maandag 22 juni 2015

Doodslag in Blerick landelijk nieuws in 1913

doodslag1

Op 24 december 1913 komt een man op de Nieuwborgstraat met messteken om het leven. Het is de 41-jarige Martinus Sparidaans, geboren 19.05.1872 Tilburg, wagenlichter bij het spoor. Hij was getrouwd 08.05.1893 in Maasbree met Wilhelmina Hendrikx. Hij woonde op de Leeuwerikstraat 32 en had zes kinderen. Zijn vrouw was op dat moment twee maanden in verwachting.

imageHet Nieuws van den dag schrijft 24 december: ‘Men meldt ons uit Blerick: Dinsdagnacht is een zekere Sparidaans aldaar doodgestoken. De vermoedelijke dader is aangehouden’. De dader blijkt Mathijs Renier Houben, geb.19.07.1880 Maasbree, spoorbeambte.

Enkele dagen later komt het Rotterdamsch nieuwsblad met iets meer informatie van ‘De doodslag te Blerik: Zooals wij reeds mededeelden is te Blerik de werkman Sparidaans, van de werkplaats der Staatsspoor van het nabijgelegen Venloo, dood gestoken. De verslagene laat een vrouw met 8 (moet zijn 6) kinderen achter. De cafés waren reeds gesloten, toen op straat een vechtpartij ontstond. De uitslag der herstemming voor een lid der Provinciale Staten had de menschen in een opgewonden stemming gebracht. Sparidaans, de verslagene, die met den twist niets uitstaande had, kwam uit nieuwsgierigheid toeloopen en ontving een steek in het linkerdijbeen, waardoor een slagader werd doorgesneden. Enkel minuten later was hij reeds overleden aan verbloeding. Twee personen zijn aangehouden.’

Op 7 februari 1914 lezen we in het Rotterdamsch nieuwsblad: ‘Het OM bij de rechtbank te Roermond heeft tegen R.H.H., arbeider bij de Staatsspoor te Blerick wegens mishandeling met doodelijk gevolg op M.Sparidaans, arbeider aldaar, 2 jaar gevangenisstraf geëischt.’

De Tilburgse courant van 29 december 1913 geeft een volledig verslag van wat er gebeurd is. Blijkbaar waren verdachte en slachtoffer beiden lid van de Fanfare der Centrale Werkplaats. Ze hadden een serenade gebracht voor een nieuw gekozen lid van de Provinciale Staten, en er daarna waarschijnlijk stevig op gedronken. Martinus Sparidaans wilde waarschijnlijk tussenbeide komen in een ruzie tussen Houben en Hendriks met de noodlottige afloop. Veldwachter Bolle Pietje is snel ter plaatse, maar kan alleen de verdachten staande houden. Van moord is hier dus geen sprake, alhoewel dat voor het gezin Sparidaans weinig verschil heeft gemaakt. Lees het krantenbericht maar eens door!

doodslag2

vrijdag 19 juni 2015

De van Bornestraat vóór de sloop

1967

Vanuit de oude dorpskern van Blerick liepen wat niet al te rechte paadjes naar de omliggende velden en buurtschappen. Die paadjes werden weggetjes waarlangs wat huisjes werden gebouwd. Het dorp breidde geleidelijk uit en er ontstonden straatjes waar de Blerickenaren het zich gezellig maakten en de ‘naoberplicht’ cultiveerden. Niets was indertijd recht in Blerick, het was een gezellige ‘onderein’. Een ideale leeromgeving voor de latere rijopleiding van de kazerne.

