zaterdag 4 februari 2017

Hotpants


Sommigen vinden het gek, maar zo gauw als we weg zijn met de camper, overvalt me die dringende behoefte, om die korte broek aan te doen. Ik draag sowieso zomer-en-winter altijd van die flinterdunne lange katoenen broeken. Maar eenmaal buiten het gezichtsveld van ons oerdegelijk sociaal gecontroleerde Noord-Limburg, gaat die lange broek uit en krijgen mijn benen de vrijheid.  Op de campings waar we wat langer staan, kennen ze me steevast als ‘die-man-met-die-korte-broek’. En met ingehouden bescheidenheid durf ik te stellen dat die pijp-loze variant me best staat. Ik hoor die twee vrouwen van mijn sportmaten nog tegen Marijke zeggen: ‘We hebben ze even beoordeeld Marijke, maar jouw Jan heeft de mooiste benen’. Niet dat ik daarmee naast mijn schoenen ga lopen, nee hoor, ik vind blote benen gewoon prettig. Het laat me weer die ondeugende jongen voelen, die na schooltijd die ouwe korte broek aanschoot om lekker buiten in het zand te gaan rollebollen.
Nu staan we alweer bijna een week op camping Joan in Cambrils en verdomd, als ik om me heen kijk ben ik ben weer de enige met een korte broek. Alle overige mannen dragen wel van die nonchalante vrijetijdskleding, en de meesten bedekken hun benen met het bekende spijkerstof. In alle mogelijke maten en blauw-schakeringen, alleen die variant met die kapotte knieën zie je hier niet. Want de gemiddelde leeftijd ligt duidelijk boven de 65, en de bijbehorende dames houden overduidelijk nog van breien, haken en stoppen. Tussen ons perceeltje en het toiletgebouw staan twee Nederlandse campers, keurig op bescheiden afstand achter elkaar. De vrouwelijke bewoonsters zijn continu druk bezig en hun mannen zitten de hele dag nietsdoend voor hun tijdelijke behuizingen. Enkele keren per dag staan die mannen over het heggetje, dat hun perceeltjes scheidt, met elkaar te kletsen. Zoals ook huisvrouwen dat vroeger deden. Ze hebben veel lol samen, dat is goed te horen. De een heeft ‘n beetje gezet bovenlijf, met daarboven een markante eigenwijs asgrijze krullenkop. Hij staat daar met z’n handen in z’n zakken en heeft een aanstekelijke harde lach. Als hij lacht, buigt hij voorover en draait daarbij een kwartslag, wel grappig. De ander heeft een opgeblazen dikke kale kop. Hij draagt een lichtgrijze houthakkersblouse in een gigantisch grote spijkerbroek. Die wordt op zijn plaats gehouden door grijsblauwe brede bretels, vastgezet aan die onmetelijke broek met twee oenige leren bandjes. Daar onderuit komen twee echt té licht groene Clogs-schoenen. De man is wel erg dik, het lijkt wel of hij een binnenband van een vrachtwagen onder zijn broek en shirt verbergt. Maar hij is blijkbaar wel de meest grappige en welbespraakte van de twee.

