We staan in Millau op een camping aan de oever van de onrustige Tarn. In de verte zien we die bekende brug als een scherpe witte pentekening afgetekend in het landschap en voor de rest zijn we omringd door imposante bergmassieven. Gekleurde Delta-vliegers fladderen als zenuwachtige vlinders tegen de azuurblauwe lucht. ‘Irma bedreigt mogelijk Sint Maarten’, schettert het nieuws op de televisie. Marijke kijkt me met grote ogen aan: ‘Daar krijgen Frank en Nathalie dan ook last van, toch?’.
Via de bekende sociale media zoekt Marijke contact met haar zoon. Inderdaad, die hebben al driftig planken en spijkers ingeslagen. Maar een moeder is niet zo vlug gerustgesteld en ze meldt zich aan bij Hurricane-2017. ‘Irma is zo groot als Frankrijk en groeit naar categorie 5’, mompelt ze. ’s Avonds op het journaal kraait er eentje dat Irma recht op Sint Maarten afstevent. En het is de zwaarste orkaan ooit. Twee angstige ogen staren me aan. ‘Nou, ik denk dat Frank wel een veilige schuilplaats zoekt voor Nathalie en de twee hondjes’, probeer ik het wat af te zwakken. Tegelijkertijd komt Plasterk in beeld, ze sturen alvast 100 militairen naar Sint Maarten om assistentie te verlenen. ‘Hèhè, die zullen ze niet alleen met een zandschepje sturen. Die houden ons wel op de hoogte’, mompel ik. Maar een moeder, waarvan een kind in gevaar dreigt te geraken, is niet meer gerust te stellen. Ze slaapt niet die nacht, en als ik ’s morgens wat schuldig wakker wordt, zit ze met een tablet op schoot.
‘Irma komt recht op Sint Maarten af, en volgens mij is Frank nu ook echt zenuwachtig’, zegt ze tegen me. ‘Hoezo?’, vraag ik. ‘Hij heeft om half drie vannacht nog een verwarrend berichtje gestuurd, en hij eindigde met alles kan kapot, what ever happens, happens!’. We zetten het ochtendjournaal aan. Een of andere onbenul legt nogal plastisch de verschillende orkaankrachten uit. Bij ‘1’ heb je wat moeite om te blijven staan. Bij ‘3’ vliegen de eerste pannen van het dak, bomen knappen als luciferhoutjes en puin vliegt in het rond. Bij orkaankracht ‘5’ wordt alles verwoest, geen steen blijft op de andere, niets wordt gespaard en er vallen gegarandeerd slachtoffers! En als extra zout op de wonde meld hij dat Irma eigenlijk categorie ‘6’ zou zijn, maar die bestaat niet, omdat categorie ‘5’ al alles verwoestend is. ‘Potnondedjuu, wat een enorme klootzak’, schreeuw ik door de camper. Nou heeft Marijke paniek fase 10 bereikt, die is nooit meer rustig te krijgen. En we rijden die dag ook nog eens van Millau naar de Côte d’Azur. Het wordt een stille rit met alleen open onbeantwoorde vragen van ‘Hoe zou het nu op Sint Maarten zijn’, gevolgd door een diepe zucht. ‘Zullen ze genoeg te eten hebben’, gevolgd door een diepe zucht. ‘ Zullen ze nog . . . . ‘, gevolgd door een diepe zucht.
Irma jaagt over Sint Maarten en woedt in Marijke. Wij rijden in grote onzekerheid door Zuid-Frankrijk. Daarna wordt het stil, doodstil. Op Youtube verschijnen de eerste filmpjes van een verschrikkelijke ramp. Van die etterige grapjassen zetten er verschrikkelijke filmpjes en foto’s op van eerdere rampen, die niets, maar dan ook totaal niets met Sint Maarten te maken hebben? Ik begrijp dat niet! Maar ja: ‘Slecht nieuws trekt veel kijkers en veel likes’. Klootzakken. Objectiviteit is ver te zoeken, en dat hebben we nu nodig.
Informatie ook, Plasterk komt meerdere malen in beeld en weet niets! Zouden die 100 militairen dan toch gewoon met een zandschepje in hun veilige schuilbunkers zitten te klaverjassen? Hebben ze die geen cameraatje en zendapparatuur mee gegeven? Het zal toch niet? President Macron geeft een officiële persconferentie en meldt de eerste doden en gewonden. Plasterk kijkt bij elk nieuwsitem steeds wanhopiger en weet nog steeds van niks! Eindelijk weten ze een helikopter boven het eiland te laten rondcirkelen die de eerste nietszeggende beelden laten zien. Wij zitten met onze neuzen tegen ons kleine TV-schermpje gedrukt maar worden niet veel wijzer. Er is op Sint Maarten geen internet, er is geen telefonisch contact. Het is bijna om gek van te worden.
We zitten achter onze camper met een kopje muntthee. We zitten ons op te winden! Hoe zou het zijn als dit op Terschelling was gebeurd. We leven toch in 2017, we weten altijd exact waar iets gebeurt. Waar ook op deze wereld, behalve op Sint Maarten? Als je toch dagen van tevoren weet dat er iets gebeurt, dan tref je toch maatregelen? Rutte maakt zich nu waarschijnlijk druk over het verhogen van het eigen risico, en Buma oefent alvast het Wilhelmus. Daar gaat binnen de telefoon! Marijke vliegt op en rent om de camper en valt letterlijk languit naar binnen. ‘Ik ben te laat! Het is een onbekend nummer!’. ‘Neem maar mee naar buiten, en bel maar terug!’. Ze probeert terug te bellen, maar er wordt niet opgenomen. Ze legt het toestelletje tussen de twee kopjes muntthee. De spanning stijgt ten top. Ze vraagt totaal overbodig wat ze moet doen, als dat ding zo meteen hopelijk weer overgaat. We kijken elkaar afwachtend aan, het hart klopt ons in de keel.
Het mobieltje gaat over, Marijke grijpt hem en swaipt naar rechts: ‘Hallo . . hallo’. Ze kijkt me wanhopig aan: ‘Ik versta niks, de verbinding is heel slecht . . hallo . . . hallo’. Ze reikt me het mobieltje wanhopig aan en ik luister ingespannen. De verbinding is heel slecht en hakkelend, op de achtergrond hoor ik stemmen. Maar dan herken ik de stem van Nathalie. Ik roep: ‘Nathalie, hoe is het met jullie, hoe is het met je, hoe is het met Frank, hoe is het met de hondjes?’. Het is goed met Frank en Nathalie en de twee hondjes, alleen hun huis en haard is een ‘mess’. Ik herhaal steeds weer diezelfde vragen, en hakkelend en stotend komen geruststellende geluiden uit het mobieltje. Het verlossende stemmetje van Nathalie klinkt als een engeltje in de kerstnacht. Ik bedank haar wel vijf keer voor dit telefoontje en neem even vaak alvast afscheid voordat de broze verbinding verbroken wordt.
Even later slaan we de armen om ons heen, tranen vloeien van blijdschap. De muntthee is intussen koud geworden. Maar het slappe groenige aftreksel ontspant wel. We kunnen weer lachen. We besluiten vanavond heerlijk ergens buiten decadent te dineren.
De volgende dag komt eindelijk de ware omvang van de ramp tot ons. Alleen Plasterk weet nog van niks. Maar gek genoeg kunnen we het nu hebben. Rutte geeft een nietszeggende persconferentie: ‘We zullen de mensen van Sint Maarten niet in de steek laten’. Gelukkig hoeft deze keer de onderste steen niet meer boven te komen, daar heeft Irma wel voor gezorgd.
zaterdag 9 september 2017
woensdag 28 juni 2017
Harry’s laatste wedstrijd ?
Ik
keek ’s morgens nog naar de deelnemerslijst op Atletiek.nu. Er is zomaar een
avondwedstrijdje bij AV Weert, de zoveelste van het Limbra-circuit. Enkele Brabantse
en Limburgse atletiekclubs hebben de koppen bij elkaar gestoken om regionale
atleten niet-ver-van-huis een reeks wedstrijden te bieden. Dank aan die clubs
die de handen uit de mouwen steken, een geweldig initiatief.
‘Heej, wat leuk, Harry van den Heuvel staat ook op de lijst voor kogelstoten en kogelslingeren’, roep ik.
‘Heej, wat leuk, Harry van den Heuvel staat ook op de lijst voor kogelstoten en kogelslingeren’, roep ik.
‘Dan wordt het in ieder geval weer een gezellige
avond!’, zegt Marijke.De 74-jarige Harry van den Heuvel (Atletiekvereniging
Valkenswaard) loopt zo’n beetje als een rode draad door mijn 60-jarige
aaneengesloten atletiek-carrière. De bijzonder sympathieke en innemende
verschijning is een toonbeeld van wat atletiek behoort te zijn: fanatiek,
gezellig, sociaal, doorzetten, trouw, inzet voor de club, de sport en aandacht
voor de individuele atleet. Alle ingrediënten bij mekaar gehusseld in die oergezellige Brabander. Marijke en ik melden ons ’s avonds in Weert, we zitten net
aan de koffie wanneer ik een hand voel op mijn schouder:
‘Hallo Harry, leuk om je te zien, we gaan d’r weer samen tegenaan’,
ik sta op en wil zijn hand schudden.
‘Nee
Jan, eerst Marij’, en hij laat me even voor joker met mijn uitgestoken hand
staan. Zo is Harry, altijd volgens de etiquette en correct tot in de puntjes.
Zijn rechterhand pakt die van Marijke en de ander wordt bemoedigend op haar
schouder gedeponeerd.
‘Hoe is tie Marij .
. ‘, en ik doe even niet mee. Maar dan pakt hij mijn hand en we begroeten
elkaar als echte atletiekvrienden.
‘Dit is
alweer de derde wedstrijd samen Harry’, heb ik vlug uitgerekend, ‘die van Jan Smit, de avondwedstrijd in
Valkenswaard en dan vanavond’. Het gezicht van Harry betrekt, er valt even
een stilte.
‘Dit wordt waarschijnlijk mijn
allerlaatste wedstrijd . . . .’, mompelt Harry.
‘Nee, dat geloof ik niet, dat kan ik niet geloven, dat wil ik niet voor waar accepteren . . . ‘, schreeuw ik bijna.
‘Nee, dat geloof ik niet, dat kan ik niet geloven, dat wil ik niet voor waar accepteren . . . ‘, schreeuw ik bijna.
‘Ja, het wordt allemaal een beetje te duur, enne het zit allemaal een
beetje tegen . . . .’. Ik ben compleet uit het veld geslagen en staar naar
mijn oudere atletiekvriend. Na zijn droevige mededeling is hij blijkbaar ook
even de weg kwijt en zit ongelooflijk te klungelen om zijn borstnummer 330 vast
te spelden. Het lukt hem niet meer, Marijke staat op en vraagt:
‘Zal ik je even helpen Harry’, en zonder
antwoord af te wachten wordt zijn startnummer keurig recht vastgespeld.
Intussen vliegen allerlei beelden uit het verleden door mijn hoofd. Waar kwam
ik Harry wel niet tegen?
‘Potverdomme
Harry, ik weet nog van toen ik pas senior was, dat jij de Kempische
kampioenschappen organiseerde. Ik zie je nog van alles regelend over het veld
stiefelen, volgens mij was je ook nog speaker’.
‘Wij van Festina bleven altijd lang hangen
na de wedstrijd! En jij vond dat blijkbaar zó gezellig dat je een handvol
consumptie-muntjes op ons tafeltje strooide. Potverdomme Harry, jij weet wat
klantenbinding is, wat PR voor je club is . . .’. Hèhè, gelukkig, Harry tovert
weer een brede glimlach op zijn Bourgondische snuit.
‘Jaha’, zegt Harry, ‘ik heb
ook nog 20 jaar de jeugd getraind en ik geloof nog zo’n 7 jaar actief geweest
voor d’n bond’. Nou dat allemaal uit zitten tellen wat ie zoal gedaan heeft, dat hoeft voor mij
niet. Ik weet wat ie voor onze atletiek betekend
heeft, en nog betekent. Dat
hij Brian Lesterhuis nog discus heeft geleerd met een autoband, ik weet het
allemaal wel. Ook dat ziekte en blessures hem niet gespaard zijn gebleven. Maar
ook hoe hij dat met zijn positiviteit heeft gedragen en naar zijn omgeving
vrijuit communiceerde. Ik wilde het eigenlijk niet horen, maar tussen neus-en-lippen
door begreep ik dat de relatie met zijn club méér uit geven, dan uit
geven-en-nemen bestond. Ik wil dat eigenlijk niet horen, want dat doet zelfs
mij pijn. Ik weet dat nieuwe bestuurders maar al te vaak meer affiniteit hebben
met hun eigen ego dan met onze atletiek. Het is niet anders.
‘Harry, stop asjeblief niet uit wrok. Want
ik weet dat je het allemaal verdomde graag gedaan hebt, met een niet loslatende
liefde naar alles wat met atletiek te maken heeft. Laat dat niet toe’.
‘Nee Jan, dah wit ik wel, maarre . . .’.Onze
namen worden opgeroepen bij de kogelring. Harry is dik tevreden met zijn 6.03
meter, ik met mijn 11.42 meter. Ons gesprek verplaatst zich naar de
slingerkooi. Harry is zeer in zijn nopjes met 14.13 meter en ik niet zo met
mijn 37.55 meter. De lezer zal misschien denken, dat is een groot verschil.
Maar voor Harry en mij zijn geworpen afstanden er niet om persoonlijke afstand te
creëren. Nee, onze atletiekbeleving brengt ons veel dichter bij elkaar. De
wedstrijd is afgelopen, Harry neemt afscheid:
‘Ja, ik wil niet te laat thuis zijn, morgen avond ga ik weer naar het koor’. We
geven elkaar de hand, en ik doe dat wat overdreven op zijn Harry’s. De
rechterhand met gevoel zonder te knijpen, de linkerhand bemoedigend op de
schouder.
‘Harry, het was weer gezellig
vanavond. Tot de volgende keer, en waar dat maakt potverdomme niet uit. Als het
maar in korte broek op een atletiekveld is’. Marijke en ik kijken hem na
als hij met gebogen hoofd het sportpark afloopt.
‘Die man verdient een standbeeld’, mompelen we bijna in koor.
woensdag 22 maart 2017
Verkiezingen met een vleugje . .
We staan op een camping in l’Estartit in Noord
Spanje. Op een ruime plek tussen vier nog kale moerbeibomen. De knopjes zitten
er wel al in, ze steken eigenwijs groen en glimmend omhoog. Ik heb er even aan
gevoeld, ze plakken. Ja, ik had het kunnen weten. Marijke zit in het zonnetje
te lezen en ik loop maar weer eens een rondje op de camping. Ik moet altijd wat
doen en loop op het geluid van een motorzaag af. Twee mannen, donker gekleed in
lange broek en dikke trui, zijn bezig een boompje van drie meter te
verwijderen. Ik noem ze al een paar dagen Hepie & Hepie, waarom weet ik
niet. Ze zijn de hele dag wel ergens op de camping, maar volgens de schatting
van een ouwe bedrijfskundige maar 5% aan het werk. Mijn handen jeuken, maar ik
bedenk me en hou me in. Want die boom is hun hele dagtaak, en als ik vijf
minuten ga helpen, ligt die boom al op de gereedstaande aanhanger. Ja, want Jos
en ik deden wel drie van heel wat andere knoepers van 30 meter in één dag.
Lekker de hele dag buiten bufferen en dan plakkend van het zweet de dag
afsluiten met een brok kaas en een heerlijk glas wijn.
Ik loop verder langs het enorme grote raam van
het binnenbad. Ik kijk naar binnen, drie oudere dames zwemmen in gezapig tempo
op en neer. Ik kijk naar de bekende maar overdreven spreid-sluit bewegingen.
Het lijken wel van die enorme kikkers, maar wel met een badmuts op! Ja, want
dat moest van de receptie. Zelfs ik met mijn gladgeschoren schedel moet een
badmuts op. Ik kon er eentje bij haar kopen voor drie euro, zei de vriendelijk
dame met een glimlach. Nou ja, we gingen toch maar eerst even binnen kijken.
Het was net of ze een klamme warme vochtige badhanddoek over je heen gooiden. Ik
rook een chloorlucht vermengd met ondefinieerbare etherische oliën. Bij de
ingang stond op het bord dat de temperatuur van het water 29 graden was. ‘Kom maar, daar ga jij toch niet in’,
verwoordde Marijke mijn gedachte. ‘Nee,
dan liever met 15 graden in de Middellandse zee’. Nu sta ik wat ongegeneerd
voor dat grote raam naar drie van die spreid-sluitende bejaarde dames te koekeloeren.
Een van hen strompelt via het trapje het bad uit, dat gaat duidelijk moeilijker
dan dat spreid-sluiten in het bad. Aan de roestvrije metalen reling trekt ze
zich moeizaam het water uit. Volgens Marijke kijken wij mannen altijd het eerst
naar de borsten en de billen. In dit geval vielen mij toch echt eerst die dunne
knokerige armpjes en beentjes op. De verdere wat vormloze romp was verpakt in
een donkerblauw degelijk badpak, waaruit duidelijk zichtbaar die etherische
oliën dropen. Ze draaide haar hoofd naar het grote raam. Een vinnige blik
ketste tegen het raam, vanonder die rimpelige witte badmuts, waaronder uit ook
nog eens een paar grijze natte haarlokken eigenwijs priemden. Ik voelde me
betrapt, knikte desondanks vriendelijk naar haar en ik liep maar weer door.
Vanmorgen zaten we gezellig te ontbijten in onze
camper. Marijke twee sneetjes met hagelslag, en ik drie. ‘Goed geslapen’, vroeg ik. ‘Héérlijk,
en jij, nog wat gedroomd vannacht?’, antwoordde Marijke. ‘Ja, maar dat is heel erg moeilijk te
vertellen bij een boterhammetje hagelslag’, zei ik.
Ook hier in Spanje ontkomen we niet aan die
verkiezingen op TV en al dat gedoe in Amerika en Turkije. Wij ouderen snappen
daar steeds minder van. Je krijgt het toch maar allemaal voorgeschoven, en al
die indrukken worden vermengd met de dagelijkse beslommeringen op de camping.
En mijn bijna 70 jaar oude hersenen krijgen dat bijna niet meer verwerkt. Meestal
lukt het me om daar ’s nachts wat structuur in aan te brengen, weer alles een
plaatsje te geven tussen die trage grijze cellen. Maar vannacht niet, ik had
niet één rustgevende droom, maar ik schoot wat paniekerig van de ene enge droom
in de volgende nachtmerrie.
Ik had toch de stoute schoenen aangetrokken,
sterker nog, mijn bergschoenen. Verder ondanks het warme zonnetje had ik me in mijn
lange trainingsbroek en fleece-trui gehesen. Ik stap op Hepie & Hepie af en
biedt mijn hulp aan. ‘Wat moet er deze
week gekapt worden’, vroeg ik de verbaasde Spaanse Bassie & Adriaan. En
een half uur later ligt de eerste uitgeleefde moerbeiboom al op de
aanhangwagen. Heerlijk, ik ben weer in mijn element. ‘Waar staat het volgende kreng?’. Maar er ontstaat plotseling rumoer op de
camping, een heel zootje van die grijskuiven rept zich van de ene naar de
andere camper. Ook Hepie & Hepie worden ontboden op de receptie, ik loop gedwee
achter hen aan. Op het grote TV-scherm op de receptie zie ik dat Pechtold in de
boeien geslagen wordt weggevoerd. Gelukkig staat onderaan het scherm van CNN te
lezen in voor mij begrijpelijk Engels wat er is gebeurd. Had die gekke Pechtold
in Istanbul toch de Blauwe Moskee afgehuurd. Hij wilde de in Turkije wonende
Nederturken toespreken en overhalen om komende 15 maart hun stem niet verloren
te laten gaan. Nee, Alexandertje nodigde alle Turken uit om in Nederland te
komen genieten van het ‘beste’ onderwijs.