aavanBornestraEen van die uitvalweggetjes was de van Bornestraat, zoals te zien als een witte stippellijn hiernaast. Vanaf het kruispunt Pepijnstraat / Kloosterstraat liep vroeger de van Bornestraat, die vanaf de Jacob Catsstraat ongemerkt overging in de Nieuwborgstraat. Zo’n typisch dorpsstraatje zoals dat bij Blerick paste. Na een eng stukje tussen van Ewijk en zaal Juliana door kreeg je een klein pleintje bij Basten, een stukje verderop alweer zo’n ingewikkeld stukje Blerick. Linksaf de Averbodestraat en rechts een verbinding naar de Urbanusstraat. Weer een klein stukje verder rechtsaf de Wieënstraat. In deze verwarring ingeklemd lag een klein perkje met een bank onder een boom, de Julianaboom. In 1909 werd deze boom geplant bij de geboorte van prinses Juliana, op de foto rechts zien we de boom achterin bij de lantaarnpaal. De van Bornestraat heette tot 1940 dan ook de Julianastraat. Na de invasie van de Duitsers en de inname door Venlo moesten vele straatnamen in Blerick eraan geloven, dus ook de Julianastraat. Slechts de boom en zaal Juliana herinnerden aan onze prinses en latere koningin. Na 65 jaar werd de boom bij de aanleg van het Schepenenplein in 1974 verplant en moest even later definitief het loodje leggen. Ja, iedereen weet het, oude bomen moet je niet verplaatsen. De nieuwe van Bornestraat werd vernoemd naar Otto van Borne (1170-1220), de vazal van de Graaf van Loon die goederen in Blerick beheerde. Misschien geen slechte vervanger, hij stichtte ook de Lambertuskerk in 1219.

1942-3

1942-2

Op FaceboaaBasten3ek ‘Bliërick van vruueger en noow’ komen een aantal foto’s voorbij van de van Bornestraat. Het zijn meestal naamloze getuigen, daarom ben ik nog eens op zoek gegaan naar wat krantenknipsels uit de Nieuwe Venlosche Courant van tijdens de tweede wereldoorlog. De verschillende flarden geven zeker geen compleet beeld, maar wel een kleine inkijk naar die bewoners van zo’n 70 jaar geleden.

Op de foto links zien we het eerste smalle stukje van Bornestraat en hieronder café Traut.

Op nr.1 blijkt in 1942 een snelweger en een nieuwe wit gelakte winkelopstand te koop. Op nr.21 kun je je naaimachine te koop aanbieden tegen de hoogste prijzen, ze mogen zelfs defect zijn. In oktober schenkt mevrouw Smetsers-Hermans op nr.14 het leven aan een zoon. Op nr.24 (voorheen Julianastraat) overlijdt Joanna Welles, weduwe van Jan Hubertus Peeters, en eerder van Bernard Hubertus Peeters. Op 25 november gaat Adela Niessen van nr.8 trouwen met Karst Hoogenberg.

aaTraut2

Uit de krant

1942-1

Op 23 januari 1943 bedankt het echtpaar Hoogenberg-Niessen van nr.8 voor de belangstelling bij het huwelijk. Op nr.19 woont ene J.Kessels, die geïnteresseerd blijkt in aan- en verkoop van brandhout. Waarschijnlijk is dit de vader van Lou Kessels, een goede biljartspeler. J.van Hoogstraten van nr.25 zoekt een flinke leerjongen. Jacobs van nr.2 vindt het hoog tijd voor de tabaksplanten. Mevrouw G.Schreuder van nr. 1 is op zoek naar een goed wollen badpak, terwijl ene J.Schreuder van nr.7 een flink meisje zoekt voor de morgenuren.

Op 4 augustus wordt op nr.2 bij Jacobs een sikkel met bijbehoren gestolen, hij roept de ‘persoon’ op een en ander terug te bezorgen. Verder verliest een kind van van Hoogstraten zijn schoentje, de eerlijke vinder wordt verzocht dit terug te brengen. G.Titulaer van nr.51 wil zijn hoge CRES-schoenen maat 30 ruilen voor een fort of ander jongensspeelgoed!

1943-2

1943-1IMG_0994In 1943 wenst A.Smits van ‘de kleine winst’ van nr.19 clientèle, familie en bekenden een zalig nieuwjaar. Daaronder wenst ene J.Smits ‘koloniale waren’ van de van Bornestraat hetzelfde. In 1944 overlijdt ene Peter Antonius Smits, 40 jaar, op 4 september 1904 te Blerick geboren, broeder van de Congregatie der broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, bekend onder de kloosternaam Reginaldus, voorheen wonende Julianastraat 21 te Blerick, op 22 april 1918 verhuisd naar Oud-Vroenhoven, later naar het klooster Kelfkensbos in Nijmegen. Op donderdag 5 oktober 1944 te Nijmegen door granaatvuur om het leven gekomen bij het bergen van weckflessen uit de kelder van het verbrande broederklooster aan het Kelfkensbos. (bron: oorlogsdodensite gemeente Nijmegen).