Iedereen loopt spitsroede langs die twee grapjassen, op hun weg naar dat onvermijdelijke toiletgebouw. Een Engels dametje in roze badjas passeert, een lichtblauwe handdoek nonchalant over de schoudertjes gedrapeerd. Ze draagt van die stoffen schoentjes met van die witte pomponnetjes, die eigenwijs meehuppelen. Ik zie die kale dikke met zijn hand aan de mond iets fluisteren in de richting van die krullenkop. Die barst uit in een schaterlach en draait zich twee keer een kwart slag in de rondte. Het vrouwtje maakt van schrik een extra huppeltje, en ik moet ineens denken aan ongewenste intimiteiten. Ik weet niet waarom. Even later moet ik zelf naar het toiletgebouw, en denk laat ik ze maar voor zijn en zeg wat overdreven: ‘Een hele goedemorgen heren!’. ‘Mogge’, hoor ik even later in koor achter me en ik voel dat ze ook mij nakijken. Als ik terugkom en opnieuw langs de twee bejaarde schoffies paradeer, wijst die dikke in de richting van mijn korte broek en zegt: ‘Zit die wel lekker, die hotpants . . . ?’. En die krullenbol valt spontaan voorover in een deuk, en krijst het uit over de hele camping. Maar die mij een beetje kennen, weten dat ik het wel kan waarderen als ze over me lachen. Want ze kunnen beter om je lachen als om je huilen, is één van mijn levensmotto’s. Helaas voor die dikke, ben ik ook niet op mijn mondje gevallen. Dus ik houd in en sluit me met een glimlach aan bij de twee over-de-heg-vriendjes: ‘Nou, als je me dat toch vraagt, dan zal ik je dat vertellen! Mijn vrouw vind het niet altijd en overal gepast als ik zomaar in een korte broek loop! Maar laatst zei ze toch wel tegen me: ik zie je liever met een hotpens dan met een vetpens!’. Het was eruit, voordat ik de feitelijke diepgang kon overzien. Het kwaad was al geschied, want die krullenkop sperde zijn mond open, en viel pardoes voorover in het zielige hegje. De man kwam niet meer bij, greep zich met beide handen in zijn kruis en stikte bijna van het ingehouden lachen. Alleen die dikke verstijfde als een zoutpilaar, zijn laadklep viel weliswaar ook open, en ik zag warempel een druppeltje vocht uit zijn mondhoekje komen. Hij draaide zich compleet verslagen om en verdween moeizaam in zijn camper. Zijn buurman steunde intussen met beide handen op zijn knieën, nog steeds brullend van het lachen, en kreunde: ‘Ga je ook je hotpens aandoen buurman?’. Ikzelf overzag even het slagveld, dat ik had aangericht, en liep met enige trots-doorspekte spijt door naar ons eigen perceeltje.
’s Middags ging ik trainen op het mooie witte strand van Cambrils, de palmen wuifden me al tegemoet. Met een nog kleiner rood broekje liep ik die 50 meter verderop naar mijn uitnodigende werpplek. Het werpgewicht in de ene hand, en de gele emmer met kogel, discussen en werpkogeltjes in de andere. ‘Hallo’, zei ik tegen die dikke die weer voor zijn camper zat, maar er kwam niets terug. Hij zat wat te spelen en te draaien met een té grote spiegelreflexcamera op zijn schoot. Toen ik even later op het strand bezig was, zag ik hem met de fiets van de camping komen. Ik dacht nog, die gaat ook wat aan de lijn doen, maar hij parkeerde de fiets vlakbij mijn werpplek en ging wijdbeens op de bank zitten. Hij volgde enige tijd mijn verrichtingen. Vervolgens haalde hij die grote camera uit zijn fietstas en begon foto’s van mij te maken. En ik bleef fanatiek al dat werp-ijzer weggooien in het rulle zand, om het telkens weer moeizaam op te moeten halen. Toen ik bijna klaar was met mijn geplande training, bedacht ik toch dat ik iets had goed te maken met die dikke. Dus ik pakte m’n spullen bij elkaar en ging naast hem zitten op die bank.
‘Hèhè, dat hebben we weer gehad!’, begon ik het gesprek, maar de dikke zweeg. Quasi ongeïnteresseerd bekeek hij de foto’s op zijn camera. ‘Ja, ik moet zo af en toe wat doen’, vervolgde ik, ‘de hele dag op mijn kont voor die camper zitten is niets voor mij’. De dikke man zuchtte: ‘Ja ja, ik zou ook wat meer moeten bewegen. Was ook van plan om wat te gaan fietsen, en toen zag ik jou. Alleen al van het kijken ernaar word ik al moe’, verzuchtte hij. ‘Nou, je had best mogen meedoen, lekker door het losse zand struinen en een stuk agressie kwijt raken. Werpen verschilt maar één letter van werken, en dat moeten we toch zo ver mogelijk van ons afgooien, toch?’. ‘Ik heb trouwens een paar mooie foto’s van je gemaakt’, zei de man, blijkbaar om op een ander onderwerp over te schakelen. ‘Staat m’n hotpants er ook goed op?’, probeerde ik. Maar de man zweeg, blijkbaar had ik hem vanmorgen te diep gekrenkt. ‘Je hebt toch geen foto’s van mijn schoenen gemaakt, hoop ik?’, zei ik weer tegen de dikke. Die vloog rechtop en trok de camera dichter naar zich toe. ‘Hoezo . . . ?’, zei hij, ‘wat bedoel je daarmee?’. ‘Nou, gewoon, ik word gesponsord door Asics, en die hebben daarmee tevens het alleenrecht op reclame!’. ‘Potverdomme nondedju’, zei de dikke, ‘wat een gesodemieter, dan kan ik alle foto’s wel verwijderen! Dit lijkt wel een bijzonder enge grap’. ‘Ja ja’, zeg ik, ‘maar wie was daar vanmorgen mee begonnen?’. De man keek me aan, slaakte een diepe zucht en sloeg zijn dikke arm om me heen.

Geen opmerkingen: