maandag 1 december 2014

Werptraining voor 65-plussers

imageTe vaak moet ik aan mijn omgeving uitleggen waarom ik nog steeds ‘aan atletiek doe’ en zo nodig ook nog eens aan wedstrijden moet deelnemen. Mijn steevaste antwoord is simpelweg omdat ik nog zo graag sport en omdat ik dat nodig vind voor mijn gezondheid. ‘Ja, maar ‘n kwartiertje fietsen of wandelen is toch ook goed’, krijg je dan te horen. Op zo’n moment haak ik meestal vriendelijk glimlachend af, vandaar dat ik jullie een korte inkijk gun in mijn sportieve doen en laten.

Mijn grootste hobby is atletiek en dat doe ik al 57 jaren onafgebroken. Mijn omgeving denkt, geloof ik, dat het een verslaving is, maar voor mij is het simpelweg een leefgewoonte. Je lijf in conditie houden en je regelmatig in een wedstrijdje meten met lopen, springen of werpen. Helaas door de haperende fysiek beperkt zich dat de laatste jaren tot werpen, maar het heeft mijn enthousiasme niet kunnen temperen. Ik probeer drie keer per week ’n uur te trainen en neem daarnaast aan ca.30 wedstrijden per jaar deel. Sommige collega leeftijdsgenoten zullen het nooit toegeven en blijven vechten tegen de bierkaai. Maar als 65-plusser gaan je prestaties (de geworpen afstanden) toch echt gestaag achteruit. Je moet dat objectief constateren, en daarbij ook eens om je heen kijken. Ook je leeftijdgenoten blijken datzelfde lot beschoren. Maar goed dat de atletiek haar ouderen indeelt in leeftijdsgroepen van vijf jaar, dan kun je je blijven meten op je eigen niveau. Maar het constateren van het feit betekent niet het je daarbij neerleggen, en zeker niet stoppen! Natuurlijk niet, sporten is gezond, houdt ons fit, zeker ook op hogere leeftijd, maar doe dat wel aangepast en verstandig. Luister goed naar je eigen lijf, en

  • Surf eens op internet, er zijn legio websites over ‘sporten voor ouderen’.image
  • Wissel ervaringen uit met je leeftijdgenoten.
  • Praat eens met een goeie fysiotherapeut.

Voor mij persoonlijk zorgt de werpschijf van vijf voor de nodige balans. Niets wetenschappelijks aan, heel simpel:

  1. Basisconditie
  2. Voeding / Roken / Alcohol
  3. Krachttraining
  4. Veldtraining / Wedstrijden
  5. Statistiek

Ad1. Omdat ik door sterke artrose in mijn linkerknie niet meer kan hardlopen, wordt mijn basisconditie op peil gehouden door wandelen en fietsen. Natuurlijk mis ik die duurloopjes, tempolopen en sprinttrainingen. Maar je kunt datzelfde gevoel redelijk benaderen door regelmatig langer dan een uur/dag te wandelen of te fietsen. Is het slecht weer dan stap ik op de hometrainer. Belangrijkste doelstelling is naast de laagdrempelige duurtraining het soepel en vitaal blijven.

imageAd2. Voeding is ontzettend belangrijk, maar daar hoef je ook al niet te moeilijk over doen, discipline volstaat meestal. Niet roken, alcohol tot een minimum beperken en niet te vet eten. Elk jaar een check-up laten doen bij de huisarts en dan ook om advies vragen hoe je (nog) gezonder kunt eten. ’s Morgens twee sneetjes bruinbrood, ‘s middags warm eten, een/twee stuks fruit en ‘s avonds drie sneetjes bruin brood. We eten hoofdzakelijk verse groenten en fruit, weinig vlees, zo min mogelijk suiker en bakken in olie. Om daarnaast de cholestorol laag te houden elke dag een Pro-Activ-je en een knoflooktablet. Voor mijn artrose in de knie gebruik ik dagelijks Glucosamine (en een brace met sporten).

imageAd3. Krachttraining doe ik 2 keer per week en omhelst bankdrukken, vlinderen, wat hengsten met dumbells, gecombineerd met buikspieroefeningen en lenigheid. Bankdrukken max.70kg zomerseizoen en max.90kg winterseizoen. Hierbij ook niet te moeilijk doen, minder gewicht hoge frequenties, hoger gewicht lagere frequenties en wisselende schemaatjes. Vlinderen doe ik met een elastisch koord door twee lussen aan de muur. Zwaarte kun je aanpassen door verder van de muur af te gaan staan. Krachttraining voor ouderen wordt te vaak onderschat en wat denigrerend beoordeeld. Je spiermassa en spierkracht neemt gestaag af zonder krachttraining. Verantwoorde krachttraining met niet te zware gewichten en de juiste intensiteit kan tot op hoge leeftijd zelfs nog zorgen voor opbouw. Maar daarnaast geeft het mij ook nog eens veel plezier, je voelt je sterker, geeft je meer evenwicht en onderhoudt de peesaanhechtingen.

imageAd4. Minimaal één keer per week doe ik veldtraining, meestal op een eigen veldje in-de-buurt. Geen hoge eisen stellen, de verharde weg als cirkel / aanloop gebruiken en zorgen dat je niemand tot last bent. Minimaal 8 pogingen per werponderdeel (kogelslingeren, kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen en gewichtwerpen). Soms doe ik een extra veldtraining, maar dan op twee onderdelen, om meer aan techniek te werken. Omdat ik beperkt ben vanwege mijn knie, wordt de techniek hierop zorgvuldig aangepast. Het blijkt geen overbodige luxe om ‘op-een-papiertje’ de kritische aandachtspunten op te schrijven en die bij training en wedstrijden af en toe in te kijken.

Ad5. Minimaal elke maand doe ik een oefen-vijfkampje. Simpelweg de laatste drie van de acht gebruikelijke pogingen wat serieuzer uitvoeren en de verste afstand noteren. Die komen terecht in een statistiek, waarin ik mijn prestatieniveau nauwgezet volg. Hiermee analyseer ik mijn eigen trend en zet ik die af ten opzichte van de medaillelimieten voor Europese kampioenschappen. Hoe ouder je wordt, des te groter wordt de spreiding in je prestaties. Het statistisch volgen leert je hiermee omgaan, lage en hoge uitschieters kun je beter relativeren. En zolang je (hopelijk) langzaam dalende trend meeloopt met Europese limieten is er niets aan de hand. Je ligt op schema! Harder trainen levert nooit het gewenste effect! Op je eigen niveau blijven trainen, en blijven schaven aan je techniek! Plezier (en succes) verzekerd! In de onderstaande tabel staan onder 2015 mijn verwachte prestaties voor het komende jaar. En in groen staan onder trainings-nivo de mik-afstanden waar de oranje toeters staan met de veldtraining!! Behalve natuurlijk bij werpvijfkamp, dat is een puntentotaal over de vijf onderdelen, die achteraf berekend wordt.image

Tenslotte

Als ervaren atleet heb je echt geen (personal) trainer meer nodig. Jij weet wat je nog kunt en hij/zij weet niet wat je niet meer kunt. Ik train af en toe samen met een paar goede sportmaten, die me altijd die ene juiste aanwijzing geven. Ze kennen mij immers door en door. Ik weet wat ik aan ze heb, zij weten dat ik niet meer zo nodig verder moet gooien maar gewoon plezier wil blijven houden.

Tussen de tweede zaterdag van april (Borken-Duitsland) en de laatste zaterdag van oktober (Zutphen) bezoeken we zo’n 30 werpwedstrijden. Je ontmoet diezelfde groep meer-of-minder fanatieke werpers, en tijdens en na de wedstrijd is het altijd gezellig. Het minst leuke zijn de ellenlange verhalen met excuses die je vaak moet aanhoren, om hun afnemende werpafstanden te verklaren. Nergens voor nodig, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, maar ja . . Vervelend zijn soms de kritische opmerkingen over je (aangepaste) techniek en de (onmogelijke) dingen die je zo nodig moet veranderen. Niets van aantrekken, lukt toch niet meer, maar ja . . .

Samen met mijn sportmaten promoten we verder het werpen in onze regio waar mogelijk is en ‘scouten’ we de vaak tussen de lopers verborgen talenten. En met enige verholen trots boeken we hier redelijke successen mee. Ten bewijze worden hiervan ook statistieken bijgehouden, maar niet iedereen is doordrongen van ‘meten is weten’.

Sporten op hogere leeftijd is broodnodig om langer fit te blijven. Atletiek, met name die machtige werpnummers, geeft mij ook nog eens die kick, die het leven van een gepensioneerde nog aangenamer maakt.

Dus niet meer vragen, laat mij nog maar schuiven . . . .

dinsdag 18 november 2014

De Watermeule van Holt-Blierick

 

clip_image002

Met de fiets van Blerick naar Baarlo is natuurlijk het fijnste langs de Maas. Net buiten het Meuleveld zeilen we bergaf de Romeinenweg. Wel effe opletten, want onderaan is een vervelende slinger over het bruggetje. Rechts zien we dan de oude Watermeule van Holt-Blierick liggen. We stappen even van de fiets en kijken samen terug in de tijd. Een stukje historie en een paar foto’s van ‘vruueger en noow’.