1944-1

Smederij P.Niessen van nr.30 sluit twee dagen vanwege een familiefeest. Een jaar later woont P.Savelkouls op nr.30 en biedt pootuienplanten aan. J.Puts van nr.12 sluit de rij, hij zoekt een verzilverd trompet-mondstuk.BoerderijWelles2

De van Bornestraat nummer 6

kon ik in 1967 huren van een Tegelse eigenaar. Je kreeg in die tijd niet makkelijk een huis en ik was als de koning te rijk. Echter er zat een addertje onder het gras. Een onteigenings-procedure liep al, en hij dacht meer te vangen als het bewoond was. Ik heb er vijf jaar gewoond. Natuurlijk niet veel aan opgeknapt, maar als het nodig was, stak buurman Pauwels de helpende hand toe. Geweldig gezellig zo midden in het dorp, maar zeker ook beangstigend met die aanhoudende sloop van de huizen om ons heen. ‘s Zondagsavond met die van HVB een pilske drinken bij Juliana, waar ‘Leike’ en alle regionale sportuitslagen van het weekend langskwamen. De harmonie stelde zich op bij ons voor de deur, en met twee stappen stonden we met de neus vooraan. Alle winkels vlakbij en genoeg speelkameraadjes voor mijn oudste zoon. Naast (achter) ons in de Pepijnstraat woonden twee geweldige families Simons. In de ligusterheg die ons scheidde had mijn oudste zoon al snel een gat gevonden. En als we hem kwijt waren zat hij bij ‘tante Mia’ (Simons-Segers), wat een lief mens. In 1971 werd onze tweede zoon geboren, en de van Bornestraat 6 verzeilde steeds meer in de sferen van een eenzaam verloederd eiland. De ligusterheg werd geleidelijk aan een publiek urinoir, en twee keer moest ik ‘s nachts het bed uit om mijn auto te behoeden voor diefstal. Maar de verkoop wilde maar niet vlotten en vervangende woonruimte bleef uit. En het werd nog erger, onze buurman ging verhuizen en besloot als afscheids-kadootje nog even de ruiten in te gooien. Dat betekende nachtenlang waken totdat de brandweer eindelijk besloot na een poging tot brandstichting de ramen toe te metselen bij de buren. Die buren hielden zowel honden als vogels, en bleken het niet zo nauw met de hygiëne te hebben genomen. ‘s Nachts hoorde je de ratten over de planken vloeren rennen en schreeuwen als kleine kinderen. Met mijn 1.92m lengte en bijna aaNr6100kg schoon-aan-de-haak niet erg bang aangelegd, maar die tergende bezorgdheid voor twee kleine kinderen stond maandenlang te weinig slaap toe.

Toen we ‘letztendlich’ in 1972 verhuisden had dat toch nog een dubbel gevoel. Het plezierig wonen in het dorp afwegen tegen de toenemende bedreiging van een gewetenloze omgeving. In vijf jaar tijd zagen we een sociaal vriendelijke omgeving wegkwijnen en verworden naar een asociaal haat zaaiend getto. De laatste avond had ik nog de banken uit mijn Dyane gehaald en het dak opengerold. Zittend op een Pope-klos vervoerde ik de laatste spullen uit de van Bornestraat. Toen ik de volgende dag nog wat achtergebleven gereedschap wilde ophalen, bleek dat niet meer nodig. De voordeur was ingetrapt en alles wat loszat was vernield en mijn gereedschap verdwenen.

Waarom vertel ik dat

1979In het begin van mijn verhaal staat op de plattegrond in die gele cirkel de situatie toen ik er kwam wonen. Hiernaast zoals de situatie was 12 jaar later in 1979, de witte stippellijn was ooit de van Bornestraat. Het knusse dorpscentrum met zijn uitvalweggetjes is weggevaagd en vervangen door een winkelcentrum met heel veel parkeerruimte. Veel winkels kwamen, een aantal van die winkels verdwenen ook weer. De Staay kwam en is inmiddels alweer verdwenen. Jaren terug liep ik nog wel eens over de kermis op het Schepenenplein. Heel andere sfeer als vroeger op het Lambertusplein. Maar stelde ik me dat voor of is het toch echt waar. Dat onpersoonlijke, ja zelfs dat asociale gevoel van dat laatste jaar in de van Bornestraat kwam weer over me. Je moet niet zaniken, de vooruitgang hou je immers niet tegen. Je wordt een ouwe zak, die vindt dat vroeger altijd alles beter was. Hou daar toch eens mee op . . . !

