklemd in een houten lijst boven mijn bureau. Het is misschien niet objectief, maar het was voor mij dé ideale vrouw in mijn leven. Ik heb haar nooit kunnen betrappen op ook maar iets negatiefs ten opzichte van een medemens. Altijd zorgzaam, lief, betrokken, bescheiden, (bij)gelovig, koningsgezind en toch tevreden. Hoor ik jullie denken ‘hij heeft niet veel weg van z’n moeder?’. Ze heeft me wel altijd het goede voorbeeld gegeven, en dagelijks kijk ik dankbaar naar haar omhoog.

Afgelopen vrijdag 13 mei overleed Hai Vanmaris op 78-jarige leeftijd. Hai was één van die supertrouwe verenigingsmensen binnen de noord-limburgse atletiek. Zelf kan ik me geen wedstrijd van AV Tegelen of Scopias herinneren zonder Hai als starter of als jurylid. In de korte periode dat ik weer terug was bij Scopias hadden we nog wat gesprekken ‘euver vruûger’. We hebben samen met Frits nog wat afgelachen en ‘alde kuûj oët de sloët gehaold’. Toch werd elk gesprek heel even ernstig als Hai steeds weer die ene competitiewedstrijd aanhaalde dat hij ons had gediskwalificeerd. In die tijd reisde hij mee als jurylid bij de ploeg van AV Tegelen, en ik zat in de 4*100 meter estafetteploeg van Festina Venlo (44.0sec!). Hai was Tegelse wisselpuntcommissaris, ik 3de Venlose loper en zou ‘verkeerd’ gewisseld hebben, en iedereen weet toch dat ik dat nooit deed. Niet onbelangrijke begeleidende feiten waren dat Tegelen en Venlo elkaar niet zo ‘lagen’, en Festina was de enige ploeg die op die dag werd gediskwalificeerd. Iedereen viel over Hai heen, en nou ja, onze reserveploeg liep ‘een beetje ingehouden op het 2e wisselpunt’ toch nog een redelijke tijd. Ik was dat ‘voorval’ allang vergeten, en de immense verdiensten voor de atletiek van Hai overwoekeren die ene diskwalificatie, slechts grote dank is hier op zijn plaats. ‘Bedank Hai, ik dink allein nog met groët respek aan dich truuk’.

Afgelopen vrijdag 13 mei vertrokken Marijke en ik met onze camper naar Limmen, de geboortestreek van Marijke. Op zondag was alweer de 17e neven- en nichtendag Vennik. Een tweejaarlijkse happening voor 24 neven en nichten met aanhang. Altijd weer een verrassing wat de (wisselende) organisatie voor een dagprogramma heeft bedacht. Startpunt met koffie en gebak, en eindpunt in een visrestaurant waren ditmaal in IJmuiden. De hoofdschotel was een rondwandeling in Amsterdam, net op de dag dat Ajax kampioen zou moeten worden. We gingen met de draagvleugelboot naar het Centraal Station en vertrokken net voordat de voor FC Twente ongelukkige 3-1 viel weer terug naar IJmuiden, wat een mazzel. We kregen in Amsterdam een ‘vertellende’ gids die ons langs de belangrijke punten in de ontstaansgeschiedenis van Amsterdam leidde, prachtig. Daartussendoor een lunch in de Beurs van Berlage, onder het wandelen begeleid en gestoord door drommen supporters ‘Ajaksss . . Ajaksss’, onderweg van Centraal Station naar het Museumplein of al bezopen hangend uit een van de vele kroegen. Ook riepen ze leuzen die mijn nekharen uitdaagden, maar ik wist me net als iedereen te beheersen.

’s Avonds werd met een tafel neven en nichten teruggekeken wanneer nou die reünie voor het eerst was, 1975, 1977 of 1979? En wat hebben we in die 17 reünies allemaal gedaan. Je merkt dan dat niet alleen jij ouder wordt, zij wisten het niet meer en sommigen dachten het tegen beter weten in toch te weten. Genoeg ingrediënten voor een gezellige ongestructureerd tafelgesprek. In de komende twee jaar gaan Marijke en ik dat toch maar eens uitzoeken.

Vrijdag 13 mei, de derde dag van de vier IJsheiligendagen. Als het goed is ligt de nachtvorst dus ook alweer ‘terug in de tijd’. Vrijdag de 13e , de geboortedag van mijn moeder, zo bijgelovig als ze was kwam ze op vrijdag de 13e nooit buiten de deur. Vrijdag 13 mei, de overlijdensdag van Hai Vanmaris, nooit meer zo geanimeerd ‘terug in de tijd’ kijken naar de aartsrivalen AV Tegelen en Festina Venlo. Vrijdag 13 mei, niet het voorbeeld van m’n moeder gevolgd en toch met de camper de deur uit.

donderdag 5 mei 2011

Geachte voorzitter

Soms word ik gedwongen om ergens over na te denken, het verzet groeit in me en het vuur brandt. Ik klim in de pen, en als ik het teruglees denk ik 'niet doen ouwe'. In dit geval berg ik het dan ook maar op in m'n eigen vertrouwde weblog. En die het leest: 'niet verder vertellen hè', want dan krijg ik weer trammelant.