De exacte ouderdom van de voormalige monumentale watermolen aan de Hout-Blerickse Molenkampweg 3 is niet bekend, maar in een overeenkomst uit 1443 is er al sprake van een watermolen op deze plek. De molen heeft waarschijnlijk eerst toebehoord aan de heren van Kessel en ging later over naar het Venlose klooster Mariaweide. De molen was een bovenslagmolen, die zijn activiteiten verrichtte op de kracht van het water van de Springbeek. Het beekwater werd opgespaard in een vijver, die door een sluiswerk kon worden gesloten totdat een voldoende hoog waterpeil was bereikt.

De Watermeule ligt op de Springbeek, aan de landzijde was het gebouw laag, aan de beekzijde hoog met een verval van vier meter. Het gebouw was voorzien van een schilddak met pannen. Aan de voorzijde twee dakkapellen, waarvan een met luiwerk om de zakken op de graanzolder te hijsen. Boven het waterrad was een lessenaarsdak. De lage zijde rustte op een landhoofd, de hoge zijde sloot aan bij het dak van de molen. Hierdoor ontstond een harmonisch geheel, zoals te zien is op bijgaande krantenfoto links uit 1955. Twee koppels stenen maalden het graan, terwijl er tevens een kollergang op de molen stond voor het persen van olie uit koolzaad.

clip_image004

In het midden van de negentiende eeuw had de Watermeule twee maalsluizen met elk een bovenslagrad. De molen lag op de linkeroever en vlak langs de muur draaide het eerste rad voor de korenmolen met een middellijn van 3,24m en een breedte 1,35m. Daarnaast bevond zich een vaste losschuif, die alleen bij calamiteiten werd geopend. Daarnaast het tweede rad voor de oliemolen met een middellijn van 2,84m en een breedte van 1,19m. De watermolen werd in 1940 stilgelegd. De molen had twee koppels 17er maalstenen (1,50m doorsnede), een koppel blauwe Duitse stenen voor het malen van boekweit en tarwe. En een koppel kunststenen voor het malen van bakrogge en voergraan. Vanaf 1935 installeerde Frans van de Hombergh in het pal tegenover de watermolen gelegen woonhuis een inrichting, bestaande uit een maalstoel met een Deutz-dieselmotor, een mengmachine en een graanreiniger. De molen diende verder als opslag. Na een verwoestende brand in 1976, werd het gebouw gerestaureerd en voorzien van een extra verdieping.

clip_image006

In WatWasWaar (zie boven) vinden we dat begin 19-de eeuw de Watermeule eigendom was van Donathe van Meijel c.s.. Hij was ook eigenaar van de standaardmolen St.Annakamp in Blerick. Via vererving en koop gingen beide over naar de broers (zoons) Hendrik Mathijs Bruno van Meijel (Venlo 1803-1867), aannemer en Mathijs Hendrik van Meijel (Venlo 1792-1868). Tussen 1847 en 1856 verhuurden beide broers de molens aan Joannes Braekers uit Kessenich. Vanaf 1856 werd Joannes Braekers molenaar op de Elisabethsmolen in Nunhem. Veel geluk bracht het hem niet, in hetzelfde jaar overleed zijn vrouw Barbara Seuntjes. Op Sinterklaasdag (0clip_image0086.12.1863) verdronk zijn 10-jarige zoon Jan Jacob Joseph en in 1868 overleed hijzelf, nog een dochtertje Maria Judith achterlatend.

Vervolgens gingen de Blerickse molens over naar het echtpaar Receveur-van Meijel. Willem Eduard Hubert (Eduard) Receveur (Venlo 1819-1889), koopman, getrouwd Venlo 1 juni 1857 met Maria Carolina Hubertina (Caroline) van Meijel (roepnaam Caroline, Venlo 1836-1859), dochter van Hendrik Mathijs Bruno van Meijel en Maria Catharina Carolina van Wijlick. Op 15 juli 1872 liet weduwnaar Eduard Receveur beide molens openbaar verkopen door notaris Clercx in Blerick.

Het eerste lot was de watermolen (graan-en oliemolen) in de Molenkamp, met woonhuis, tuin en bouwland te Hout-Blerick. Nieuwe eigenaar werd Karel Nefkens (1828-1910), molenaar te Sevenum, voor 6000 gulden. Het tweede lot, de standaardmolen te Blerick, ging voor 3000 gulden naar Jan Goofers, koopman in Blerick.

Karel Nefkens en zijn vrouw Hendrina Beterams (1826-1900) vestigden zich met hun drie kinderen in Blerick. Zoon Leonard werd steenfabrikant in Blerick, en Henri was koopman van beroep. Hun dochter Anna (1872-1949) werd in 1904 de Watermeule toegewezen. Zij trouwde met de molenaarsknecht Frans van den Hombergh (1876-1916) uit Velden, die haar vader had aangenomen. Samen kregen ze zeven kinderen, hun vijfde kind Sjraar (ook wel Sir) koos voor het molenaarsvak. Na het overlijden van zijn vader hield eerst moeder Anna Nefkens en een aantal knechten de molen draaiende, terwijl Sjraar het vak elders leerde. Vanaf 1925 nam hij de Watermeule over. In 1956 werd hij eigenaar, acht jaar later werd de vervallen Watermeule verkocht aan de Venlose bankdirecteur Gerardus Petrus Antonius Gussenhoven.

Intussen is het grondig gerestaureerd, helaas niet in de oorspronkelijke staat. Enige tijd was het een restaurant, en momenteel een woonhuis.


woensdag 5 november 2014

Jos.Steegh waas unne belangriëke mins

Jos.Steegh1Van 1888 tot zijn verwoesting in 1944 stond een imposant pand in Blerick, villa Arthur. De bouwheer blijkt ene Joseph Steegh, die steevast zijn naam schrijft als Jos.Steegh, dus dat doen we dan ook maar uit respect. Wie was deze Jos.Steegh, wat betekende hij voor Blerick, waar verdiende die zijn geld mee? Op internet bleek niet veel te achterhalen, dan maar naar het archief in Venlo. ‘Hebben jullie gegevens van Jos.Steegh, en van villa Arthur zal ongetwijfeld ergens wel een verzamelmapje liggen?’. Na enige verdere uitleg gaan drie man voor mij op zoek, geweldig met hoeveel inzet je altijd geholpen wordt in het archief. Alleen nu bleef het akelig stil. ‘Ja, het was wel een Blerickenaar, en de villa lag ook in Blerick, helaas niet in Venlo, want anders . . ’, probeer ik nog wat cynisch aan te moedigen. Uiteindelijk is het met vereende krachten en slim zoeken gelukt toch wat informatie te vergaren. Lees het eens rustig door. Maar mijn conclusie staat bij voorbaat vast. Jos.Steegh was een zeer belangrijk man, die door de regionale historici onterecht over het hoofd is gezien.

Familie Steegh

imageAls we vanuit het centrum van Blerick, op de Antoniuslaan rechtsaf slaan de Maasbrug op richting Venlo, precies op die afslag lag vóór de tweede wereldoorlog de statige villa Arthur. Zie bovenaanzicht rechts van vóór 1940. Dit monumentale pand werd eind negentiende eeuw gebouwd in opdracht van de Blerickse industrieel Jos.Steegh (1838-1923). Hij heette voluit Peter Joseph Hubert Steegh en was de zoon van Gerardus Nicolaas Steegh (1793-1885), herbergier in Blerick, en Joanna Lambertina Hanckx. Kleinzoon van Petrus Steegh, pachter op Groot Raay in Grubbenvorst, en Wilhelmina Titulaer. Hij trouwde 22 oktober 1866 in Horst met Antoinetta Houben (1842-1906) en ging met haar in Horst wonen op de hoek Stationsstraat en de afslag naar het station. In Horst werden hun zeven kinderen geboren, waarvan er helaas vier erg jong overleden. In 1888 verhuisde hij met z’n gezin naar Blerick, waar ze intrek namen in de nieuwe villa Arthur op de Antoniuslaan (tot 1 oktober 1940 was het adres Over de Maas 2). Zijn drie overgebleven zoons Adolph, Richard en Arthur zetten met pa het imperium Steegh voort. In het telefoonboek van Blerick in 1915 zien we vier aansluitingen op de naam Steegh:

  1. Nr. 205, op naam van Adolph Steegh, adres Fort St. Michiel
  2. Nr. 288, op naam van Richard Steegh, adres Spoorstraat
  3. Nr. 204 op naam van Steegh & Esser, adres Spoorstraat
  4. Nr. 77, op naam van Arthur Steegh-Prinzen, adres Blerick (waarschijnlijk villa Arthur)

De steenrijke Jos.Steegh overleed op 85-jarige leeftijd 22 maart 1923 in Brussel, en wordt vier dagen later bijgezet in het familiegraf achter de Antoniuskerk in Blerick. Boven deze grafkelder bevond zich destijds een kapel. Hier werd onder andere gebeden met Allerzielen als er over VillaSt-Aanzicht1het kerkhof getrokken werd om de doden te herdenken. Resten van dit kerkhof bevinden zich nog naast de huidige Antoniuskerk. De kapel van Steegh is verdwenen, de grafkelder is gebleven en geïntegreerd in de nieuwe kerk. In de begindagen van de Tweede Wereldoorlog raakte Villa Arthur door de schermutselingen rond de brug over de Maas onherstelbaar beschadigd. Na de oorlog werd de villa afgebroken.