Op 24 april had ik toch maar een gesprek gekregen met wethouder Jos Teeuwen en twee van zijn ambtenaren. Op vriendelijke toon en met weloverwogen argumenten heb ik voor hen geanalyseerd dat ze er een zootje van gemaakt hebben in Blerick. Met de ons omringende dorpen als sprekende voorbeelden heb ik ook gemotiveerd hoe het vanaf nu beter zou kunnen (en eigenlijk moeten). Natuurlijk baat dat niet . . . ?

Maar het zijn niet de straatjes en de huizen die ze gesloopt hebben, maar ook een stukje van ons dorpse karakter en onze dorpse inborst.

woensdag 3 juni 2015

Hou jij ze dom, hou ik ze arm

imageWas eeuwenlang de gezegende afspraak tussen de pastoor en de notabelen van het dorp. Wilde je een lapje grond op jouw naam krijgen, werd dat keurig in een akte vastgelegd door de notaris tegen een hoge vergoeding. Dat lapje grond moest betaald worden, en dat geld kon je weer lenen tegen hoge rente bij de bankdirecteur. Natuurlijk bracht het lapje grond onvoldoende op, dus moest je elders erbij gaan werken. En werk kreeg je alleen als je een briefje van goed gedrag had van pastoor. En pastoor kreeg steeds het beste stukje vlees van de slacht en een gedeelte van de oogst. En zo ploeterde een heel dorp zich te pletter om die drie klojo’s zich samen te laten verrijken. En pastoor strooide elke zondag als zout in de wonden ook nog eens zijn donderpreek uit over die armoedzaaiers. Respect voor het gezag, gehoorzaamheid aan de kerk, keihard ploeteren en zo zuinig mogelijk overleven waren de vaste repeterende onderwerpen. Hou jij ze dom, hou ik ze arm is niet zomaar de clou van een heel ouwe grap. Nee, die zich een beetje verdiept in zijn genealogie voelt de zware last van dat grote onrecht in de nagelaten sporen van zijn voorouders.

Het is nog niet zolang geleden dat meneer pastoor regelmatige huisbezoeken aflegde. Mijn moeder schrok al als ze hem met zijn damesfiets door de straat zag rijden, en uitte daarbij krachttermen die meneer pastoor zeker niet had goedgekeurd. Hoe klein ik ook was, heel goed kan ik me die bezoekjes herinneren. Pastoor kwam ’s avonds na het avondeten, mijn vader zat van zijn sigaretje achter de krant te genieten in zijn leunstoel. Om het eten te laten zakken, zoals ze dat zeiden. Iedereen kwam bij ons achterom, maar pastoor werd binnengelaten door de voordeur. Mijn vader stond op en samen gingen ze in de goede kamer zitten, aan de voorkant van het huis achter de schuifdeuren. Ik nestelde mij stiekem op de grond naast de tafel. ‘Truus, zet jij verse koffie voor meneer pastoor?’, zei mijn vader totaal overbodig. Hijzelf liep naar de dressoir voor twee mooi geslepen borrelglaasjes en de aangebroken fles vieux. ‘Borreltje meneer pastoor?’, vroeg mijn vader alweer compleet overbodig. Met vaste hand schonk mijn vader de twee glaasjes volkomen gelijkwaardig vol en mikte tot twee keer toe heel voorzichtig de laatste druppel in het glaasje. Mijn vader had blijkbaar genoeg van die overbodige plichtmatige vragen en legde een van zijn zondagse sigaren naast de borrel van meneer pastoor.