Met die nadruk op die ‘b’ van beste.
Hij stond voor de massaal met Turkse en Nederlandse vlaggen zwaaiende massa te
oreren dat we allemaal gezamenlijk naar één groot Europa moesten. Maar oh jeej,
dat was voor de ordetroepen van Erdogan toch iets te veel van het goeie. Want
die wilde natuurlijk wel naar één groot Turkije, maar daar moest de voormalige
EU ook logischerwijs onder vallen. En nu stond hij daar, handen geboeid op de
rug, de altijd correcte haarlok nu slordig op het voorhoofd. Het huilen staat
hem nader dan het lachen, de knoop in zijn stropdas maakte een geweldige draai
naar rechts, zijn onderlip trilde. Daar
komt Rutte in beeld: ‘Tja, een beetje dom
van meneer Pechtold, een bevriend staatshoofd compromitteren is niet netjes.
Dat brengt ook nog eens de vluchtelingendeal met de Turken in gevaar’. En
ineens schakelt CNN over naar Erdogan. Met gestrekte rechterarm en schuimbekkend
brult hij woest in de camera: ‘Dat noemen
ze nou in het Westen democratie. Hier komen oproepen voor beter onderwijs en
vrijheid van meningsuiting. Allah akbar, opsluiten die nazi’s . . . .’.
Net op dat moment komt Marijke de receptie
binnen: ‘Vlug Jan, kom mee, er is iets
verschrikkelijks gebeurd met Wilders’. En zo snel als mijn verrotte
linkerknie dat toelaat hompel ik achter haar aan. Mijn ogen zoeken meteen ons
klein TV-schermpje in de camper, en daar staat hij vol in beeld. Wilders in een
vaal blauw-wit gestreept boevenpak, zich vasthoudend aan van die dikke
verroeste tralies. Een hele troep Marokkanen met bloed doorlopen ogen bespugen
hem en roepen: ‘Wilders . . minder . .
Wilders . . minder . . ‘. Maar Wilders staat fier rechtop en glimlacht
fijntjes. Ik zeg tegen Marijke: ‘Potverdorie,
dat ziet er slecht uit, hoe is dat nu weer gebeurd?’. Nu bleek hij in Casablanca
het Mohammed-V stadion van voetbalclub Raja Casablanca te hebben willen afhuren
om de Marokkaanse Nederlanders toe te spreken. Simpelweg om de Marokkanen uit
te leggen dat alle goedwillende hardwerkende Marokkanen altijd welkom zijn bij
de PeeFeeFee. Maar hij liet dat vergezeld gaan met een oproep aan het land om
al die criminele Marokkaantjes op een rubberbootje te willen terughalen. Maar
ja, meteen al op de luchthaven hadden ze hem herkend aan zijn geblondeerde kuif,
en subiet in de boeien geslagen. De NPO schakelt terug naar Den Haag voor
commentaar van Rutte, maar die blijkt niet beschikbaar. Ook de minister van
Buitenlandse zaken blijkt onvindbaar. Maar er is plotseling nieuws van Schiphol.
Een keurige man verschijnt in beeld. De haartjes strak in de brillantine naar
achteren gekamd, en een heel fijn snorretje op de bovenlip. Hij draagt een
camel-kleurige jas en onder zijn arm nonchalant een vetleren tas.
‘Meneer
Hiddema, hoe schat u de kansen van meneer Wilders in?’,
begint de verslaggever.
‘Tja,
penibel is misschien voorzichtig uitgedrukt, maar we gaan ons stinkende best
doen’.
‘Hebt u
al contact gehad met de minister-president?’.
‘Ja
hoor, maar die was aan het folderen in Tietjerksteradeel en hier stond zijn
hoofd even niet naar’.
‘Maar
snapt u dat nou, hij moet in actie komen, een streng beveiligde landgenoot is
echt in dreigend levensgevaar!’.
‘Nou, dat
zegt u, hij ziet dat anders, het schijnt dat Wilders’ broer in Indonesië is
geboren. Ze zoeken eerst uit of hij wel terecht een Nederlands paspoort heeft’.
De verslaggever slaat steil achterover van
verbazing, maar Hiddema gaat verder: ‘Oh ja,
hij dreigde ook nog mijn licentie te willen laten afpakken als ik de heer
Wilders ging bijstaan’. De verslaggever keek wild paniekerig om
zich heen, maar Hiddema stelde hem gerust:
‘Ik ben
dan weliswaar nummer 2 op de lijst Forum voor Democratie, maar neemt u van mij
aan: ik zal niet van zijn zijde wijken!’. Ik sprong briesend van woede
op in onze camper en stootte mijn hoofd.
‘Nou
maar rustig aan’, zei Marijke, ‘ga maar even naar buiten afkoelen’.
I
k ga naar buiten, kijk om me heen, maar de rust
is ver te zoeken. Ik kan het wel uitschreeuwen, wat een klojo’s, in welk land
leven we eigenlijk. Zal ik zelf Henk Krol bellen, want Wilders is toch wel
ouder dan 50? Ik ga zwemmen, besluit ik, ik moet afkoelen. Meteen loop ik naar
de receptioniste en koop voor drie euro zo’n lullige badmuts, donkerblauw met
een brede witte streep. Ik spring in het water en zie dat er al twee wat oudere
dames hun baantjes spreid-sluitend aan het trekken zijn. Ik spreid-sluit me aan
en langzaam keert de rust terug. Maar daar komt die met die dunne knokerige
armpjes en beentjes het zwembad binnen. Ze trekt die witte badmuts over haar
grijze weerbarstige haren en stopt die zichtbaar geïrriteerd onder die onwillige
badmuts. Haar hele tonronde torso stevig ingesnoerd in een degelijk donkerblauw
badpak. Alle ooit vrouwelijke rondingen zijn voorgoed verdwenen onder het
donkerblauw. Ze stapt in het water en schijnt te wachten tot ik bij haar ben.
Bits kijkt ze me aan:
‘What
are you doing here? Its ladies-day today!’. Maar ik doe net of ik
het niet hoor en trek mijn volgende baantje. Maar Misses Bouquet heeft besloten
mij behoorlijk dwars te zitten. Ze gaat hinderlijk voor me zwemmen. Ik denk,
niets laten merken, en zwem of-mijn-neus-bloedt achter haar aan. Met mijn mond
stijf dicht en de neusgaten opengesperd net boven het water zwem ik recht
vooruit. En zie die blauwe kikker spreid-sluitend voor mij uit zwemmen. Ik ruik
de irritante chloorlucht van het 29-graden warme water, en bij de volgende
spreid-sluit beweging realiseer ik me: ‘Etherische
olie . . . ? Potverdomme ik ruik . . .’.
En badend van het zweet word ik wakker, het hart
klopt me in de keel. Als Marijke ’s morgens vraagt: ‘Nog wat gedroomd vannacht’, antwoord ik: ‘Ja, maar dat is heel erg moeilijk te vertellen bij een boterhammetje
hagelslag’. En daarom heb ik het maar opgeschreven, hebben jullie er ook
nog wat aan.
vrijdag 24 februari 2017
Ik kan weer rustig plassen
Gisteravond controleerde
Marijke nog even de medicijnen, die we meegenomen hadden naar Spanje. Meteen
werd ook een nieuw stripje Tamsulosine voor mij uit de voorraad gehaald. Dat
zijn mijn broodnodige capsules voor de prostaat. Het wordt even stil en even
later hoor ik Marijke zeggen:
‘Potverdorie, zie je nu wel, ik moet niet meer naar jou luisteren. Ik had toch die nieuwe capsules voor jou gewoon moeten bestellen’.
‘Hoezo, er waren toch nog genoeg van die dingen tot 11 april hadden we uitgeteld, en dan zijn we al lang thuis’, antwoord ik. Het is weer even stil, er wordt nog eens geteld. Ik hoor een teleurgestelde zucht en een ontladende vloek:
‘Potverdorie, ik wist het wel, we hadden gewoon nieuwe capsules voor jou moeten bestellen bij de huisarts. Ik luister niet meer naar jou.’
Het kan wel zijn, maar toen we ze thuis geteld hadden, kwamen we toch echt uit op 11 april’.
‘Dat is niet waar, en nu hebben we een probleem, want hierna heb je er nog maar 20. En dus komen we tekort’.
‘Potverdorie, zie je nu wel, ik moet niet meer naar jou luisteren. Ik had toch die nieuwe capsules voor jou gewoon moeten bestellen’.
‘Hoezo, er waren toch nog genoeg van die dingen tot 11 april hadden we uitgeteld, en dan zijn we al lang thuis’, antwoord ik. Het is weer even stil, er wordt nog eens geteld. Ik hoor een teleurgestelde zucht en een ontladende vloek:
‘Potverdorie, ik wist het wel, we hadden gewoon nieuwe capsules voor jou moeten bestellen bij de huisarts. Ik luister niet meer naar jou.’
Het kan wel zijn, maar toen we ze thuis geteld hadden, kwamen we toch echt uit op 11 april’.
‘Dat is niet waar, en nu hebben we een probleem, want hierna heb je er nog maar 20. En dus komen we tekort’.