Jos.Steegh, de industrieel

KrantSt-5In oktober 1866 werd de spoorlijn Venlo-Eindhoven in gebruik genomen en Joseph verkreeg een concessie om goederen te mogen vervoeren vanaf het station Horst-Sevenum. Hendrik Soberjé neemt in 1888 deze wagendienst op het station over van Steegh. In 1875 vroeg hij vergunning voor het in gebruik stellen van een stoommachine voor het zagen van hout. Jos.Steegh gaat op grote schaal hout kopen in Horst en Pruisen. In zijn stoomzagerij maakt hij hout geschikt voor de Belgische mijnbouw, in 1887 werken er 25 man. In 1889 komt de stoomhoutzagerij op naam van ene E.Haffmans.

In 1892 zien we hem ook als een van de oprichters van de Blerickse gloeilampenfabriek Constantia. Samen met Chrétien Haffmans richtte hij in 1896 de Bank Haffmans & Steegh op. Om precies te zijn op 29 december 1896 richtten Peter Christiaan Joseph Haffmans, kassier te Roodebeek, gemeente Bergen (Limburg) en Jos.Steegh, industrieel, de Bank Haffmans & Steegh op in Venlo. Een van de drie zonen van Jos.Steegh, Arthur (1877-1970), volgde zijn vader op als directeur van de bank. Diens zoon René (geb.1911) volgde hem jaren later op. In 1919 werd de bank omgezet in een naamloze vennootschap met deelname van de Amsterdamsche Bank. Inmiddels is zij geheel door de AMRO-bank overgenomen en is er geen binding meer met de families Haffmans en Steegh.

SteeghEsser2Maar echt fortuin heeft hij gemaakt met zijn handel in turfstrooisel. De activiteiten van turfstrooiselfabriek Steegh & Esser[1] in de gemeente Deurne en Liessel begonnen in 1885 met de aanvrage van de Horster koopman Jos.Steegh om van de gemeente Deurne zogenaamde vale turf of grauwveen te betrekken. De gemeenteraad ging in de vergadering van 28 februari 1885 daarmee akkoord. Ook werd door de gemeente gratis een terrein van twee hectaren beschikbaar gesteld voor de stichting van een fabriek, bergplaatsen en loodsen. Het werd een enorm succes vooral omdat turfstrooisel een zeer geliefd product werd voor gebruik in de paardenstallen. Bij een openbare aanbesteding in 1888 in Breda en Utrecht voor de levering van turfstrooisel ten behoeve van de paardenstallen van de artillerie was de firma Steegh en Esser, met een prijs van resp. 8,59 en 8,91 gulden per 1000 kilo, de goedkoopste. Er werden enorm grote hoeveelheden turfstrooisel vanuit Deurne geproduceerd en afgevoerd naar elders. In 1888 werd door Fedor Wolf & Co en Steegh & Esser samen 192.000 m³ vale turf verwerkt. Beide firma's hadden in de zomermaanden samen meer dan 600 man personeel in dienst, een aantal dat in de wintermaanden terugliep tot minder dan de helft. Voor het jaar 1889 werd door Steegh & Esser bij de gemeente Deurne een aanvrage gedaan voor het steken van 125.000 m³ turf voor de productie van strooisel.

KrantSt-2De turfstrooiselfabriek van Steegh was gelegen aan de Putweg (Horst-America), nabij de plek waar nu het Beukenhof ligt. Naast een grote loods was er ook een houtzagerij en een smederij. Het geheel lag op 1,26 ha. grond. In 1893 kocht Jos.Steegh ongeveer 100 ha peelgrond van de gemeente Horst. Bij deze verkoop werd overeengekomen dat alleen het grauwveen verkocht zou worden.

KrantSt-1Gaandeweg zag de gemeente Deurne in dat het grauwveen zeer waardevol geworden was en weigerde aan Steegh & Esser nog langer concessie te verlenen voor het steken van turf die de contractueel vastgelegde hoeveelheden oversteeg. Toen in 1896 het contract met de gemeente afliep bood Steegh een miljoen gulden voor 910 hectaren veen. De gemeente ging daar, met een krappe meerderheid van 6 tegen 5 stemmen in de raad, niet op in en bood 12.000 gulden voor de overname van alle gebouwen met de bijhorende machines en overige inventaris. Op 17 augustus 1896 werden de gebouwen door de gemeente overgenomen. Steegh & Esser zette vervolgens nog in 1896 haar verveningsactiviteiten in de onmiddellijke nabijheid op het grondgebied van Venray en Horst voort. Ze had daartoe van de gemeente Venray ruim 100 hectaren grauwveen in de Heische Peel gekocht. Een verzoek van het bedrijf aan de gemeente Deurne tot toestemming om bij Halte Helenaveen een spoorlijntje over Deurnes gebied te leggen voor het ophogen met zand van het beoogde nieuwe fabrieksterrein werd afgewezen, vanwege de handelwijze van de firma Steegh & Esser, zo werd beargumenteerd. KrantSt-8

Dat ook later de verhoudingen tussen de Gemeente enerzijds, en Steegh & Esser, concurrenten van elkaar, ronduit slecht bleven blijkt uit een klacht van 18 december 1897. De gemeente Deurne had een sloot op haar grondgebied gedempt en daardoor zou er waterschade gekomen zijn aan de turf van Steegh & Esser, die op Venray’s gebied lag. Steegh & Esser wilde namelijk het water dat bij de vervening vrijkwam lozen via een sloot op de grens op Venray’s gebied, die uiteindelijk loosde op een Deurnese sloot waarvan het water via de Kaweise Loop geloosd werd. Deze afwateringskwestie liep hoog op en zelfs moesten er de commissarissen van de koningin van zowel Limburg als Noord-Brabant aan te pas komen.

KrantSt-9Ook elders bond Jos.Steegh de strijd aan met het gezag. In het Venloosch Weekblad van 20 december 1899 lezen we ongecorrigeerd: De kantonrechter te Venlo wees jongstleden zaterdag een belangrijk civiel vonnis in de Maasbrug-kwestie. De heer Jos. Steegh, industrieel te Blerick, had de gemeente Venlo gedagvaard tot terugbetaling van een bedrag van 62 gulden 98 wegens aan die gemeente onverschuldigd betaald bruggeld in den loop der jaren 1898-1899, en op zulks grond dat de belastingverordening der gemeente Venlo, regelende de heffing van bruggeld voor het gewoon verkeer over de Maasbrug, in strijd is met de wet, en mitsdien alle bindende kracht mist daar bedoelde brug een ‘rijkswerk’ en de gemeente alléén bevoegd is belastingen te heffen van het gebruik en genot van openbare ‘gemeentewerken’. De kantonrechter verklaarde den eischer ontvankelijk in zijn vordering.

De bouw van de Antoniuskerk

PastoorStassenIn de tweede helft van de 19e eeuw ontstond onder Blerickse katholieken behoefte aan een grotere parochiekerk dan de oude Lambertuskerk, die vanaf 1219 tot 1837 onder patronaat had gestaan van de Norbertijnenabdij te Averbode. Na eerdere, vergeefse, plannen kwam een nieuw initiatief tot kerkbouw voort uit de samenwerking tussen notaris J.Clercx, Tweede Kamerlid, de als schenker optredende bankier Jos.Steegh, het bisdom Roermond, pastoor J.A. Stassen van de Lambertuskerk en Antoniusvereerders in heel Nederland. Samenbindend element werd een eind 1894 opgericht landelijk maandblad De Liefdadigheid, bode van het godvruchtig werk der broden van den H. Antonius van Padua. Abonnees hiervan werden herhaaldelijk aangespoord 'stenen' bij te dragen ter bekostiging van de bouw van wat genoemd werd 'de Geloftekerk van de Heilige Antonius te Blerick'. De opmerkelijke 'overstap' van Lambertus naar Antonius kan verklaard worden uit de toenemende populariteit van deze laatste in katholiek Nederland tegen het einde van de 19e eeuw, met een piek in 1895 toen gevierd werd dat Antonius 700 jaar eerder was geboren. Mogelijk is hier ook de persoonlijke voorkeur van geldschieter Jos.Steegh in het geding geweest. Omdat niet alle parochianen het eens waren met deze ingrijpende verandering, werd hun beloofd dat de eerstvolgende parochiekerk waarover Blerick in de toekomst zou beschikken, weer aan Lambertus zou worden toegewijd, hetgeen daadwerkelijk geschiedde in 1934. De statige Antoniuskerk werd opgeblazen in 1944 en geruimd. Blerick moest 18 jaar wachten op een nieuwe kerk. De huidige parochiekerk werd ontworpen door de architecten Jozef Fanchamps (Kerkrade) en Baan Titulaer (Blerick). De kerk werd gewijd in 1962 en staat weer op vrijwel dezelfde locatie aan de Antoniuslaan. Van de eerste Antoniuskerk is alleen de grafkelder van de familie Steegh behouden en in de nieuwe kerkbouw verwerkt. Ook is een groot deel van het oude kerkhof, dat aan de westzijde van het kerkgebouw ligt, bewaard gebleven.