clip_image004 ‘Hoe gaat het ermee Titulaer, ik zie u nog steeds niet in de kerk?’, zei pastoor. ‘Een hele geruststelling, meneer pastoor, dan is er nog niets mis met uw ogen. En ik zou daar ook maar niet te veel op rekenen!’, antwoordde mijn vader heel alert. De toon voor het gesprek was gezet, en ik vond dat heel moedig van mijn vader. Maar meneer pastoor probeerde gedragen op serene toon mijn vader het belang uiteen te zetten van regelmatig kerkbezoek, en uiteraard een regelmatige geldelijke bijdrage aan zijn dure instituut. Mijn vader pareerde dit met een gloeiend betoog dat respect naar de medemens en het zichtbaar en controleerbaar naleven van de tien geboden voor hem belangrijker waren. Ja, dat was pastoor met hem eens maar getuigenis afleggen samen met zijn medegelovigen in de kerk was toch een wezenlijke steunpilaar van de katholieke kerk. Mijn vader knipte zorgvuldig het mondstukje van zijn nieuwe sigaar en ik zag hem nadenken over zijn verder te volgen taktiek. ‘Medegelovigen?’, sprak hij op plechtige toon en klikte het sigarenmesje weer dicht. ‘Kan me nog heel scherp het verhaal herinneren dat Jezus die farizeeërs uit de tempel joeg? Als u nu ook eens begon met die schijnheiligen in de kerk de les te lezen, te beginnen met die helemaal vooraan hun zitplaats hebben gekocht! Ze belazeren de boel en schrijven andermans vrouwen op. Ik doe dat niet, ik gedraag mij zoals het hoort en ik voel me bij die club niet thuis!’. Er ontstaat een enge doodse stilte, gelukkig komt mijn moeder binnen met de koffie. Ik schuif wat verder onopvallend onder de tafel, want ik wil nu niet als een van die farizeeërs worden weggestuurd. En ik voel dat hier iets historisch staat te gebeuren. Pastoor verliest de greep op zijn schaapjes, ze worden mondiger en laten zich niet meer arm lullen.

‘Ja, maar onze lieve heer heeft toch altijd het beste met ons voor. We zijn voor hem allemaal gelijk en we zullen straks ook als gelijken verantwoording moeten afleggen’, probeert meneer pastoor. Het gesprek lijkt muurvast vast te lopen, ik durf bijna niet meer adem te halen. ‘Over welke onze lieve heer hebben we het hier eigenlijk’, zei mijn vader, ‘die uit Kevelaer of die van ut kepelke van Genuuje?’. clip_image005 Ik hoor meneer pastoor zachtjes slurpen aan de hete koffie. ‘U bent toch wel op de hoogte dat nog niet zolang geleden die Pruusse de kaarsenkapel in Kevelaer zwart blakerden, en dat ze toch maar sicher den Endsieg zouden veiligstellen voor het Germaanse ras. En op hetzelfde moment konden ze in ut kepelke van Genuuje de kaarsen niet aangesleept krijgen. Mensen baden zich de knieën blauw, dat ze die Pruusse toch maar allemaal overhoop mochten knallen’.

Mijn vader was een verstandige man, die overal veel over nadacht, en vervolgens dan ook voor zijn mening durfde uit te komen. En aan de rustige manier waarop, en met die overtuiging waarmee hij meneer pastoor toesprak vervulde mij met trots onder de tafel. Meneer pastoor wist even niet meer waar de juiste en passende argumenten tevoorschijn te toveren uit zijn eigen oude en nieuwe testament. ‘Ik zal u vertellen, meneer pastoor, als ik ’s zondagsmorgens aan de Maas zit dan vind ik meer bezinning, rust, geluk en blijdschap als bij u op die harde strafbanken’. Meneer pastoor zuchtte tot twee keer toe en moest het op een andere boeg gaan gooien. ‘Oh ja, gaat u nog altijd vissen . . . ‘, klonk het heel bevrijdend.

‘Willen jullie nog een kop koffie’, vroeg mijn moeder, die met de groen geëmailleerde kan binnenkwam. ‘Graag’, klonk het uit twee monden. ‘En voor jou is het bedtijd, ik had je wel gezien . . ‘, zei ze tegen mij. Ik schravelde me omhoog, zei netjes gedag tegen meneer pastoor en mijn vader en verdween met mijn moeder tussen de schuifdeuren. Toen ik even later in bed lag hoorde ik ze nog lang samen praten en lachen.