Ik dacht, laat ik deze
discussie niet verder voeren, dat lost toch niets op. En ik zal die rotcapsules
sowieso toch moeten hebben, want mijn lotgenoten-op-leeftijd weten wat het
betekent om zonder-te-zitten. Die kleine Tamsulosine-capsules zorgen er
voortreffelijk voor dat onze prostaat ontspannen blijft, zodat we tot in lengte
der dagen redelijk kunnen blijven piesen. Het is natuurlijk niet meer zoals het
vroeger was, maar we redden ons ermee. En ik weet het zeker, als ik die dingen
een paar dagen niet inneem ontstaan er onvermijdelijke problemen. Die
protesterende prostaat knijpt dicht, en kruipt in zijn schulp met alle ellende
van dien. Heel vaak moeten plassen, niet je blaas leeg kunnen plassen, altijd
het gevoel hebben dat je moet en dan dat vervelende extra urineverlies. Wat een
gedoe, dat moeten we echt niet hebben.
‘En nu’, zegt Marijke met volle overtuiging, ’nu heb je echt een probleem!’. Maar ik dacht hier ga ik niet verder op in. Ik zal toch op een of andere manier aan die dingen moeten komen. Het makkelijkste alternatief is simpelweg met een leeg doosje en mijn Europese zorgpasje naar de eerste de beste apotheek. En dan maar op hoop van zegen kijken of ik een vol doosje kan scoren.
‘Dat gaat niet werken, dat lukt je nooit, die krijg je niet zomaar zonder recept’, hoor ik Marijke denken. Dus overdenk ik alvast de volgende stap, als ik ze niet krijg bij de Farmácia (apotheek). Dan vraag ik wel of ze me naar een huisarts in Cambrils kunnen verwijzen. En nou ja, als zelfs dat niet werkt, dan bel ik in-het-uiterste-geval op naar onze eigen huisarts in Baarlo. Moet die me maar een recept doorsturen met de mail, doet ze vast wel.
‘En nu’, zegt Marijke met volle overtuiging, ’nu heb je echt een probleem!’. Maar ik dacht hier ga ik niet verder op in. Ik zal toch op een of andere manier aan die dingen moeten komen. Het makkelijkste alternatief is simpelweg met een leeg doosje en mijn Europese zorgpasje naar de eerste de beste apotheek. En dan maar op hoop van zegen kijken of ik een vol doosje kan scoren.
‘Dat gaat niet werken, dat lukt je nooit, die krijg je niet zomaar zonder recept’, hoor ik Marijke denken. Dus overdenk ik alvast de volgende stap, als ik ze niet krijg bij de Farmácia (apotheek). Dan vraag ik wel of ze me naar een huisarts in Cambrils kunnen verwijzen. En nou ja, als zelfs dat niet werkt, dan bel ik in-het-uiterste-geval op naar onze eigen huisarts in Baarlo. Moet die me maar een recept doorsturen met de mail, doet ze vast wel.
Die avond besluit ik maar
geen extra biertje of wijntje te pakken. ‘Wat
is dat dan?’, vraagt Marijke, ‘krijgen
we niets meer te drinken vanavond?’. Maar ik denk bij mezelf, laten we maar
alvast beginnen met minder te drinken, voor het geval ik geen Tamsulosine kan
krijgen. Laat ik maar meteen beginnen met de urineproductie te temperen. Alhoewel,
ik ben ervan overtuigd en weet eigenlijk wel zeker dat het lukt. Alleen,
hoeveel moeite zal me dat uiteindelijk gaan kosten binnen al die strenge
Europese regels.
De volgende morgen zoek ik
mijn Europese zorgpas en maak het doosje leeg, met die laatste 20 capsules erin.
En dan met de fiets naar Cambrils, een werkelijk schitterend slingerend
fietspad langs het strand tussen de wuivende palmbomen door. Een ouder echtpaar
laat hun minuscule hondje uit en een Spaanse jongeman met van die dopjes in de
oren maakt een duurloopje. En de blauwe Middellandse zee kabbelt rustig
plas-opwekkend. We stoppen bij het knipperende groene kruis van de Farmácia aan
de mondaine boulevard, we zetten onze fietsen voor de deur en ik haal mijn
zorgpas en lege doosje een beetje nerveus tevoorschijn.
‘Olá, buenas dias’, zeg ik tegen de dame met witte stofjas achter de balie.
‘Buenas señores’, antwoordt de vriendelijke dame naar ons.
‘Tiène usted una paqueta de Tamsulosine’, vraag ik in mijn beste Spaans en onderstreep dat wat overdreven door mijn zorgpasje en het lege doosje naar voren te schuiven. Ze glimlacht innemend naar me, en ik lees haar gedachte: ‘Alweer zo’n ouwe zak die moeite heeft met plassen’. Ze schuift me het zorgpasje weer toe en heupwiegt als een Spaanse señorita weg met mijn lege doosje. En verdomd, even later legt ze een nieuw Spaans doosje met 30 capsules Tamsulosine voor me op de toonbank. Achter me ontwaar ik een diepe zucht van verlichting en ik zeg heel blij: ‘Gracias señora’. ‘De nada’, zegt de vriendelijke dame en loopt naar de kassa. Mijn Spaans blijkt in één klap uitgeput en een beetje vragend steek ik mijn betaalpasje omhoog en ze zegt weer ‘si si señor. . . ‘.
‘Olá, buenas dias’, zeg ik tegen de dame met witte stofjas achter de balie.
‘Buenas señores’, antwoordt de vriendelijke dame naar ons.
‘Tiène usted una paqueta de Tamsulosine’, vraag ik in mijn beste Spaans en onderstreep dat wat overdreven door mijn zorgpasje en het lege doosje naar voren te schuiven. Ze glimlacht innemend naar me, en ik lees haar gedachte: ‘Alweer zo’n ouwe zak die moeite heeft met plassen’. Ze schuift me het zorgpasje weer toe en heupwiegt als een Spaanse señorita weg met mijn lege doosje. En verdomd, even later legt ze een nieuw Spaans doosje met 30 capsules Tamsulosine voor me op de toonbank. Achter me ontwaar ik een diepe zucht van verlichting en ik zeg heel blij: ‘Gracias señora’. ‘De nada’, zegt de vriendelijke dame en loopt naar de kassa. Mijn Spaans blijkt in één klap uitgeput en een beetje vragend steek ik mijn betaalpasje omhoog en ze zegt weer ‘si si señor. . . ‘.
‘Oh’, zegt
Marijke, ‘dan kunnen we gelijk een paar
doosjes 1 grams-Paracetamol vragen, want die krijg je bij ons ook niet zomaar’.
En even later lopen we allebei apetrots naar buiten met een blanco wit papieren zakje. Met daarin twee doosjes 1-grams Paracetamol en één doosje 0,4-grams Tamsulosine. ‘Dat probleem is ook weer opgelost’, hoor ik Marijke opgelucht zeggen. En zo blijkt dat we in Spanje, in onze gezamenlijke maar oh-zo-verdeelde Europese Unie, compleet anders dan in Nederland, héél eenvoudig en vrijelijk aan onze medicijnen kunnen komen.Daar bovenop hadden we bij ons in Baarlo ook-nog-eens een half consult, die belachelijke administratiekosten voor de apotheek én de capsules zelf uit ons alsmaar oplopend eigen risico moeten betalen. Hier in Spanje krijg ik ohne-weiteres dat doosje met 30 capsules Tamsulosine rechtstreeks bij de Farmácia.
‘Enne’, vroeg Marijke nieuwsgierig onderweg, ‘wat moest je betalen. Viel het een beetje mee?’. Ik had natuurlijk van tevoren op internet opgezocht wat die capsules bij ons hadden gekost.
‘Nou, je gelooft het echt niet. Ze zijn zelfs nog goedkoper dan alleen al die administratiekosten van de Kringapotheek in Baarlo’.
En even later lopen we allebei apetrots naar buiten met een blanco wit papieren zakje. Met daarin twee doosjes 1-grams Paracetamol en één doosje 0,4-grams Tamsulosine. ‘Dat probleem is ook weer opgelost’, hoor ik Marijke opgelucht zeggen. En zo blijkt dat we in Spanje, in onze gezamenlijke maar oh-zo-verdeelde Europese Unie, compleet anders dan in Nederland, héél eenvoudig en vrijelijk aan onze medicijnen kunnen komen.Daar bovenop hadden we bij ons in Baarlo ook-nog-eens een half consult, die belachelijke administratiekosten voor de apotheek én de capsules zelf uit ons alsmaar oplopend eigen risico moeten betalen. Hier in Spanje krijg ik ohne-weiteres dat doosje met 30 capsules Tamsulosine rechtstreeks bij de Farmácia.
‘Enne’, vroeg Marijke nieuwsgierig onderweg, ‘wat moest je betalen. Viel het een beetje mee?’. Ik had natuurlijk van tevoren op internet opgezocht wat die capsules bij ons hadden gekost.
‘Nou, je gelooft het echt niet. Ze zijn zelfs nog goedkoper dan alleen al die administratiekosten van de Kringapotheek in Baarlo’.
Zo word je weer eens 1500km
van huis keihard met de neus op de feiten gedrukt. Hoe wij in Nederland de
zorgkosten alsmaar onnodig opdrijven. Het kan blijkbaar ook anders, en maar de
schuld geven aan Brussel. Nee nee!
Viva España . . . , het
kan dus blijkbaar anders Markje.
Daarom wilde ik deze blog even met jullie delen!