Geachte voorzitter,
In oktober 2009 heb je een gesprek gehad met Peter Holthuijsen, Henk van Bakel, Frans Klep en mij. We wilden lid worden en op de woensdagavond komen kogelslingeren. Helaas was dat toen nog niet mogelijk. Je hebt toen echter wel toegezegd dat je je uiterste best zou doen om een voor ons belangrijk deel van de verenigingsdoelstelling, de 'technische atletiek', zo spoedig mogelijk toegankelijk te maken. Om onze goede wil te tonen en als dank voor je flamboyante toezegging zijn drie van ons toen lid geworden, Frans Klep heeft zijn lidmaatschap na een jaar wachten helaas weer opgezegd, hij had het vertrouwen in jou verloren! Henk van Bakel en ik hebben toch nog steeds het onwrikbare vertrouwen dat je nog steeds je uiterste best aan het doen bent voor ons, technische atleten.

Maar meneer de voorzitter, na 1½ jaar begint ook voor mij de tijd een beetje te dringen. Volgend jaar hoop ik de AOW-gerechtigde leeftijd te bereiken en ik zou het prettig vinden als je het zou kunnen redden om voor die tijd antwoord te geven. Want nog steeds rijd ik trouw elke week naar Roermond om te trainen en eigenlijk is dat van de zotte als in Venlo zo'n mooie accommodatie ligt weg te rotten. Bovendien is dat elke week 2*22km, en mijn auto loopt 1:11 en met de huidige brandstofprijzen is dat gauw (1½*50*2*22/11*1.749=) ruim 500 euro! Afgezien van het feit dat de gepensioneerden als makke schapen regelmatig kaalgeschoren worden om een bovenmatige bijdrage aan de economische crisis te leveren, is ook ons milieu er niet bij gebaat. Uiteraard wil ik geen verdere druk op jouw zeer waarschijnlijk zwaar belaste schouders laden, maar ik kan me ook niet voorstellen dat je voor ons die kosten maar laat oplopen, en het milieu in toenemende mate voor onze (klein)kinderen laat verpesten.

Meneer de voorzitter, je had toen zo'n mooie laptop bij je, waar je alles rustig op hebt ingetikt. Ik kan het me nog herinneren, wij moesten steeds even gedwee wachten, want het typen ging je niet zo snel af. Maar het zou allemaal veranderen bij de club, je zou er meer structuur in gaan brengen met logisch geordende commissies met afgebakende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Volgens mij gaat dat ook niet zo snel, maar ja, ik kan me dat wel voorstellen. Weerstand tegen verandering noemen ze dat hè, maar ik weet dat jij die klojo's wel om krijgt.

Zo hoorde ik dat mijn zeer gewaardeerde jeugdvriend Jo Janssen zich heeft teruggetrokken als voorzitter van de wedstrijdcommissie. Ik heb nu een paar keer meegeholpen met de Bridge2Bridge en was best wel trots als ik Jo zo bezig zag en wat hij met zijn clubje mensen allemaal heeft opgebouwd voor de club. Maar ja, die is nu gelukkig weg, en dat geeft jou weer de gelegenheid de structuur fors te herzien, zodat de club eindelijk verder wordt opgestuwd in de vaart der volkeren. Succes lonkt voor je aan de horizon, misschien behaagt hare majesteit het wel.

Helaas ben ik nog van de 'oude stempel'. Misschien ken jij dat niet meer zo, ik ben meer van 'een man - een man - een woord - een woord'. Ik laat mensen nooit lang wachten op een antwoord, sommigen noemen dat nu geloof ik 'respect tonen' maar voor ons was dat altijd normaal. Als bedrijfskundige, helaas ben ik maar aan 37 jaar ervaring toegekomen, heb ik geleerd dat mensen het werk moeten doen en niet de commissies. Commissies doen het bij presentaties leuk om iemand uit te leggen wie er allemaal het werk doen, en hoe jij ervoor gezorgd hebt dat ze elkaar niet 'in de wielen' rijden. Als je mensen waardeert en de ruimte geeft in waar ze goed in zijn, en de helpende hand reikt waar de goede motivatie net niet toereikend is, dan kom je 'samen' heel erg ver. Maar als je iets op papier of op je laptop zet, daarover niet meer communiceert en boven de dingen blijft zweven, dan ontstaat frustratie. En geloof me, meneer de voorzitter, als bij mensen motivatie omslaat in frustratie dan is er geen redden meer aan. Dan hebben ze het vertrouwen in je verloren en lopen ze weg.