Vaak denk ik daar nog aan terug. Als kleine jongen kreeg ik immers regelmatig te horen dat mijn vader niet naar de kerk ging. Ook een enkele ouder van een vriendje liet wel eens ontvallen dat ik er eentje was van iemand die niet naar de kerk ging. Zelfs een onderwijzer op school verlaagde zich om een onschuldige jongen op de kerkgang van zijn vader te moeten wijzen. Maar na dit gesprek tussen meneer pastoor en mijn vader deed me dat niks meer, het maakte mij eerder trots, want mijn vader was zijn tijd ver vooruit.

Wat hebben ze ons allemaal voor de gek gehouden. En wat deden ze hun best om de kindertjes tot zich te laten komen. Je wist nauwelijks de weg te vinden naar school, werd het eerste dilemma al voorgelegd. Wil je misdienaar worden of ga je toch maar bij het knapenkoor. Ik koos voor het laatste. Elke maand was het verplicht biechten. In rijen van tweeën werden we naar de kerk gedreven en moesten we aanschuiven bij de biechtstoel. Zenuwachtig ging je dan vragen aan die naast je zat: ‘Wat ga jij zeggen? Ik weet niet wat ik misdaan heb?’. In gezamenlijk overleg werd het dan meestal ‘een koekje gestolen en ongehoorzaam geweest tegen je ouders’. Natuurlijk was dit niet waar, en werd je gedwongen tot pertinente leugens als dat schuifje in de biechtstoel openging en pastoor onverstaanbaar tegen je begon te prevelen. Als ‘penitentie’ kreeg je dan standaard drie onze-vaders en drie wees-gegroetjes en je was er weer voor een maand vanaf. En in de vastentijd kregen we op school allemaal zo’n mooie lege kaart met 42 vakjes. De bedoeling was dat je in de vastentijd elke dag naar de kerk ging, en dan mocht je voor elke dag één hokje inkleuren. Maar ik ging maar een keer per week samen met mijn moeder naar de kerk, dus bij mij waren maar schamele zes hokjes ingekleurd. Met goede vrijdag moesten we die kaarten aanbieden in de kerk. Voor het altaar zat meneer pastoor in vol ornaat, en wij moesten een voor een naar voren lopen om onze kaart bij hem op schoot te leggen. Was toch wel even door de zure appel heen bijten, maar ja, je moest. Dus ik legde de kaart bij pastoor op schoot, ik keek hem daarbij aan en hij schudde wat meewarig met zijn hoofd.

Maar stelde ik me dat voor? Of was dat echt zo? Net voordat ik me wilde omdraaien en weglopen gaf hij me een knipoog.

maandag 1 juni 2015

Frankena, handel in luxe paarden

‘Niet te ver weglopen hoor . . ‘, waarschuwde mijn moeder wanneer ze feilloos aanvoelde dat ik op verkenningstocht wilde bij ons in de buurt. De buurjongens waren niet altijd buiten om te spelen en soms had ik er ook effe helemaal geen zin in. Je moest je immers ook af en toe wat verder van huis wagen. Veel viel er weliswaar niet te beleven. Toch liet ik het Leeuweriksveldje deze keer even links liggen en sloeg op straat rechtsaf. Bij ons schuin tegenover op nummer 6 lag een opslagplaats, een huis met voordeur en grote poort, de hele ruimte volgestouwd met allemaal rotzooi. Het was van de ouwe Canjels. Die kocht hele partijen gasmaskers, veldflessen, ouwe schoenen, bokshandschoenen, je kon het zo gek niet bedenken. Nu weet ik dat ze dat een ‘dumpshop’ noemen, toen was het gewoon een grote puinzooi. Canjels was er zelf ook, want zijn kar stond voor de deur. Ik verzamelde alle moed en maakte de deur voorzichtig open. ‘Halloooh’, riep ik, maar er kwam geen reactie. Die duffe ouwe sorteerde een hele grote stapel muf ruikende kleding uit en maakte er een paar extra stapeltjes van. Hij keek nog niet eens op of om. ‘Bent u aan het opruimen, meneer?’, probeerde ik weer. Maar geen reactie. Nou ja, zo interessant is het ook weer niet en ik ging naar buiten. ‘Hôjje . . . . stomme boer!’, riep ik hem nog na, maar die ouwe gaf geen krimp.