Daarom wilde ik deze blog even met jullie delen!
vrijdag 10 februari 2017
Teambuilding in de Ardennen
Het is 1985, en het was in
die tijd behoorlijk ‘in’,
teambuilding met je eigen afdeling. Er was ook al een paar keer bij ons op
kantoor serieus over gesproken, want een aanleiding was er overduidelijk. We hadden
een nieuwe baas en onze groep was met een paar jonge honden uitgebreid. ‘Ingenieur’ Maarten, de jongste van het
stel, wilde wel een survivaltocht uitzetten in de Ardennen. Onze nieuwe baas, ‘Doctorandus’ Oh-Jee, was meteen
enthousiast, maar dan moest het wel echt een beetje pittig worden. We moesten
dan wel onszelf confronterend tegenkomen en als groep naar elkaar toegroeien.
Hij had immers ook ‘op-niveau’ hockey
gespeeld, maar dat was aan zijn modderfiguur te zien al een heel tijdje
geleden. Maar Bert en ik, de twee oudsten van het stel, waren niet erg onder de
indruk, we zouden wel zien. Wij laten ons niet kennen. Het plan was om twee
dagen naar het hartje van de Ardennen te gaan, tentje, slaapzak en droge
spullen meenemen! Bijna iedereen durfde mee, we waren met z’n achten, zelfs één
van onze drie dames waagde het erop. Heel dapper Dian.We hadden afgesproken om zeven uur bij het station in Venlo, toch wel apart om iedereen op die manier gewoon in zijn vrijetijdskleding te zien. Lekker nonchalant, rugzakje slordig op de grond tegen de meer-of-minder ervaren bergschoentjes gegooid. Alleen Oh-Jee laat op zich wachten. Daar komt ie al aan, hij was met de trein gekomen uit Eindhoven. Bert stoot me aan en zegt: ‘Hou je mond Jan, jouw commentaar kan ik nu even missen’. Dus besluit ik maar gewoon op te schrijven wat ik toen dacht. Oh-Jee is een forse grote man, hij stapte resoluut op ons af, maar voor zijn jonge leeftijd toch wel echt te dik. Hij leek eigenlijk sprekend op Billie Turf, maar dan in lompen gehuld. Een versleten fleece-truitje boven een vaal gewassen ooit zwarte, en iets te ruime, hockeybroek. Met daaronder een paar afgetrapte hoge linnen sportschoenen met grijze wollen sokjes. Een te leeg legergroen rugzakje iets té joviaal over de linkerschouder gedrapeerd. Hij loopt zonder ons gedag te zeggen voorbij, rechtstreeks door naar Maarten: ‘Alles onder controle? Wat mij betreft kunnen we!’. Oh-Jee is een intelligente jongeman, boordevol gestouwd met theorie, maar duidelijk de weg kwijt naar simpele praktische uitvoeringen. Hij wil altijd gelijk hebben, en dan heeft ie het met ons natuurlijk héél slecht getroffen. Maar hij pikt dat nooit, wil altijd gelijk hebben, en met toenemend luider volume en opklimmende toonhoogte blijft hij zichzelf net zolang herhalen, totdat iedereen zwijgt en denkt ‘het-zal-wel’. Hij is daarnaast ook vrij arrogant, sociaal een beetje onbenullig en kleurt vrij snel rood in vrouwelijk gezelschap. In zijn schaarse vrije tijd is hij fervent aanhanger van het CDA. Maar zeker geen sprekend voorbeeld van een hoeksteen-van-de-samenleving. Nee, eerder een onbehouwen olifant in die bekende porseleinkast.
We gaan op weg met drie auto’s, het onbekende tegemoet. Twee uur later zie ik ons al vijf puptentjes opzetten in een natte wei, langs een snelstromend riviertje in die woeste Ardennen. Het is begin voorjaar, de gele bloempjes bloeien weelderig en de vogeltjes kwetteren naar hartelust. ‘Zijn jullie er klaar voor?’, roept Maarten en die bolle Oh-Jee staat trots langs hem te glimmen. We gaan op pad, toch wel een beetje nerveus besluiten Bert en ik een plaatsje achterin de groep op te zoeken. Vrolijk keuvelend lopen we door het ontluikende groen langs de woest stromende beek. Het gaat goed totdat Maarten rechtsaf slaat, er moet strak omhoog geklommen worden. Het begaanbare pad verandert in een glibberig steile berghelling die we slechts zig-zag kunnen nemen. Al snel halen Bert en ik de kreunende Oh-Jee in. Bovenop de top zegt Maarten ‘even wachten op de rest’. Iedereen is er al, behalve Oh-Jee, die puffend en met twee handen op twee knieën komt aangestrompeld. ‘Okay, we kunnen weer’, en we vervolgen onze weg, die allang geen weg meer genoemd mag worden, slingerend bergaf. Plotseling wijst Maarten naar links, we moeten weer klimmen. Voor het eerst in mijn leven hoor ik een fervent CDA-er hartgrondig vloeken. Maar Bert en ik hebben er geen moeite mee, sterker nog, we raken steeds meer in ons element. Deze berg is nog wat hoger dan de vorige en boven gekomen gaan we even op een stapel gezaagde bomen zitten. Het duurt dit keer wat langer, maar daar komt onze kamerolifant wat ongegeneerd wijdbeens aanstrompelen. Maarten zegt weer: ‘Okay, we zijn weer compleet’, en wil opstaan. ‘Dit is niet eerlijk potverdomme’, hijgt Oh-Jee en ploft met zijn dikke reet op een zielige boomstam. ‘Jullie kunnen steeds uitrusten, en als ik boven kom vertrekken jullie alweer. Ik wil ook even uitrusten potdomme!’. ‘Dat wordt nog wat, Jan’, zegt Bert en ik zie dat Piet zijn eerste foto’s maakt, hij heeft er tenslotte alle tijd voor. Even later kunnen we weer, en Maarten besluit in de buurt van Oh-Jee te blijven. We stoppen bovenaan een steile richel, met voor ons een afschrikwekkend ravijn. ‘We gaan abseilen’, zegt Bert. ‘Waarmee? We hebben geen touwen mee! En zeker geen stoeltjeslift voor die bolle’, antwoord ik.
‘Okay’, zegt
Maarten, ‘we gaan hier steil naar
beneden. Dat doen we met ons gezicht náár, en onze buik tégen de berg aan. Er
is genoeg houvast aan de kleine boompjes en de vele richels, maar doe het wel
behoedzaam’. Ik denk bij mezelf, doe maar rustig aan, maar Piet heeft er duidelijk
zin in, die is al een eind op weg. Hij wil foto’s maken van onze halsbrekende
toeren. Bert en ik blijven bij elkaar en dalen rustig af, al doende blijkt het
eigenlijk een makkie. Plotseling schrikken we van brekende takken en een zwaar schurend
geluid. Ik kijk opzij en zie Oh-Jee op z’n kont levensgevaarlijk tussen ons door naar beneden schuiven, daarmee
elke instructie in de wind slaand. In gedachten zie ik ons al van twee
boomstammetjes en dunne takjes een draagbaar in elkaar knutselen om Billie Turf
straks naar de ziekenboeg af te voeren. Oh-Jee schuift helemaal door naar beneden en blijft daar
akelig doodstil zitten. Van bovenaf gezien lijkt het net zo’n aangekleed Boeddha-beeld.
Als we beneden komen zit hij er nog steeds, totaal verslagen en tot op het bot
vernederd. ‘Wat een afgang’, zegt
Bert. ‘Hoe bedoel je dat?’, probeer
ik. ‘Nou Jan, vaak kunnen woorden meerdere
betekenissen hebben, daar hoef je echt geen doctorandus voor te zijn!’,
glimlacht Bert. Piet stoot me aan en zegt: ‘Die
heb ik erop staan!’, en wijst trots op zijn cameraatje. Het duurt wel even voordat we
Oh-Jee weer rechtop hebben. ‘Het wordt nu
wat makkelijker’, troost Maarten, en verdwijnt weer tussen die vervelende
braamstruiken. Oh-Jee volgt strompelend rechtdoor zonder enige poging die scherpe
dorens te ontwijken. We komen bij een woest stromend bergriviertje, weliswaar
niet diep, maar wel erg breed en bezaaid met van die ronde dikke klote
kiezelstenen. Maarten stelt voor dat we onze schoenen uitdoen, en met geknoopte
veters om onze nek hangen. Dan mekaar een hand geven en voorzichtig in een menselijk
lint naar de overkant balanceren. ‘Eindelijk
teambuilding’, hoor ik iemand roepen. Iedereen reageert, behalve Oh-Jee,
die het verrekt om zijn linnen schoentjes uit te doen en die toegestoken hand
te accepteren. Nou, het water is verrekkes koud en die rotsteentjes erg
pijnlijk en lastig om je voet steeds te verplaatsen. Maar Oh-Jee ploft, sopt en
balanceert als een overmaatse waterbuffel, met de armen wijd gespreid, plompverloren
door het koude water. We houden ons hart vast! Alhoewel, ik verdenk de
meerderheid ervan, dat ze hopen dat het goed fout loopt. Met alleen natte schoenen haalt hij de overkant.
Maarten had werkelijk een
schitterende gevarieerde tocht uitgezet. Alleen voor onze Oh-Jee(zus) bleek het
een ware kruisweg, onze overtuigde CDA-er viel meerdere keren genadeloos onder
het kruis. Het liep al tegen de avond toen we op de natuurcamping aankwamen.
Maarten had met de beheerder geregeld dat het vuur al brandde en het Belgisch bier
koud stond. Maar niet voor Oh-Jee, die liep linea recta door naar zijn tent. ‘Ik denk droge schoenen aandoen’, merkte
Maarten droogjes op. Maar bij het tweede biertje begonnen we ons zorgen te
maken en gingen poolshoogte nemen. Het geluid wees ons onmiskenbaar de goede
weg. Daar lag ie, plat voorover op zijn buik luidruchtig te snurken. Voor het
eerst durfden en konden we hem goed bekijken. En dat deden we dan ook rustig van alle kanten. Ocherm, zijn armen en benen
helemaal bebloed door de talloze schrammen. Zijn broek was gescheurd en smerig
van zijn veel te roekeloze afdaling. Nu lag hij daar, zijn armen en benen gespreid, zijn dikke
eigenwijze kop een beetje schuin naar links. Zonder wat te zeggen lieten we hem
zo liggen en keerden zonder onze afdelingschef terug naar het behaaglijke
houtvuur en het welverdiende biertje. Teambuilding zonder chef is toch wel
apart, en het werd nog laat en erg gezellig.