Villa Steegh als tijdelijke begraafplaats[2]

imageVrijdag 10 mei 1940, het is een frisse dag met 13°C, een zwakke wind waait uit het noordoosten, de brute inval van Hitler-Duitsland in Nederland. Er heerste spanning in de kazemat bij de Maasbrug in Venlo. Het blijft niet lang rustig, ’s morgens even over vier lopen een tiental soldaten in Nederlands uniform de brug op. De eerste twee met de handen in de lucht. Er komt nog steeds geen bevel van hogerhand om de brug op te blazen. Even later probeert een van die soldaten naar een overigens niet meer functionerend ontstekingskastje te klimmen. Sergeant Boeser beseft dat hier iets goed fout is, hij wacht dat bevel niet af en besluit tot het enige juiste, hij blaast de brug op. ‘Leutnant’ Hertel en negen van zijn mannen van het ‘3.Pionier Bataillon 156’ vliegen gelijk met de Maasbrug de lucht in. Allen vinden de dood, minimaal drie van hen vinden een tijdelijke rustplaats in de tuin van Villa Steegh, te weten Helmut Böhrig, Willy Haufe en ene Leutner. Uiteindelijk worden twee van de tien slachtoffers in Duitsland begraven, de overige acht worden via een tijdelijke begraafplaats op het ‘Ehrenfriedhof’ Dr.Blumenkampstraat in Venlo definitief overgebracht naar Ysselsteyn. VillaSt-Graf2

  1. Hans Friedrich Oskar Hertel – Leutnant - *21.07.1914 Sanftenberg – begr.Sanftenberg
  2. Helmut Böhrig – Oberpionier - *01.01.1918 Pirna - begr.Ysselsteyn L-205
  3. Willy Haufe – Gefreiter - *13.10.1914 Schmölln – begr.Ysselsteyn L-196
  4. NN Leutner – Pionier - begr.Duitsland
  5. Johann Noack – Obergefreiter - *31.08.1914 Bautzen – begr.Ysselsteyn L-170
  6. Werner Hippe – Gefreiter - *20.11.1915 Krippen – begr.Ysselsteyn O-10
  7. Kurt Kretschmar – Gefreiter - *28.09.1914 Sohland/Spree - begr.Ysselsteyn Onbekenden
  8. Albert Sentner – Oberpionier - *19.01.1914 Schwirgiswalde – begr.Ysselsteyn L-179
  9. Helmut Spichale – Oberpionier - *04.03.1914 Seidau – begr.Ysselsteyn L-187
  10. Karl Stoy – Gefreiter - *07.04.1914 Sorau – begr.Ysselsteyn L-214

Grafkelder familie Steegh

Op de begraafplaats van de oude Antoniuskerk (1897-1944) waren twee familiegraven. Die van de notarissenfamilie Clercx is reeds lang verdwenen, en van de familie Steegh is de grafkelder geïntegreerd in de nieuwe kerk. Het bijhorende kapelletje is wel verdwenen. We vinden de ingang als we over de begraafplaats langs de kerk lopen, aan het eind linksaf, doorlopen tot het hek en dan weer linksaf. Een bakstenen trap leidt naar een grijze deur, die toegang geeft tot de grafkelder. De muren en de vloer van het interieur zijn in baksteen gemetseld. Het plafond bestaat uit gemetselde gewelven, opgesloten met ijzeren profielbalken. In de grafkelder zijn boven elkaar drie rijen van elk vier graven. Er zijn 13 personen bijgezet, in het rechter beneden-graf zijn twee kinderen bijgezet. Jos.Steegh en zijn echtgenote keurig in het midden (graven 6 en 7), omringd door hun drie zoons, schoondochters en enkele kleinkinderen. De graven zijn afgesloten met witte rechthoekige platen. Bovenste rij van links naar rechts:SAM_6358

  1. Arthur Th.J.Steegh, geb.05.07.1877 Horst, ovl.26.05.1970 Venlo. Weduwnaar van F.W.M.A.Prinzen, naar hem is waarschijnlijk villa Arthur genoemd.
  2. Francina Prinzen, geb.02.08.1886 Gemert, ovl.30.05.1968. Echtgenote van Arthur Th.J.Steegh.
  3. Richard Steegh, geb.17.09.1872 Horst, ovl.20.11.1944 Horst. Weduwnaar van Maria Wiertz.
  4. Maria Wiertz, geb.20.12.1876 Weert, ovl.13.01.1935. Echtgenote van Richard Steegh. Middelste rij van links naar rechts:
  5. Joseph.Ph.M.G.Steegh, geb.13.07.1894 Venlo, ovl.03.05.1969. Echtgenoot van Emilie Wolters.
  6. Joseph P.H.Steegh, geb.29.01.1838 Blerick, ovl.22.03.1923 Brussel, bijgezet 26.03.1923. Weduwnaar Antoinette Houben, bouwheer villa Arthur.
  7. M.Antoinetta P.Houben, geb.09.02.1842 Horst, ovl.26.11.1906 Brussel, bijgezet 28.11.1906. Echtgenote van J.P.H.Steegh.
  8. René J.Th.Steegh, geb.29.07.1911 Blerick, ovl.23.01.1994 Tilburg. Echtgenoot van Veronica Chr.C.M.Prinzen, hij was de laatste overledene van de familie Steegh die in het familiegraf werd bijgezet. Onderste rij van links naar rechts:
  9. Emilie M.J.Wolters, geb.11.12.1904 Venlo, ovl.06.02.1987 Heerlen. Weduwe van Joseph Ph.M.G.Steegh.
  10. Adolf G.L.Steegh, geb.20.05.1868 Horst, ovl.23.07.1934 Venlo. Echtgenoot van M.H.Rose H.Esser, weduwnaar van Maria Chr.J.Esser.
  11. Maria Chr.J.Esser, geb.04.06.1864 Venray, ovl.29.04.1918 Blerick. Echtgenote van Adolf G.L.Steegh.
  12. Ons innig geliefd dochtertje Maria E.A.D.Steegh-Esser, geb.10.08.1897 Blerick, ovl.02.12.1897 Blerick. Zij was de eerste die bijgezet werd in het familiegraf.
  13. Ons innig geliefd zoontje Leon A.M.J.Steegh-Wiertz, geb.05.07.1914, ovl.11.09.1914 Venlo.image

Genealogische aantekeningen familie Steegh

Gerardus NicolaasGerardus Nicolaas Steegh, herbergier in Blerick, geb. 25 september 1793 Grubbenvorst (z.v.Petrus Steegh en Wilhelmina Titulaer), ovl. 27 november 1885, Blerick, getrouwd 18 november 1835 Venray met Joanna Lambertina Hanckx, geb. 30 april 1799 Venray, ovl. 31 januari 1840, Blerick. Ze hadden twee kinderen:

  1. Maria Josephina Francisca, geb. 22 november 1836, jong overleden.
  2. Peter Joseph Hubert, geb. 29 januari 1838, zie beneden:

Peter Joseph Hubert Steegh, geb. 29 januari 1838 Blerick, ovl.22 maart 1923 Brussel (B), trouwde 22 oktober 1866 in Horst met Maria Antonia Petronella (Antoinetta) Houben, geboren 9 februari 1842 Horst, ovl.26 november 1906 Brussel (B), begraven in Blerick. Hun kinderen:

  1. Adolph Gerard Lambert, geb. 20 mei 1868, Horst, ovl. 23 juli 1934, Venlo. Eerste huwelijk 18 april 1893 Venray met Maria Christina Josephina Esser; tweede huwelijk 28 januari 1925 met Mathilde Henriëtte Rosalie Hubertina Esser.
  2. Richard Jakob Jan Lambert, geb. 17 september 1872, Horst; trouwde 12 oktober 1909 in Weert met Francisca Josephina Maria WiertzKrantSt-4.
  3. Arthur Jozef Constant, geb. 27 augustus 1874, Horst, ovl. 20 december 1874, Horst
  4. Alphons Lambert Jozef, geb. 28 januari 1876, Horst, ovl. 20 november 1876, Horst
  5. Arthur Theodor Jozef, bankier te Venlo, geb. 05 juli 1877, Horst, ovl. 26 mei 1970, Venlo. Trouwde 21 juli 1908 in Gemert met Francisca Wilhelmina Maria Antonia Prinzen.
  6. Constant Jozef Nestor, geb. 14 september 1878, Horst, ovl. 29 september 1878, Horst
  7. Jeannette Louisa Josephina Maria, geb. 15 april 1881, Horst, ovl. 11 augustus 1881, Horst

image


[1] Zie http://www.rooynet.nl/wiki/index.php/Familie_Esser voor genealogie van de invloedrijke familie Esser.