Jaja, ik ben nog van de 'oude stempel', en sommigen noemen me zelfs 'unne alde zanikerd'. In die gevallen kan ik me alleen nog maar beroepen op het recht van vrije meningsuiting. Ik heb niemand meer die naar me moet luisteren, dus praat ik ook steeds meer tegen me zelf. En om daar dan weer vanaf te komen schrijf ik af en toe wat van me af.

Jammer Frans, dat je geen lid meer bent. Bedankt Jo, ik laat een traan om je en drink een borrel,
intussen meneer de voorzitter, wacht ik geduldig op antwoord,
met vriendelijke groet,
Jan Titulaer.

vrijdag 29 april 2011

Hans Fischer overleden

Het zal jullie waarschijnlijk niets zeggen, maar Paasmaandag is tengevolge van een slepende ziekte Hans Fischer overleden op slechts 65-jarige leeftijd. Ik kende hem als de drijvende kracht achter de atletiekvereniging LAV Hückelhoven. Sterker nog, hij bleef tot het allerlaatste de alom aanwezige luidruchtige dieselmotor. De laatste keer, het is pas een paar weken geleden, kon hij al niet meer lang staan en reed met z’n auto tot dichtbij de kogelslingerkooi om van daaruit de regie over de wedstrijd te voeren. Ik liep naar hem toe en stak mijn hand toe. ‘Tag Jann, schön das Du wieder da bist, wie gehts . . ?’. ‘Gutentag Hans, wie geht es Dir, das ist viel wichtiger’. Zijn opgeblazen hoofd sprak eigenlijk boekdelen, maar hij deed me geloven dat de chemokuren nog tot juli doorgingen, en dat ze aansloegen!?

Groot was de verslagenheid onder de atleten en atletes op de werpdag afgelopen Paaszaterdag: ‘het ging erg slecht met Hans’. Het was alsof iedereen zijn uiterste best deed om de wedstrijd nog beter te laten verlopen, zowel de organisatie als de deelnemers. Maar het kon het grote gemis van de grote man bij Hückelhoven niet verbloemen. We hebben nog een groepsfoto gemaakt en die opgestuurd naar hem en zijn dierbaren. Ik betwijfel of hij dat nog gezien heeft, maar daar gaat het niet om. We hebben hem gemist en die dag respectvol opgenomen in ons midden. Twee dagen later is hij overleden.

Vanmorgen was de afscheidsdienst, rustig, kalm en ingetogen. Eigenlijk hoorde dat niet bij Hans, hij was immers altijd gedreven, nogal luidruchtig en zeker niet ingetogen. Ik besefte nog meer dat met de dood droefheid overgaat in complete rust. Zijn pupillen zaten aangeslagen in de kerk met T-shirt van LAV Hückelhoven, de voorzitter kwam in zijn toespraak even niet meer uit zijn woorden. Hans bleek zich ook al even nadrukkelijk met de plaatselijke politiek te hebben bemoeid, eerst vanuit de FDP, later met een eigen partij. Nog meer begreep ik waarom dat we zo’n goede klik hadden.

Na de wedstrijd hebben we nog wel eens een ‘vierkante-tafel-conferentie’ gehouden met een fles bier voor ons. Onderwerp was het redden van de ondergang van ‘de technische atletiek’ en hoe verrekte weinig de clubs eraan doen om de jeugd enthousiast te maken voor die machtige technische disciplines. We waren het roerend met elkaar eens en probeerden ieder op onze eigen manier daar wat aan te doen. En de manier waarop Hans de werpnummers opstuwde was zeker niet rustig, kalm en ingetogen.

Jaja hoor ik insiders meedenken, hij deed dat ook voor zijn dochter Lisa en zoon Jan. Natuurlijk was het voor hem belangrijk dat beide kinderen talentvol zijn. Maar hij verzamelde wel een clubje werp(st)ers om hen heen en organiseerde bijna maandelijks wel een wedstrijd. En nooit te goed om welke taak dan ook daarbij in te vullen. Op ’t laatst ging het bukken niet meer zo goed als hij de afstanden moest opmeten. Zonder zich te bukken ging hij met z’n rechtervoet op de afdruk staan, ging met z’n linkervoet op het meetlint staan en trok het meetlint zover omhoog tot de exacte afstand tussen linkervoet en rechtervoet was bereikt. ‘Kijk hoe die meet, dat klopt toch niet’, waagde een of andere onbenul. Boze blikken schoten vuur in zijn richting: ‘zoals Hans dat doet is het immers altijd goed’.

Hans, bedankt voor alles wat je voor de atletiek en in het bijzonder het kogelslingeren hebt betekend. Zeker niet rustig, kalm en ingetogen. Je was een man naar mijn hart, iemand die je blijvend gaat missen.