De volgende morgen aan het
ontbijt was het angstig stil. Oh-Jee smeerde zijn zoveelste broodje en zat met zijn
rug naar ons toegekeerd alleen met Maarten aan een tafeltje. Hij had wel een
droog vaalwit T-shirt aan en droeg gewone schoenen. Maar nog wel diezelfde zwaar
mishandelde en toegetakelde broek. Maarten nam het woord: ‘Het programma is iets aangepast, we gaan zo meteen kajakken. We worden
zo meteen een eind stroomopwaarts afgezet, en dan komen we hier hopelijk weer
terug’, lachte hij een beetje zenuwachtig. ‘Die heeft in het kader van democratische teambuilding een dictatoriaal
bevel opgelegd gekregen’, mompelde Dian, onze enige vrouwelijke deelneemster.
Even later werden de
smalle wiebelige kekgele kajaks verdeeld. Oh-Jee drong duidelijk voor, hij
wilde als eerste, en wij vonden dat prima. ‘Er
kan niks fout gaan, de kajaks weten de weg’, riep Maarten, ‘halverwege stoppen we, maar dat geef ik wel
aan!’. En zo zakten we het wilde riviertje af, het ging eigenlijk wie-am-schnürchen.
De kajak zocht zelf de meest logische weg, we hoefden alleen met de peddels een
beetje te sturen en het evenwicht te bewaren. En onze Oh-Jee peddelde resoluut
voor ons uit, af en toe nerveus omkijkend, bang dat we hem zouden inhalen. Maar
we lieten hem, het kajakken verveelde snel, totdat bleek dat je met de peddels
ook mekaar kon volspetteren en omduwen. En toen werd het toch weer leuk, maar
het kon nog leuker. Ergens halverwege was de geplande stop en Maarten maakte
tempo om bij Oh-Jee te komen. Maarten wees met zijn peddel naar een klein
zandstrandje, ten teken dat we daar moesten aanleggen. Oh-Jee reageerde meteen en stuurde de punt van
zijn kajak resoluut muurvast in het gewillige zand. Maar toen sloeg de paniek
toe, want de achterkant van die kajak miste nu enig houvast. En het wild stromende
water dat genadeloos zijn weg wilde vervolgen, duwde tegen het gewillige achterkantje.
Ooh jeej, de kajak maakte een halve slag en sloeg pardoes om. Ook Oh-Jee maakte
een halve slag en viel pardoes in het ijskoude water. Alleen zijn dikke kop
bleef boven water, terwijl Maarten nog net zijn kajak kon behoeden voor een
Oh-Jee-loze kajak-abortus. En daar kwam zijn hele afdeling rustig afzakken naar dat
noodlottige zandstrandje. Ze zagen allemaal dat hun afdelingshoofd zielig met
zijn dikke kop boven het snelstromende water uit stak. Ik had het niet meer,
met moeite door het ingehouden lachen kon ik de kajak en mezelf nog net op tijd
op het droge krijgen. Maar toen was ik ook niet meer te houden. Ik kroop
minutenlang over de grond van het lachen. Toen ik weer tot mezelf kwam zag ik
nog minstens vijf man niet meer bijkomen van het gieren en brullen. Op een
aangespoelde boomstronk zat Maarten troostvol naast een nederig hoopje Oh-Jee.
Het eens zo woeste bergwater sijpelde nu tergend langzaam uit dat héél lang
geworden vaalwitte T-shirt. Het scheen zielig roze door, zoals je dat wel eens
ziet bij een wet-T-shirt-competition. Ik kon er echt niets aan doen, voor de
tweede keer moest ik proesten van het lachen. ‘Nou Jan, daar gaat je goeie beoordelingsgesprek naar de klote’,
mompelde Bert.
’s Avonds gingen we weer
naar huis, maar onderweg zouden we wel nog een hapje eten. In een beregezellig
Belgisch restaurantje zaten we lekker te eten. ‘Nergens over praten’, hadden we elkaar al toegefluisterd, ‘net doen of onze neus bloedt’. Maarten
had voor dit speciale Teambuildings-weekendje helemaal zelf heel speciale
diploma’s gemaakt. Mimi, die er zelf niet bij was, had ze stijlvol gekalligrafeerd.
Prachtig, één voor één moesten we naar voren komen om ons welverdiende diploma
in ontvangst te nemen. En ja, hij kon natuurlijk niet anders, als allerlaatste
kreeg ook Oh-Jee zijn zuurverdiende bewijs van onvermogen. En zoals dat bij een
chef van zijn kaliber hoort, nam hij ook het laatste woord. Na iedere halve zin
kuchte hij nerveus, en keek wat schichtig in ‘t rond, zoekend naar iets wat er niet was.
Hij bedankte Maarten voor de mooie tocht en de keurige organisatie. Enne ja,
hijzelf was dit weekend niet in zo’n goede doen geweest. Het was niet geworden
wat hij zelf voor ogen had gehad. Hij eindigde met nederig gebogen hoofd: ‘Maar ik wil jullie wel uitdrukkelijk vragen,
dat we sommige voorvallen toch wel binnen onze eigen groep kunnen houden’. ‘Jaja, sommige wel’, mompelde Piet, ‘maar niet alle’. En hij streek daarbij bijna
verliefd over zijn camera, die een voorkeurspositie op zijn schoot had
ingenomen.
Die maandagmorgen kwam ik wat
later op het werk, en liep de kamer van onze secretaresse Mimi binnen. ‘Prachtige diploma’s had je gemaakt Mimi,
mooi gedaan’. Maar ze hield haar hand verschrikt voor haar mond en mompelde ‘wat erg hė? Oohh, wat verschrikkelijk erg hè?'. Maar ik dacht ‘mijn beoordelingsgesprek is sowieso al naar
de klote’, ik houd verder mijn mond.
Heel voorzichtig schoof zij
de bovenste la van haar bureau open en ik zag een prachtige foto. Onze niet meer zo gerespecteerde Oh-Jee stortte in
een allesvernietigende ruggelingse positie van een bekende berg naar beneden. 'Jaja, je hebt wat gemist, teambuilding in de Ardennen!'.
zaterdag 4 februari 2017
Hotpants
Sommigen vinden het gek, maar zo gauw als we weg zijn met de
camper, overvalt me die dringende behoefte, om die korte broek aan te doen. Ik
draag sowieso zomer-en-winter altijd van die flinterdunne lange katoenen broeken.
Maar eenmaal buiten het gezichtsveld van ons oerdegelijk sociaal gecontroleerde
Noord-Limburg, gaat die lange broek uit en krijgen mijn benen de vrijheid. Op de campings waar we wat langer staan,
kennen ze me steevast als ‘die-man-met-die-korte-broek’.
En met ingehouden bescheidenheid durf ik te stellen dat die pijp-loze variant
me best staat. Ik hoor die twee vrouwen van mijn sportmaten nog tegen Marijke
zeggen: ‘We hebben ze even beoordeeld
Marijke, maar jouw Jan heeft de mooiste benen’. Niet dat ik daarmee naast
mijn schoenen ga lopen, nee hoor, ik vind blote benen gewoon prettig. Het laat
me weer die ondeugende jongen voelen, die na schooltijd die ouwe korte broek aanschoot
om lekker buiten in het zand te gaan rollebollen.
Nu staan we alweer bijna een week op camping Joan in Cambrils
en verdomd, als ik om me heen kijk ben ik ben weer de enige met een korte
broek. Alle overige mannen dragen wel van die nonchalante vrijetijdskleding, en
de meesten bedekken hun benen met het bekende spijkerstof. In alle mogelijke maten
en blauw-schakeringen, alleen die variant met die kapotte knieën zie je hier
niet. Want de gemiddelde leeftijd ligt duidelijk boven de 65, en de
bijbehorende dames houden overduidelijk nog van breien, haken en stoppen.
Tussen ons perceeltje en het toiletgebouw staan twee Nederlandse campers,
keurig op bescheiden afstand achter elkaar. De vrouwelijke bewoonsters zijn
continu druk bezig en hun mannen zitten de hele dag nietsdoend voor hun
tijdelijke behuizingen. Enkele keren per dag staan die mannen over het heggetje,
dat hun perceeltjes scheidt, met elkaar te kletsen. Zoals ook huisvrouwen dat
vroeger deden. Ze hebben veel lol samen, dat is goed te horen. De een heeft ‘n
beetje gezet bovenlijf, met daarboven een markante eigenwijs asgrijze
krullenkop. Hij staat daar met z’n handen in z’n zakken en heeft een
aanstekelijke harde lach. Als hij lacht, buigt hij voorover en draait daarbij een
kwartslag, wel grappig. De ander heeft een opgeblazen dikke kale kop. Hij
draagt een lichtgrijze houthakkersblouse in een gigantisch grote spijkerbroek.
Die wordt op zijn plaats gehouden door grijsblauwe brede bretels, vastgezet aan
die onmetelijke broek met twee oenige leren bandjes. Daar onderuit komen twee echt
té licht groene Clogs-schoenen. De man is wel erg dik, het lijkt wel of hij een
binnenband van een vrachtwagen onder zijn broek en shirt verbergt. Maar hij is
blijkbaar wel de meest grappige en welbespraakte van de twee.