[2] Voor meer details zie: http://www.schallenberg.nl/html/hoofdstuk_8.html; http://historie.venlo.nl/gebeurtenisinfo.asp?gebeurtenisID=210; http://www.grebbeberg.nl/

dinsdag 28 oktober 2014

Eindelijk een atletiekbaan in Blerick

image

Op de website van Omroep Venlo staat het toch echt: De atletiekbaan op sportpark Maassenhof in Boekend wordt vanavond 2 september in gebruik genomen. Atletiekvereniging Orion heeft dan de eerste baantraining. De nieuwe vierhonderdmeterbaan is de afgelopen maanden aangelegd rondom het veld van rugbyclub The Wallaby’s. De aanleg van de baan kostte zo'n 90.000 euro en is gefinancierd door sponsors, vrijwillige bijdrages, een lening en subsidie van de gemeente. De baan is geen eigendom van Orion maar van Stichting Sportkern Maassenhof. Daardoor kan die ook door verenigingen, scholen en bedrijven worden gebruikt.

imageDit jaar doe ik 57 jaar aan atletiek en eindelijk komt er dan toch die atletiekbaan in mijn eigen Blerick. Mijn eerste trainingsjaren liggen op de sompige grasmat van sportpark Saorbrook. Frits Vaessen legde met tomatentouw ‘n paar keer per week een rondbaantje van 400 meter en de training kon beginnen. Levensgevaarlijk over die ongelijke grasmat en als het geregend had zakte je tot aan de enkels in het voormalige moeras. Overste van de Ven lobbyde onophoudelijk voor een heuse sintelbaan bij de Gemeente Venlo. Die zou heel ideaal langs de Drie-Decembersingel komen te liggen, in het verlengde van het zwembad, een wereldlocatie! Maar de Raad besliste anders, het nieuwste prestigeobject moest in Venlo komen te liggen. Zo ver mogelijk van het oude Festina-veld, bovenop de Herungerberg. Er werd met die-van-Blierick geen rekening gehouden. Op zondag 4 september 1966 was het zover, burgemeester de Gou opende de atletiekaccommodatie. Ik won de eerste wedstrijd en Henk van Bakel verbeterde het eerste clubrecord op de nieuwe baan van Festina. Het was de eerste jaren een ramp voor de Blerickse atletiekvereniging. Hele straten in het Vastenavondkamp waren lid van Festina en helaas was die nieuwe sintelbaan voor velen van hen een brug te ver.

imageSinds 1992 is Festina gefuseerd met AV Tegelen. En toen destijds de Tegelse sintelbaan bij de Snelle Sprong plaats moest maken voor de A73, moest er een nieuwe ‘gezamenlijke’ en centraal gelegen atletiekaccommodatie komen. Want de inmiddels vertrouwde atletiekbaan op d’n Berg was te ver voor de Tegelse atleten en werd een strategische locatie gevonden achter het Venloos kerkhof. Keurig gelegen op de grens Venlo-Tegelen. Naar die-van-Tegelen werd dus 26 jaar later blijkbaar wel geluisterd. Hier draaien de regionale atleten alweer jaren hun eentonige rondjes op sportpark Vrijenbroek. Intussen was het (o.a. door mij in 1983) opgerichte Blerickse Orion met ruim 400 leden uitgegroeid tot een grote club en werd de capaciteit van Vrijenbroek wat krapjes. Een groepje Orionners nam het initiatief voor een eigen trainingslocatie en het schitterende resultaat ligt nu te stralen op Maassenhof. Chapeau . . .

Voor mij kwam dat zeker niet onverwacht, want in november 2009 had ik al een droom, nauwkeurig vastgelegd in een blog (lees: Hoe kun je nou zoiets dromen?). Weliswaar gingen mijn dromen iets verder dan wat er nu ligt, maar toch met Maassenhof schiet ik volledig in de roos en dat unieke loopcentrum zal er wel komen, Orion kennende. Zo zie je maar dat dromen niet altijd bedrog zijn, zei Henk van Bakel vorig jaar tegen me. En echte Blierickse weten dat Sportpark Saorbrook (waar het ooit begon) en Sportpark Maassenhof niet eens zover uit elkaar liggen.

Even mijn plakboek erbij halen. Kijken wat er toendertijd in de krant stond van de opening wat de eerste ervaringen waren van Festina. Als je erop klikt kun je ze wat beter lezen.

Nu zit ik alweer te denken van ‘als ze die baan toen in 1966 al op Maassenhof hadden gelegd of langs de Drie-Decembersingel’. Maar och, niet zeuren, wat maakt het uit. Blerick heeft eindelijk zijn eigen atletiekbaan, geweldig toch, ik heb er 57 jaar op moeten wachten. Helaas zal ik er zelf geen actief gebruik van kunnen maken. Atletiek heeft bij mij de hogere status bereikt van kogelslingeren – kogelstoten – discuswerpen – speerwerpen en gewichtwerpen, en dat mag niet op Maassenhof. Ik bereid mijn kampioenschappen verder voor in de illegaliteit van een braakliggend terrein bij Scheuten Glas.

Van harte proficiat en veel succes Orion.

Festina-1966

 

zondag 26 oktober 2014

Huis Boerlo, de toekomst niet weerd?

Op het lapje industrieterrein in Blerick, ingesloten door de Groot Bollerweg, Wattstraat, Voltastraat en de spoorlijn Venlo-Eindhoven lag eertijds de zetel van de heren van Blerick. Met ergens in het midden een trots kasteeltje met een eigen kapel, omsloten door een heuse dubbele grachtengordel. Niets herinnert meer aan dit voor de Blerickse geschiedenis zo belangrijke bestuurscentrum. Hieronder een uittreksel uit een aantal geschreven bronnen, vooropgesteld het is niet veel. Maar zie het als een poging tot terugwerkend respect voor hen, die het ‘voor-het-zeggen’ hadden in Blerick. Een verantwoording vinden jullie aan het slot.

WebLiggDe in de middeleeuwen ontstane hof Boerlo, Boirlo of Boller aan de zuidrand van een kampontginning[1], iets ten noordwesten van de kern van Blerick, is compleet van de aardbodem verdwenen. Huis Boerlo en zijn boerderij Groot Boller lagen in een Maasmeander waardoor de Everlose Beek (Bollerbeek) stroomde. Deze zou later vergraven worden tot de onvoltooide Noordervaart. De graafwerkzaamheden strandden in de Boekend, op respectabele afstand van huis Boerlo.

In de late middeleeuwen werd het huis bewoond door de gelijknamige adellijke familie Van Boerlo. Het kasteel was op een strategische plaats gebouwd, met rondom het moerassige Saorbrook en het moeras de Wassum. Het bestond waarschijnlijk uit een hoofdgebouw (mogelijk met torens) met een noordelijke en zuidelijke zijvleugel die door een gracht waren omringd. Ook de aangrenzende boomgaard annex moestuin was door een gracht omgeven. Buiten het grachtenstelsel lagen de economiegebouwen, met als middelpunt de hoeve Groot Boerlo.

Het bouwjaar van kasteel Boerlo is niet bekend. Dat het oud was, blijkt uit een vermelding in een 15e-eeuws leenaktenboek. Ook het gegeven dat de van Boerlo’s al in het begin van de 14e eeuw in Blerick woonden wijst daarop. De oudst bekende afbeelding is die op een kaart van Cornelis Lowis uit 1677. Tot op heden is er geen echte afbeelding gevonden van het oorspronkelijke huis Boerlo. Hoe het eruit gezien heeft blijft dus voor eeuwig een raadsel, we moeten het doen met wat plattegrondjes. Mogelijk ligt in de archieven van de families Schenck, Ruys of Clercx ergens een mooi plaatje op ons te wachten.

In 1430 werd het hof Boirle, Boller of Boerlo door de hertog van Gelre als leen gegeven ‘dat huys tot Boerlo, met al syn hovereidinge, seylant (zaailand), bosch, broeck en beemde’ aan Freetze (Godefrida, Frederika of Fritswindis) van Breede, waarbij haar echtgenoot Gerlach van Vossem het recht van vruchtgebruik kreeg. In 1447 werd neef Johan van Bree ermee beleend. Zijn tante Freetze, die toen weduwe was, behield het vruchtgebruik. In 1473 werd Boerlo omschreven als ‘gelegen [. . .] met der eener sijden neven eener beken, ende voort alom neven de gemeynt’. Ergens na 1473 zien we een opsplitsing van het boerenbedrijf Boller in Groot en Klein (of nieuw) Boller.

Op 01.03.1543 verhief Adolf van Waldoes het hof Boerlo te Blerick ‘gelick Jan van Brede Brantsz. die te gebruycken plach[2]. Adolf van Waldoes en zijn vrouw Anna van Bree waren bewoners van huis Boerlo.

Op 07.09.1553 de volgende leenverheffing van kasteel Boerlo te Blerick: Jan van Kessel genaempt Brey of Bree den hoff Boirle verhief myt sijnen toebehoer in den gericht Blerick[3]. Hij was de zoon van Goert en Hedwig van Bree, en trouwde in 1562 met Elisabeth Roffaerts.