Dan maar verderop gaan kijken. Rechts lag de grote moestuin van de familie van Heukelom en links de fietsenstalling van de buizenfabriek. Ik liep door tot waar de Leeuwerikstraat ophield, en overging in een ruime vijfsprong. De Pepijnstraat liep als enige rechtdoor van het dorp naar het spoor, en had ter plekke drie afsplitsingen. De Smeliënstraat, onze Leeuwerikstraat en het weggetje met noodwoningen naar de Excelsiorstraat. Maar daar mocht ik overal niet komen, de groene cirkel was mijn maximaal toegestane speelomgeving. De buizenfabriek was ook niet zo uitdagend voor een kleine jongen op straat-safari. Je keek in een grote donkere hal, waar continu scherpe metaalgeluiden uit ontsnapte. Maar bij ons op de andere hoek lag het winkeltje met rookwaren van vrouw Ammerlaan. Daar kon je tegen de vensterbank hangen en had je een schitterend overzicht op die hele vijfsprong. Erg druk was het niet in die tijd, een paar fietsers, en paar wandelaars op weg naar het station, een moeder met kinderwagen. Nee, Blerick was toen nog een rustig slaapdorp zonder dat ik toen besefte wat dat was. Alle vaders waren aan het werk, de moeders driftig bezig in het huishouden en een kleine jongen hing verveeld tegen een vensterbank.

Heej, Frankena krijgt klanten, nu even goed opletten, altijd interessant. Frankena was een handelaar in luxe paarden. Het was een harde man, met zijn pet en bruine werkjas oogde hij voor de buitenwereld misschien wel vriendelijk. Maar als hij zijn mond opentrok schrok je je rot. Hij sprak niet maar schreeuwde, iedereen angst inboezemend. Het was een echt norse en gewetenloze man. Ik beklaagde zijn vier zoons, die altijd na school tussen de paarden moesten werken. En het was nooit goed. Ze hadden ook nog een jongste dochtertje. Zijn vrouw was klein, eigenlijk een beetje teer, en erg vriendelijk. Ik had medelijden met haar, maar waarschijnlijk was dat helemaal niet nodig. Twee mannen stappen uit een grote Ford en Frankena loopt hen tegemoet. Ze staan buiten wat te praten en verdwijnen even later in de stallen. Enkele minuten later komen ze samen met een prachtig glimmend bruin paard naar buiten, ze draaien er met z’n drieën begerig omheen en Frankena slaat het arme beest met zijn vlakke hand op de kont. ‘Klatsj . . . ‘, ik schrik van het geluid, dat doet potdomme pijn en ik roep ‘dierebeul’. Dat maakt natuurlijk geen enkele indruk. Het paard wordt met de leidsel aan een metalen oog aan de muur vastgemaakt en Frankena loopt weer de stal in. Hij komt met een tweede paard naar buiten. En zonder dat de twee mannen dat kunnen zien, zie ik hem een busje peper uit zijn jaszak pakken. Potverdomme, die smeerlap, ik heb dat vaker gezien. En ja hoor, hij tilt de staart van het paard op en strooit peper in de kont van het arme beest. Frankena paradeert met het paard op en neer voorbij de mannen. Het arme paard zwiept nerveus met zijn staart en draait heel overdreven met zijn kont. Natuurlijk verrekt hij van de jeuk van die peper. Ik zet mijn beide handjes als een toeter aan de mond en roep: ‘Hij heeft peper in z’n kont gedaan!’. Maar de drie mannen reageren niet, alleen het paard knikt bevestigend in mijn richting. Een van de twee mannen slaat Frankena in zijn hand, maar die slaat terug. Maar de man laat het er niet bij zitten en slaat nog harder terug. Dat gaat zo wel tien keer. De twee mannen schudden hun hoofd, stappen in de auto en rijden weg. Vloekend en tierend brengt Frankena de twee paarden terug in de stal. De show is over, ik roep nog maar eens ‘dierebeul’ in zijn richting en sprint vlug naar huis om het aan mijn moeder te vertellen.