Iedereen loopt spitsroede langs die twee grapjassen, op hun
weg naar dat onvermijdelijke toiletgebouw. Een Engels dametje in roze badjas
passeert, een lichtblauwe handdoek nonchalant over de schoudertjes gedrapeerd.
Ze draagt van die stoffen schoentjes met van die witte pomponnetjes, die
eigenwijs meehuppelen. Ik zie die kale dikke met zijn hand aan de mond iets fluisteren
in de richting van die krullenkop. Die barst uit in een schaterlach en draait zich
twee keer een kwart slag in de rondte. Het vrouwtje maakt van schrik een extra
huppeltje, en ik moet ineens denken aan ongewenste intimiteiten. Ik weet niet
waarom. Even later moet ik zelf naar het toiletgebouw, en denk laat ik ze maar
voor zijn en zeg wat overdreven: ‘Een
hele goedemorgen heren!’. ‘Mogge’, hoor ik even later in koor achter me en
ik voel dat ze ook mij nakijken. Als ik terugkom en opnieuw langs de twee bejaarde
schoffies paradeer, wijst die dikke in de richting van mijn korte broek en zegt:
‘Zit die wel lekker, die hotpants . . . ?’.
En die krullenbol valt spontaan voorover in een deuk, en krijst het uit over de
hele camping. Maar die mij een beetje kennen, weten dat ik het wel kan
waarderen als ze over me lachen. Want ze kunnen beter om je lachen als om je
huilen, is één van mijn levensmotto’s. Helaas voor die dikke, ben ik ook niet op
mijn mondje gevallen. Dus ik houd in en sluit me met een glimlach aan bij de
twee over-de-heg-vriendjes: ‘Nou, als je
me dat toch vraagt, dan zal ik je dat vertellen! Mijn vrouw vind het niet
altijd en overal gepast als ik zomaar in een korte broek loop! Maar laatst zei
ze toch wel tegen me: ik zie je liever met een hotpens dan met een vetpens!’.
Het was eruit, voordat ik de feitelijke diepgang kon overzien. Het kwaad was al
geschied, want die krullenkop sperde zijn mond open, en viel pardoes voorover
in het zielige hegje. De man kwam niet meer bij, greep zich met beide handen in
zijn kruis en stikte bijna van het ingehouden lachen. Alleen die dikke
verstijfde als een zoutpilaar, zijn laadklep viel weliswaar ook open, en ik zag
warempel een druppeltje vocht uit zijn mondhoekje komen. Hij draaide zich compleet
verslagen om en verdween moeizaam in zijn camper. Zijn buurman steunde intussen
met beide handen op zijn knieën, nog steeds brullend van het lachen, en kreunde:
‘Ga je ook je hotpens aandoen buurman?’.
Ikzelf overzag even het slagveld, dat ik had aangericht, en liep met enige trots-doorspekte
spijt door naar ons eigen perceeltje.
’s Middags ging ik trainen op het mooie witte strand van
Cambrils, de palmen wuifden me al tegemoet. Met een nog kleiner rood broekje
liep ik die 50 meter verderop naar mijn uitnodigende werpplek. Het werpgewicht
in de ene hand, en de gele emmer met kogel, discussen en werpkogeltjes in de
andere. ‘Hallo’, zei ik tegen die
dikke die weer voor zijn camper zat, maar er kwam niets terug. Hij zat wat te
spelen en te draaien met een té grote spiegelreflexcamera op zijn schoot. Toen
ik even later op het strand bezig was, zag ik hem met de fiets van de camping
komen. Ik dacht nog, die gaat ook wat aan de lijn doen, maar hij parkeerde de
fiets vlakbij mijn werpplek en ging wijdbeens op de bank zitten. Hij volgde
enige tijd mijn verrichtingen. Vervolgens haalde hij die grote camera uit zijn
fietstas en begon foto’s van mij te maken. En ik bleef fanatiek al dat werp-ijzer
weggooien in het rulle zand, om het telkens weer moeizaam op te moeten halen.
Toen ik bijna klaar was met mijn geplande training, bedacht ik toch dat ik iets
had goed te maken met die dikke. Dus ik pakte m’n spullen bij elkaar en ging
naast hem zitten op die bank.
‘Hèhè,
dat hebben we weer gehad!’, begon ik het gesprek, maar de dikke zweeg.
Quasi ongeïnteresseerd bekeek hij de foto’s op zijn camera. ‘Ja, ik moet zo af en toe wat doen’,
vervolgde ik, ‘de hele dag op mijn kont voor
die camper zitten is niets voor mij’. De dikke man zuchtte: ‘Ja ja, ik zou ook wat meer moeten bewegen.
Was ook van plan om wat te gaan fietsen, en toen zag ik jou. Alleen al van het
kijken ernaar word ik al moe’, verzuchtte hij. ‘Nou, je had best mogen meedoen, lekker door het losse zand struinen en
een stuk agressie kwijt raken. Werpen verschilt maar één letter van werken, en
dat moeten we toch zo ver mogelijk van ons afgooien, toch?’. ‘Ik heb trouwens
een paar mooie foto’s van je gemaakt’, zei de man, blijkbaar om op een
ander onderwerp over te schakelen. ‘Staat
m’n hotpants er ook goed op?’, probeerde ik. Maar de man zweeg, blijkbaar
had ik hem vanmorgen te diep gekrenkt. ‘Je
hebt toch geen foto’s van mijn schoenen gemaakt, hoop ik?’, zei ik weer tegen
de dikke. Die vloog rechtop en trok de camera dichter naar zich toe. ‘Hoezo . . . ?’, zei hij, ‘wat bedoel je daarmee?’. ‘Nou, gewoon, ik
word gesponsord door Asics, en die hebben daarmee tevens het alleenrecht op
reclame!’. ‘Potverdomme nondedju’, zei de dikke, ‘wat een gesodemieter, dan kan ik alle foto’s wel verwijderen! Dit
lijkt wel een bijzonder enge grap’. ‘Ja ja’, zeg ik, ‘maar wie was daar vanmorgen mee begonnen?’. De man keek me aan, slaakte
een diepe zucht en sloeg zijn dikke arm om me heen.
donderdag 2 februari 2017
Stress op de Route du Soleil
Het is weer zover, de gepensioneerden trekken naar het zuiden.
Ook wij gaan ons in die grijze golf storten die midden in de grillig koude winter
op gang komt richting Spanje. De caravans en campers worden volgestouwd met
aardappelen en gehaktballen voor onderweg. Ook die winterjas nemen we toch maar
mee, want je weet maar nooit. Zo wordt ook onze camper half januari uit zijn winterslaap
gehaald en naar onze camperboer Mathias gebracht voor een grondige inspectie.
Potverdomme, de oliedrukslangen moeten vervangen worden en er komt een nieuwe
antenne op het dak om Astra-3 te kunnen krijgen. Ja ja, CanalDigitaal moest zo
nodig haar zenders verhuizen van die comfortabele Astra-1 naar die oh zo
moeilijk te krijgen Astra-3. Ja ja, niet elke verandering is een verbetering,
maar hiermee slaat CanalDigitaal compleet de plank mis. Gegarandeerd is dat
voor hun een stuk goedkoper. Maar alle eindgebruikers moeten nieuwe
HD-receivers aanschaffen en van die kolossale schotels van minimaal 80
centimeter op het bescheiden dakje monteren. Maar ja, we willen ook The Voice
niet missen, dus we investeren maar weer. ‘Goed voor de economie’, zal die
gladjanus Rutte uitkramen. En de oudjes zijn weer de kinderen van de rekening,
want de nota van de camperboer valt vies tegen.
‘Van mij
mogen we vertrekken’, zegt Marijke, ze is al dagen net als ik een
beetje nerveus. Die laatste dagen zijn altijd erg druk en stress verhogend. Overal
afscheid nemen, alle boodschappen in huis halen, de camper poetsen, volstouwen
en installeren.
‘Gaan jullie twee maanden weg?’.
‘Hebben we niks vergeten?’.
‘Is de Route du Soleil helemaal sneeuwvrij?’.
‘Het is wel nog slecht weer in Spanje!’.
‘Doe jij nog even stofzuigen?’.
‘Gaan jullie twee maanden weg?’.
‘Hebben we niks vergeten?’.
‘Is de Route du Soleil helemaal sneeuwvrij?’.
‘Het is wel nog slecht weer in Spanje!’.
‘Doe jij nog even stofzuigen?’.
Eindelijk rijden we vorige week zaterdag de straat uit op voor
die eerste 775 kilometer naar Lyon, onze eerste stop. Achter Luik ligt er al
sneeuw, en de strooiwagens rijden voor ons uit. Het begint wat te sneeuwen in
de Ardennen, potnondedju als dat maar goed gaat. Maar de weg blijft goed
berijdbaar. We zetten een muziekje op.
‘De radio
gaat niet harder, hoe kan dat?’. De schrik slaat me om het hart.
Ik had ook al gezien dat het klokje op het dashboard 10 uur fout stond. ‘Potverdomme, hij zal toch geen kortsluiting
hebben gehad?’.
‘Wie?’.
‘Mathias!’.
Nou ja dan maar André Hazes en Guus Meewis als achtergrondmuziekje. Om half vijf zijn we op de camping in Lyon, we melden ons bij de receptie, waar een Nederlandse jongen ons vriendelijk te woord staat. Hèhè, dat ontspant dan weer, maar niet voor lang. Net als we met onze papieren de camping willen oprijden, worden we brutaal ingehaald door een Nederlands VW-busje met een kolossale caravan erachter. Hij blokkeert voor iedereen de doorgang, terwijl zijn vrouw zich rustig gaat melden bij de receptie. ‘Wat een asociale klootzak’, hoor ik naast me. Ik hoor getoeter achter me, maar ik weet dat dit niet gaat helpen. Rustig afwachten wel.