WebSchenckJonker Johan Schenck, geboren omstreeks 1525, had land in 1569 onder de klokkenslag van Bree geërfd van Johan van Kessel genaamd Breij. Hij woonde toen al op kasteel Boerlo, had aandeel van 1575-1588 in kasteel Boerlo en zijn twee hoeven oude Boerlo en nieuwe Boerlo. De familie Schenck van Nijdeggen was een adellijke familie in Blerick en bewoonde van 1569 tot 1674 het kasteel Boerlo. Johan, de eerste Schenck die beleend was met het kasteel en de omliggend landerijen, kreeg het waarschijnlijk in bezit door zijn huwelijken met respectievelijk Maria van Waldoes (d.v. Adolf van Waldoes en Anna van Bree) en Catherina van Kessel (d.v. Gerard van Kessel genaamd Roffert en Agnes Bruuns). Beide (schoon)families waren met een deel van Boerlo beleend. Johan's nazaten raakten via huwelijken verwant aan vele andere in de omgeving van Blerick wonende adellijke families. Zo trouwde Adolf (overleden in 1629), de eerste zoon van Johan, met Cornelia de Keverberg d'Aldenghoor, wier familie het kasteel Keverberg in Kessel bouwde. Adolfs zoon Arnold (overleden 1652) trouwde in zijn vierde huwelijk met Helena van Haeren. Zowel de familie De Keverberg als de familie Van Haeren stonden indertijd in hoog aanzien. De familie Schenck van Nydeggen overigens ook, want de leden ervan mochten zich Heer van Blerick noemen. Veel mannelijke leden waren militair. Zo verbleef Adolf lange tijd als soldaat in Italië. Eén van zijn zonen, Johan, was luitenant en stierf rond 1630 aan de gevolgen van een schot in zijn schouderblad.

De familie Schenck van Nijdeggen raakte de Heerlijkheid Blerick kwijt toen Karel II van Spanje in 1674 zijn bezittingen in deze streek verkocht. De heerlijkheid werd gekocht door Johannes Godefridus Adamus van Hasselholt, genaamd Stockhem. Op internet lezen we: In het jaar 1674, den elfden Meidag , werden de schepenen en de pastoor van Blerick naar Roermond geroepen, ten einde getuigen te zijn van het wettig in bezit nemen der Heerlijkheid Blerick door den edelen Joannes Adamus Van Hasselholt van Stockhem, als tijdelijke Heer van Blerick. Op 14 mei, herwaarts gekomen, werd genoemde heer in die hoedanigheid ingehuldigd. De leden der regering, de schutterij in ‘t geweer, benevens een aantal ingezetenen begaven zich gezamenlijk naar het door hem betrokken kasteel Boerlo, van waar hij vervolgens in geregelden stoet, door hen kerkwaarts werd begeleid. Ter kerke gekomen, werd hij als Heer van Blerick door den pastoor verwelkomd en in de eerbank, op het koor, toegelaten. Het hier aangehaalde kasteel en landgoed is in 1577 ten overstaan van Johann van Wittenhorst, heer te Horst, door Adolf Schenck van Nijdeggen aangekocht. In 1838 werd helzelve , bouwvallig zijnde, gekocht en geslecht door den heer notaris Romualdus Clercx, van Blerick. Het kasteel bevond zich geheel nabij en tegenover de tegenwoordige hoeve nog Groot-Boerlo genaamd, en was een ruim, fraai en sterk slot omgeven van grachten en voorzien van eene sierlijke kapel, waarin ook eertijds het H. Misoffer werd opgedragen.

WebPlatIn het begin van de 18-de eeuw was huis Boerlo bezit van Tilmannus Antonius van Aerssen, advocaat te Venlo (overleden 1715). Daarna van diens weduwe Clara Francisca Claessens (overleden 1728). Op 27 juni 1718 verscheen voor Gerard ingen Rijt scholtis, Peter Janssen en Aert Michels schepenen der heerlijkheid Blerick: Peter Beeck, bode van het hooggerechtshof te Venlo, die aan de heer Peter Francis van Aerssen namens bovengenoemde weduwe o.a. overdroeg; de helft van ongeveer acht morgen land aaneen gelegen, zuidwaarts aan de oude leenroerige erven van het huis Boerlo, en voor de rest rondom de gemeente aan den kant van den weg naar Sevenum; de helft van den Hoppencamp ongeveer 1½ morgen, liggende aan het begin van het Laarbroeck, aan den linkerkant in ’t opgaan naar het huis Boerlo. Verder de helft van een cijnsboekje, voorts al het vermeende recht, pretensie of actie, welke de voogden der kinderen van wijlen jonker Guilielmus Adolphus van Haeren en Joannes Baptista Ruysch meenden te hebben, in het geheel of ten deele in of op ’t huys van den ganschen Boerlo. Alsmede de helft van zekere parceelen bestaande in het huijs den kleijnen Boerlo genaemt, schuijre, backhuijs en daarbij liggende landerijen, groodt ongevehr derthien morgen.

Franciscus Gerardus Ruys (Venlo 1687– Venlo 1768), raadsheer bij het Hooggerechtshof te Venlo, trouwde te Blerick 16 Juni 1720 met Catharina Josepha van Aerssen (Roermond 1702 - Venlo 1732), dochter van Tilmanus Antonius van Aerssen, advocaat te Roermond en van Clara Francisca Claessens, vrouwe van Blerick. Hij werd in 1722 met de helft van de heerlijkheid Blerick beleend door Isabella Anna Maria van Dorth, weduwe van Joannes Adrianus Romer. Deze Joannes Adrianus Romer, die getrouwd was met een dochter uit de familie Schenck, had eerder Klein Boerlo aangekocht. Vanaf 1679 werd de Heerlijkheid Blerick in tweeën gesplitst en kregen zowel de familie Schenck als de familie Romer elk heerschappij over de helft van de heerlijkheid. Uiteindelijk kreeg Frans Gerard Ruys in 1722 de helft van de Romers. Hun drie kinderen:

  1. Gerlachus Arnoldus Joseph Ruys, heer van Blerick (1721-1742)
  2. Catharina Theresia Ruys, vrouwe van Blerick (1723-1787)
  3. Clara Francisca Ferdinanda Ruys (1726-1797); trouwde in 1785 Carolus Melchior Joannes Joseph van Laer, heer van Half-Blerick (1747-1797)

Huis Boerlo had een kapel. Op 23 november 1719 verleende de Bisschop van Roermond toestemming om in de kapel de mis te laten lezen voor Clara Francisca Claessens , haar dochter en twee huisknechten. Eenzelfde toestemming werd in 1725 en 1727 aan Henricus van Darth, schepen van Venlo, en zijn huisgenoten verleend. De toestemming werd in 1732 nog eens aangevraagd bij het bisdom en gegeven tot wederopzegging. Op 4 juni 1776 verkregen de dames Ruys eveneens toestemming voor vier jaar, om de Heilige Diensten in hun huiskapel te laten celebreren.

Heel interessant te lezen op internet:

a. op heeden 21 decemb 1728 is gecompareert den Heere Rath Ruijs ende heeft in plaetse van sijne overleedene schwijger moeder Clara Francisca Claessens geweesene vrouwe ven Blerick an’t bovenstaende parceel lijfgewijn ad vertijen morgen beneffens Hendrick Jacobs ten lijfgewins rechten te boeck doen stellen Hendrick Janssen oudt omtrent seven off achtentwintigh jaeren ende an de 22 morgen erffthins ten erffthins rechten te boeck gestelt Jacob Janssen oudt omtrent 24 jaeren welcke beijde Jacob en Hendricks Janssen gebroeders en soonen sijn van Jann Hendricks Halftman op den Egelbosch tot Blerick oircond laeten Matth Eijckelboom en Conradt an’t Vaeren.

b. op heeden dato onderss so is an het parceel onder Jacobs heft tot Schandlo ad 14 morgen in plaetse van Hendrick Jacobs ten lijffgewins rechten an den huijse Barsdonck beneffens den voorss Hendrick Jansen te boeck gestelt Lennardt Hoets soon van den halffman tegens woordigh op het Huijs Boerlo wonende oircondt laeten Joannes van Soest en Petrus Steegh Gribbenv den 8 aug 1749.

c. Den 16 maart 1782 liet de magistraat van Venlo omtrommelen, dat hij door de dames Ruys onderricht was, dat op 15 maart aan haar kasteel genaamd den Bolder, gelegen onder Blerick, een brandbrief is gevonden. De schrijver ervan dreigde de hoeven van genoemde juffrouwen in brand te zullen steken, wanneer niet op zekere plaats onder de jurisdictie van Venlo twaalf kronen werden neergelegd. De magistraat loofde een premie uit van 100 Kleefsche guldens voor het ontdekken van de dader.

WebLaerJohannes Godefridus Adamus van Hasselholt, genaamd Stockem, kocht in 1674 de Heerlijkheid Blerick van koning Karel II van Spanje. Hij was getrouwd met Catharina Beijs. Hij belastte 24 Maart 1673 zijn leengoed de Munt te Tegelen met 1300 pattacons ten profijte van jonker Christoffel van der Voordt. Zijn zuster Alexandria Maria, overleden te Blerick in 1677, trouwde te Venlo 3 Maart 1662 met Joannes Bertramus van Laer van Hoenlo (Baarlo 1632 - Blerick 1702), zoon van Hendrik van Laer en van Christina van den Bijlandt). Hij volgde zijn zwager op als heer van Blerick (1677-1702). Vanaf 1679 moest hij de heerschappij delen met achtereenvolgens de families Romer en Ruys. Zoon Otto Henricus van Laer volgde hem op in 1702 als heer van de halve heerlijkheid en woonde op Hiërshof (Laerhof), terwijl de families Romer en Ruys huis Boerlo bewoonden. In 1715 vond er een splitsing plaats. Een deel kwam achtereenvolgens in bezit van de families Romer (tot 1722) en Ruys (1722-1795), het andere van de familie van Laer (1715-1795). Uiteindelijk in de Franse tijd vervielen alle feodale rechten, en vanaf 1815 stond huis Boerlo leeg en raakte het verder in verval.

WebTranchotVolgens de Tranchot-kaart[4] uit het begin van de negentiende eeuw was het complex destijds omgeven door een binnen- en een buitengracht. Het hoofdgebouw had een naar het oosten geopende U-vormige plattegrond. Nog binnen de binnengracht lag ten noorden van het huis een plein met aan de oostzijde een bijgebouw. Ten noorden hiervan lag de binnengracht en reeds aan de noordzijde verdwenen buitengracht nog een plein. Dat werd aan weerszijden geflankeerd door bijgebouwen waarin het landbouwbedrijf zal zijn uitgeoefend. In 1836 verkeerde het hoofdgebouw in dermate bouwvallige staat dat het door notaris Clerx werd vervangen door een nieuw U-vormig landhuis, dat op zijn beurt in 1957 is gesloopt vanwege de uitbreiding van het industrieterrein Groot-Boller. Daarbij verdween ook het restant van de gracht.

WebkastOp 20 december 1836 werd het kasteel van de erven Ruys de Nieuwenbroeck (Beesel) aangekocht door notaris Johannes Romuald Clercx uit Overpelt en diens Venlose echtgenote Anna Catharina Lucia Soiron. Het echtpaar liet het vervallen kasteel afbreken en enige tijd later op dezelfde plaats een landhuis bouwen dat de toepasselijke bijnaam ut Kastielke kreeg. Hun zoon Jean, Johannes Mattheüs Ludovicus Hubertus Clercx (Kessel 1830 – Blerick 1894), was een Nederlandse jurist, politicus en journalist. Jean Clercx studeerde rechtsgeleerdheid in Leuven en Utrecht, waar hij in 1854 promoveerde, waarna hij zich vestigde in Blerick als advocaat. In 1857 trouwde hij in Tegelen met Elisa Carola Theodora Joanna de Rijk, het huwelijk bleef kinderloos. Hij was in de gemeente Maasbree, waar Blerick deel van uitmaakte, onder meer actief als raadslid, wethouder en twee perioden (van 1863-1867 en van 1892-1894) als burgemeester. In 1867 werd hij benoemd tot notaris te Blerick. Vanaf 1869 was Clercx actief als hoofdredacteur van het Nieuw Weekblad Venloosche Courant. In 1869 werd hij als liberaal Tweede Kamerkandidaat verslagen door Leopold Haffmans. Hij bleef, als een der laatste Limburgse katholieke politici, de liberale beginselen trouw tot circa 1875. Van 1872 tot 1894 was hij ook kantonrechter-plaatsvervanger te Venlo. In 1876 werd Clercx in de Provinciale Staten van Limburg verkozen en in 1882 in het district Boxmeer in de Tweede Kamer. Als hoofdredacteur van de Venloosche Courant voerde Clercx heftige polemieken met eerdergenoemde Leopold Haffmans, de hoofdredacteur van het Venloosch Weekblad. Clercx had de bijnaam de Hiër van Bliërick (Heer van Blerick). Hij was eigenaar van verschillende bossen, boerderijen, het voormalige Fort Sint-Michiel en het landhuis op de plek van het vroegere kasteel Boerlo.

WebKleinGroot-Boller werd in 1957 gesloopt om plaats te maken voor het gelijknamige industrieterrein. Datzelfde gebeurde met ut Kastielke, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd was geraakt. Boerderij Klein Boller (zie afb.rechts) bestaat nog steeds. In het oude Klein Boller schijnt overigens ook een huiskapel te zijn geweest, en links van het gebouw was een schaapskooi. Een van de bewoners van Klein Boerlo was Andreas op ten Bulten (1613 - na 1683), ook op Nieuwen Boerlo genoemd. Hij was pachter van de familie Schenck 1631-1638 op Nieuw Boerlo. Een aardig detail: omstreeks 1631 verklaarde Driesken op Boller pachter op gen Nieuwen hoff voor schepenen dat zijn knecht Thysken elsenhout had afgehakt [het rooien van bomen was slechts toegestaan na goedkeuring eigenaar of grondheer].

Huis Boerlo is voorgoed van de aardbodem verdwenen, we weten nu wel iets meer over zijn ontstaan, zijn bewoners en zijn geschiedenis. Het enige wat jullie herkennen zijn de straatnamen die herinneren aan de heren van Blerick. Ut Kastiëlke was de thuisbasis van die Hiëre van Blierick en als dank zorgvuldig begraven onder het doodsaaie industrieterrein Groot Boller. Ga zelf eens op zoek in onderstaande publicaties en ervaar net als ik ‘wie zijn verleden niet eert, is de toekomst niet weerd’.

WebGrootPublicaties van A - Z:

  • Anoniem, Korte beschryving en teekening van Venlo en deszelfs omstreken: kaart van de provincie Limburg met het emplacement van het leger te velde, 's-Gravenhage, Van Lier, 1839, 4 p.
  • Anoniem, Stadt und Festung Venlo, besonders in kriegsgeschichtlicher Beziehung, Coblenz, Karl Baedeker, 1839, 14 p. met krt.
  • Crassier, Louis baron de, Dictionnaire historique du Limbourg néerlandais de la période féodale à nos jours, Maastricht, Van Aelst, opnieuw gepagineerde overdruk uit Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 1930-1937, p. 258.
  • Flokstra, M., 'Riddermatige Huizen in het Pruisisch Gelders Overkwartier' in: Castellogica III, (1993-1997), p. 235-248.
  • Gommans, G., Blaricum, Blerke, Blerick, z.p. (Blerick), z.j. (1978), p.216
  • Gorissen, A. & R. van der Hoek, Blerickclopedie: encyclopedie voor Blerick, Venlo, Gorissen en Van der Hoek Tekstprodukties, 1994, p.175
  • Hanssen, J.H., De familie Schenck van Nydeggen op Huis Boerlo te Blerick, in: De Nederlandse Leeuw, 110(1993), k. 455-474.
  • Hout, L.W.M. van & C.J.W.A. Klerken, De Kesselse tynslegger van Blerick, 1441-1515, Venlo, Gemeentearchief Venlo, 1996, p.84
  • http://nl.dbpedia.org/page/Jean_Clercx
  • http://www.citadelvenlo.org/historische-plaatsen/boekend/boerlo.htm
  • http://www.genbronnen.nl/genealogie/schenck-van-nydeggen/deel-IIa.html
  • http://www.kasteleninnederland.nl/kasteeldetails.php?id=527
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Schenck_van_Nijdeggen
  • Huijs, Th., De vergadering van geërfden in Blerick, z.p. (scriptie RUL), z.j. (± 1973).
  • Hupperetz, W., B. Olde Meierink en R. Rommes (red.), Kastelen in Limburg. Burchten en landhuizen (1000-1800), Utrecht, Matrijs, 2006, p.167.
  • Janssen de Limpens, K.J.Th., Leen- en laathoven in de Maaslandse territoria vóór 1795, (Werken uitgegeven door Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, nr. 6) Maastricht, 1974, p.170 (nr. 964).
  • Kalkwiek, K.A. - De hertog en zijn burchten, 1976 – p.170
  • Lamberts, A. et al., Venlo binnen en buiten zijn muren, Venlo, Dagblad voor Noord-Limburg, 1984, p.224
  • Landesarchivverwaltung Nordrhein Westfalen, Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Karte 2976, afmeting 50,0*37,8cm. Detail huis Boerlo. Er ontbreekt een gedeelte van de kaart, waardoor titel, schaal, maker en jaartal onbekend blijven.
  • Landschappen van Maas en Peel – J.Renes – 1999 - http://edepot.wur.nl/211741 .
  • Olde Meierink, L.H.M. - Kastelen in Limburg, 2005 – p.167-168
  • Peeters, G., 'Geschiedkundige beschrijving van het aloude kerspel Blerick bij Venlo' in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, 7(1870), p.234-332. (Ook als overdruk in 1870 bij Romen te Venlo)
  • Publication – 1870 – p.273-274
  • Schotten, J., Tussen Rome en Gelre: een archeologische verkenning van middeleeuws Venlo en Blerick, Venlo, Stichting Archeologisch Onderzoek Venlo, 1995, p.48
  • Simons, M., W. Hendricks & F. Peeters, Bliërick vruuger, z.p., 1974.
  • Verzijl, J., 'Het voormalige huis Boerlo te Blerick' in: De Maasgouw, 54(1934), p. 9.
  • Win, de J.Th.H. - Kastelen in Limburg, 1978 – p.107