‘Wie?’.
‘Mathias!’.
Nou ja dan maar André Hazes en Guus Meewis als achtergrondmuziekje. Om half vijf zijn we op de camping in Lyon, we melden ons bij de receptie, waar een Nederlandse jongen ons vriendelijk te woord staat. Hèhè, dat ontspant dan weer, maar niet voor lang. Net als we met onze papieren de camping willen oprijden, worden we brutaal ingehaald door een Nederlands VW-busje met een kolossale caravan erachter. Hij blokkeert voor iedereen de doorgang, terwijl zijn vrouw zich rustig gaat melden bij de receptie. ‘Wat een asociale klootzak’, hoor ik naast me. Ik hoor getoeter achter me, maar ik weet dat dit niet gaat helpen. Rustig afwachten wel.
Even later op het toilet staan twee Nederlandse grijskuiven
compleet langs mekaar heen te lullen. ‘Ook
op weg naar het zuiden’, vraagt de een quasi ongeïnteresseerd. ‘Ja, we gaan naar Cap Blanche’,
antwoordt de ander gretig. ‘Mooie
camping’, vervolgt de een, ‘alleen te
ver weg van het strand’. ‘Nou, nee
hoor, we staan met de luifel bijna op het strand’, zegt de ander. ‘Nou, wij moesten zeker een kilometer lopen’,
zegt de een. ‘Ja heren, met de opwarming
van de aarde stijgt de zee en komt het strand steeds dichterbij’, bemoei ik
me met de nietszeggende dialoog. De twee grijskuiven kijken me met open mond
platgeslagen aan en lopen weg.
‘Ik zal zo
meteen onze nieuwe antenne uitproberen’, zeg ik tegen Marijke, die
heerlijk ruikende goulash opwarmt en een kopje rijst in het kokende water giet.
‘Potverdomme, hij springt steeds op 4095
. . . !’. Wat ik ook probeer, die nieuwe antenne vindt alleen maar Hotbird
en de receiver springt steevast op een Arabische zender. ‘Kom maar eerst eten, dan kijken we vandaag maar geen TV’, zegt
Marijke. ‘Ik snap niet wat die Mathias gedaan
heeft, maar hier klopt geen reet van’.
Na de heerlijke goulash, een glaasje witte wijn en twee potjes
Rummikub vallen we om van de slaap. Morgen gaan we naar Le Boulou, aan de
Spaanse grens. Als ik ’s morgens wat slaapdronken de deur openmaak, staat zo’n
grijskuif me compleet over zijn toeren voor onze camper op te wachten. ‘Mijn motor slaat niet aan, maar ik weet het
zeker, het is gegarandeerd de accu. Maar als je straks even jouw draaiende
motor voor die van mij wil zetten, dan sluit ik hem even aan, en dan doet ie
het zo weer. Maar het heeft geen haast, doe maar rustig aan!’. De man
overvalt me compleet, ratelt maar door en m’n mond valt open van verbazing. Hij
laat me verdomme eigenlijk geen keuze, die zenuwpees, maar ik ben als altijd
hulpvaardig: ‘Tuurlijk, geen probleem, over
een half uurtje vertrekken we, waar sta je?’. Hij wijst naar een VW-busje
met een kolossale caravan erachter schuin tegenover en dribbelt zichtbaar zenuwachtig
weg. ‘Doe maar rustig aan!’ hoor ik
hem nog mompelen. Een half uurtje later starten we onze camper en rijden hem
voorzichtig voor dat VW-busje van onze overbuurman. Een vrouwtje, trillend van
de zenuwen, haast zich naar buiten en meldt zich aan het raam van Marijke. ‘Mijn man is naar de receptie, hij wilde
jullie niet lastig vallen!’. ‘Nou ja’, zeg ik, ‘geen probleem, maar als het de accu is, had je over een minuut kunnen
rijden, ik denk dat de ANWB er langer over doet’. De vrouw spreidt haar
armen in wanhoop ten hemel en dribbelt weer terug. En wij zoeken alweer de
Route du Soleil op.
Ergens in de buurt van Avignon stoppen we voor de koffie,
naast zo’n dikke Four-Wheel-Drive. Ik knik vriendelijk naar de man achter het
stuur. Maar die kijkt me strak en brutaal aan, en draait vervolgens zijn hoofd
de andere kant op. Hij heeft een bolle kop met van die dikke uithangende
wangen. Een randloos brilletje onder zijn blonde kuif met kaarsrechte
scheiding. ‘Het lijkt Art van der Steur
wel, die wil vast en zeker niets meer met wie-dan-ook te maken hebben!’,
zeg ik. ‘Gekkie, denk je dat echt, hij
lijkt er wel op! Had ie een Nederlands nummerbord?’, vraagt Marijke. ‘Hij draagt wel een oranje-blauwe
stropdas!’. ‘En ze eten een broodje met dik kaas erop!’.
Het blijkt erg slecht weer te zijn geweest aan de grens met
Spanje, want in Le Boulou staan de plassen water op de camping. Geen probleem,
dan gaan we op een hoger gelegen asfaltstraatje staan aan de rand van de
camping. De hele dag heb ik moeten denken aan die klote receiver, dus we gaan
het maar weer eens proberen. En ja hoor, hij vindt alleen weer die Hotbird en
hij springt weer meteen op 4095!! ‘Godnondedjuu’,
laat ik me ontvallen, ‘die receiver is
totaal ontregeld’. Marijke zit intussen buiten in het zonnetje op me te
wachten met een kopje thee. Ik besluit om dat klote-ding maar te resetten naar
de fabrieksinstellingen. Dat duurt wel een paar uur, maar dit werkt echt niet!
En buiten genieten we met opgestroopte mouwen van een heerlijk zonnetje met op
de achtergrond de adembenemende besneeuwde toppen van de Pyreneeën. En ja hoor,
’s avonds lukt het me om Astra-1 te vinden, alle zenders opnieuw in te scannen
en kunnen we op BVN het Belgische en Nederlandse nieuws volgen. En ik zit me af
te vragen ‘waarom eigenlijk die
televisie??’.
Het is maandagmorgen, onze derde en laatste reisdag. Het barst
nu van de vrachtwagens op de autobaan, met een sporadische uitzondering
allemaal met Oost-Europese bestuurders. ‘Goed
voor de economie’, hoor ik Rutte weer zemelezeiken. Het is prachtig weer, en
in T-shirt zitten we te stralen achter die grote voorruit van onze camper. Barcelona
ligt al achter ons, Cambrils is niet ver meer. Camping Joan ligt er netjes bij,
we mogen zelf een plekje uitzoeken. In al mijn blijdschap, vermengd met enige
vermoeidheid, mis ik zomaar een bord ‘verboden
in te rijden voor caravans en campers’. ‘Krakk
. . ’, hoor ik buiten. ‘Stop . . ‘,
roept Marijke. Maar het kwaad is al geschied, het beschermdopje van onze luifel
ligt zielig op de grond. Heel voorzichtig rij ik stapvoets achteruit en zoeken
we nog voorzichtiger naar een mooi plekje, het allermooiste van de hele
camping.
’s Middags vul ik de watertank en Marijke probeert het
kraantje van ons keukentje te ontluchten. ‘Er
gebeurt niks Jan’, hoor ik. ‘Potverde
. . potverde . . potvernondedjuu . . ‘, dit is echt klote. De waterpomp
doet het niet! ‘We kunnen echt niet twee
maanden zonder waterpomp’, probeert Marijke te troosten. Na een
afkoelingsperiode van zeker een uur buiten in het zonnetje, ga ik toch maar eens
de gebruikershandleiding lezen van de camper. ‘Het kan ook zijn dat de zekering kapot is’, fluister ik hoopvol.
En ja hoor, na lang zoeken blijkt dat ding doorgebrand. Maar ja, dat is geen
enkele garantie dat die waterpomp het doet. Die kan ook goed doorgebrand zijn. De
volgende morgen fietsen we naar een grote camperzaak in Cambrils voor een
nieuwe zekering en een nieuw afdekplaatje voor de luifel. Die zekering bleek
geen probleem, maar dat afdekplaatje hadden ze niet en konden ze ook niet
bestellen. Maar de man bekeek het eens goed, en gaf me een paar geweldige tips
om het zelf te repareren! Geweldige mensen die Spanjaarden! Onderweg zeg ik hoopvol
tegen Marijke: ‘als die pomp het zo
meteen doet, dan spring ik een gat in de lucht!’. ‘Nou, dat wil ik meemaken!’,
hoor ik ze naast me lachen.
En ja hoor, dat gat in de lucht kwam er! Onder een strakblauwe
hemel zitten we nu op het allermooiste plekje van Cambrils. De waterpomp doet
het, de televisie doet het, de luifel is gerepareerd, de camper is schoon gewassen
van al dat strooizout en we hebben zojuist een echt Spaans familierestaurantje
gescoord. ‘Pak maar gelijk internet voor
een maand’, zegt Marijke, ‘want hier
houden we het wel even vol’.
De stress van de Route du Soleil is verdwenen als sneeuw voor de Spaanse zon. Op zo’n 50 meter verderop horen we de golfjes van die schitterende Middellandse zee over het witte strand heen en neer rollen. De palmen wuiven in hetzelfde ritme, ik voel de ontspanning in al mijn spieren. De oogleden worden zwaar en dwingen me tot een middagdutje.
De stress van de Route du Soleil is verdwenen als sneeuw voor de Spaanse zon. Op zo’n 50 meter verderop horen we de golfjes van die schitterende Middellandse zee over het witte strand heen en neer rollen. De palmen wuiven in hetzelfde ritme, ik voel de ontspanning in al mijn spieren. De oogleden worden zwaar en dwingen me tot een middagdutje.
Abonneren op:
Posts (Atom)