[1] een kamp is in de toponymie een open ruimte of veld in het landschap

[2] RA Noord-Brabant - archief leenhof Cuyck inv. nr. 9 fol. XLV verso

[3] RA Noord-Brabant - archief leenhof Cuyck inv. nr. 4 fol. XXXVII

[4] Gedetailleerde topografische kaart van het gebied Rijn-Maas-Moezel. De kaart is genoemd naar de Franse ingenieur-cartograaf kolonel Tranchot, onder wiens leiding de cartering was uitgevoerd. Op de (schaal 1:2000) kaart is ook het gedeelte van het Maasdal bij Venlo opgemeten door Tranchot en Von Müffling gedurende de periode 1803-1820. De kaart is een waardevolle bron voor de bestudering van Venlo's historie in het begin van de negentiende eeuw. De originele kaart bevindt zich in de Staatsbibliotheek te Marburg.

maandag 29 september 2014

De Kaolentip


Op Facebook verschijnen de laatste tijd veel oude foto’s van Blerick. Hiernaar kijkend word je al snel meegenomen naar dat roestige verleden, veel dierbare herinneringen komen dan weer boven. Tussen al die foto’s mistte ik toch wel een plaatje van de Kaolentip. Vanaf 1953 nam mijn vader me wel eens mee voorop de fiets om daar te gaan vissen. Ik mocht op de stang zitten met twee voetjes aan één kant. ‘Waal goôd met de hand in ut midden vashalde, en stilzitte, anders kan pap neet goôd sture’, kreeg ik te horen. Zo vertrokken we uit de Leeuwerikstraat, de ‘visgaerde’ vastgebonden onder langs de stang waar ik op zat, en de volle fietstassen hangend aan d’n ‘draeger’. ‘Ik gaon met pap visse’, riep ik tegen iedereen die we passeerden. De Leeuwerikstraat helemaal door, schuin linksaf over de Fort Sint Michiel richting de overweg naar de Sint Annaweg. Voorbij aan de Verbindingsstraat met daarachter het ‘verrannuweerde’ speeltuintje waar jongens voetbalden op een ongelijk veldje. We fietsten voorbij die imposante werkplaats van het ‘Spaor’, gescheiden van de weg door de ‘Terbaek’. Je zag meteen waaraan die vieze sloot zijn sinistere naam te danken had, een bruinzwarte rand scheidde het roestbruine water van het medelijden wekkende geelgroene talud. We staken de overweg over van de spoorlijn naar Nijmegen. Mijn vader riep ‘hoi Handrie’ tegen de man die verveeld bij het wachthuisje zat. Even later linksaf de Horsterweg op langs het ‘greun dörp’. In die noodwoningen woonden de mensen die het niet zo breed hadden, ‘maar dao kinne die minse auk niks aan doôn’ zei m’n vader. Vanaf hier werd het spannend, want even later sloeg pap rechtsaf, een zandweg tussen de Wienkelder’, een klein bosgebied, en het land van boerderij Groët Raay door.



Bij elke kuil voelde ik erg pijnlijk dat mijn kont best nog wat meer zitvlees kon gebruiken. Eindelijk stopten we voor het prikkeldraad, met daarachter die rare bult in het landschap. Diepbruine immense balken stonden op gepaste afstand naast elkaar spookachtig ietwat voorover gebogen richting Maas. Verroeste banden omklemden elke balk. De daaraan verbonden bijna doorgeroeste profielen deden verwoede pogingen om de balken houvast te bieden in een grillig talud. Hoog struikgewas en kleine zandstrandjes markeerden de Maasoever. Het geheel maakte op mij een macabere indruk, en nooit had ik me afgevraagd wat daarvan de oorspronkelijke functie was. Een recent ontdekt krantenartikel uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 9 augustus 1924 geeft eindelijk antwoord. Lees het maar eens door.
Terug naar dat vissen, dat was niet echt zo mijn ding. Ik was dat vlug moe en kroop dan omhoog in de wei waar de koeien ons stonden aan te loeren als een kist wortelen. En ook daartegen was je al snel uitgepraat, en uitgekeken op die machtige maar oerstomme koeienkoppen. Mijn vrijgezelle oom Sra, we noemden hem Aatje, zat een eindje van mijn vader af te vissen. In de wei lagen opvallend veel van die kleine steentjes, waarmee ik op gepaste afstand Aatje besloot te bekogelen. Eerst een paar meter achter hem, verschrikt keek hij schuin omhoog. Geen reactie. Dan maar ietsjes dichterbij mikken. Aatje draaide zich om en zei ‘doôt neet zoewe vervaelend, laot det’. Nou ja, dat was toch geen overtuigend argument om ermee te stoppen? Heel zorgvuldig gingen de volgende steentjes naar de rand van het water. ‘Godverdômmes rot jôngk, scheij daor met oët’. Aatje haalde op en deed een nieuw wormpje aan de haak. Voorzichtig zette hij in en speels huppelde de dobber een beetje na. Heej, dát was een mooi mikpunt. En welgemikt gingen de volgende steentjes richting de langzaam met de Maas meedeinende dobber. Aatje stond op en explodeerde: ‘godnondedjuuse rotklier, nog eine kiër en ik dreij dich de nek um!’, en richting mijn vader riep hij: ‘Piet, zeg ens taege det vervaelend jôngk dette oët scheijt of d’r gebeure ongelökke . . . ‘.

Mijn vader was niet zo van dat straffen, ik kan me niet herinneren dat ie me ooit een klap heeft verkocht. Zelfs geen schop onder m’n kont. ‘Kôm maar heej jông, dan gaon we zwumme in de Majjum!’. Dat was niet tegen dovemansoren, en in een mum van tijd stond ik beneden in mijn onderbroekje naast mijn vader. ‘Nou, nou, maar röstig aan . . ‘. Met enige schaamte maar vol bewondering keek ik toe hoe mijn vader, in iets meer gematigd tempo als ik, zich ontdeed van zijn kleren. Zijn witte onderbroek hing wat slordig onder zijn immense buik. Ineens begreep ik de grap die hij laatst maakte: ‘ik heb gen dieke erm, maar waal dun bein’, zei hij wel eens. Ik schaterde van het lachen mijn vader zo te zien, die asperges-witte spillebenen, die spierwitte dunne bovenarmen boven die prachtig gebruinde en behaarde onderarmen. En dan die knappe bruine kale kop op dat geweldig goed doorvoede lijf. Even later daalden we samen hand-in-hand voorzichtig af naar een zandstrandje, het frisse water van de Maas in. Geweldig, zo wil ik altijd wel mee vissen! Maar volgens mij is de Maas nu toch wel schoner als 60 jaar geleden, want ik zie het zo weer voor me. Mijn vader stapte uit het water en in elke witte huidporie zag je een zwart puntje vuil zitten, heel grappig. Maar echt leuk was het om je vader in een nadruipende witte onderfleur naar boven te zien kruipen. Het witte geval hing te zwaar van het Maaswater half afgezakt aan zijn bescheiden heupen, een behoorlijke bilnaad zichtbaar makend. Deze misschien troosteloze aanblik gaf mij een onvergetelijk en gelukzalig gevoel van verbondenheid, want dit was mijn vader!!


We gaan naar huis, mijn vader gaat eerst nog even een praatje maken met zijn oudere broer Sra, alias Aatje. Hij biedt hem waarschijnlijk als troost voor de ondergane ergernis een sigaret aan en samen staan ze wat te kletsen. Ik besluit op gepaste afstand te blijven en probeer wat platte stenen over het Maaswater te laten ketsen. Soms stuiteren de stenen wel tien keer ver, steeds een kleiner kringetje in het water achterlatend. Achter me staat zo’n stomme koe toe te kijken. ‘Kôm we gaon, kinne we nog wat braomele plökke veur mam’, hoor ik mijn vader zeggen.
Een dag vol mooie herinneringen aan die Kaolentip, voor altijd gegrift in mijn geheugen. Nu, 60 jaar later blijkt die Kaolentip eigenlijk een geweldig fiasco te zijn geweest, zoals we kunnen nalezen in de Limburger Koerier van 9 maart 1925. Inmiddels is alles echt compleet verdwenen, zorgvuldig opgeruimd en herinnert niets meer aan het ‘totaal mislukte groote werk’. Ik ben er nog wel eens helemaal in m’n eentje terug geweest om mijn herinneringen weer houvast en kleur te geven. Helaas, ik moest er even zwaar teleurgesteld bij gaan zitten, ik heb mijn ogen gesloten en slechts geluisterd naar de zacht en onregelmatig kabbelende Maas.
 
Wat de Maas toen voor mij dicteerde heb ik hierboven voor jullie opgeschreven.
 
De Kaolentip, zeker geen fiasco . . .