Soms moet een van de zoons op de fiets met de paarden door de straat paraderen. In de ene hand het leidsel van het paard, de andere hand aan het stuur. En dan net op het moment als ze Frankena passeren klapt die met de zweep, waardoor het paard even aanzet. Het gebeurde ook regelmatig dat een paard op de klater sloeg. Gelijk hebben ze, als ik paard bij Frankena was geweest had ik dat ook gedaan. Zijn zoons moesten dan meteen met de fiets erachter aan, ze fietsten het paard voorbij, gooiden de fiets op de grond en versperden het paard met gespreide armen onverschrokken de doorgang. En verdomd, het paard stopte dan en ze konden het bij de leidsels grijpen. Ik vond dat altijd heel erg moedig, ik zou dat nooit gedurfd hebben. Maar die jongens van Frankena waren al heel jong harde werkers, en werden geregeld royaal uitgescholden door hun vader. Ik heb wel eens gedroomd dat ze er ook met de zweep van langs kregen, maar dat zal toch wel niet. Frankena was volgens mij ook ergens een goeie man. Als het ’s winters gesneeuwd had, dan spande hij een van de paarden voor de sneeuwschuiver, en werd de hele weg naar de Lambertuskerk schoongeveegd. En ook het hele kerkplein werd ontdaan van ons maagdelijke winterse speelgoed.

’s Avonds aan tafel vertelde ik het verhaal van die peper ook nog eens aan mijn vader. Hij moest er hartelijk om lachen en vertelde dat zijn opa ook paarden had gehad. Ze noemden zijn opa Levrinze Kuëb, het was een bekende figuur in Blerick en hij was voerman van beroep. Dat betekende dat hij stoffen en huishoudelijke spullen kocht van de schippers in de haven, en die ging hij op de dorpen met zijn kar met paard verkopen. Het paard had een hele mooie haam om zijn hals met glinsterende koperen belletjes. Als hij ’s avonds thuiskwam kon oma altijd precies aan die belletjes horen of hij goede zaken had gedaan of niet. Als de belletjes hard klonken, dan was er niet veel verdiend, want opa hing een beetje gefrustreerd de haam aan de muur. Klonken de belletjes zachtjes, dan had opa hele goede zaken gedaan. Want dan vierde opa dat aan de rand van Blerick met een paar dröpkes. Zijn paard wachtte hier echter nooit op, liet opa achter in de kroeg en liep heel stilletjes en helemaal alleen naar huis. ‘En sloeg uw opa dat paard dan nooit?’, vroeg ik nieuwgierig. ‘Nee hoor, mijn opa sloeg alleen de vliegen van zich af . . .’.

Even later lag ik op bed. Handjes gekruist onder mijn hoofd op het kussen. Ik dacht na over Frankena en over mijn overgrootvader, Levrinze Kuëb. Als ik later groot ben zal ik geen peper in de kont van paarden strooien. En als ik niet meer bang ben en in de buurt van die prachtige dieren durf te komen zal ik ze aaien. En zeker niet slaan.

dinsdag 26 mei 2015

Er was eens een driejarig jongetje

image

Vorige week kreeg ik van mijn oudste zus deze foto. Dat jongetje op dat driewielertje ben ik. Gebiologeerd gaan mijn gedachten terug naar mijn jongste jeugd in de Leeuwerikstraat in Blerick. Ik heb zelfs nog op Google-Maps gekeken hoe die locatie er op dit moment uitziet. Hoe zag het leven van dat driejarig jongetje er toen uit. Veel details komen weer boven, en ik vind dat ik ze met jullie moet delen. Zo moet het ongeveer zijn geweest.

Het is 1950 in de Leeuwerikstraat, het leven schijnt z’n normale gangetje te gaan. Kinderen spelen op het Leeuweriksveldje, aan de overkant liggen nog de herinneringen aan die tweede wereldoorlog. Tussen de huisnummers 12 en 20 liggen de afschrikwekkende ruïnes van de door een bombardement verwoeste huizen. Maar op nummer 26 wordt de boel uitbundig versierd. Rood-wit-blauwe en oranje vlaggetjes worden kruiselings aan het hekwerk vastgemaakt. De poort naar de voordeur staat welkom wagenwijd open. Om die voordeur wordt kleurrijk het groen voorzien van zelfgemaakte papieren bloemen. Daar moet Jantje het fijne van weten, en met m’n driewielertje ga ik op onderzoek.

Eigenlijk een bekende weg voor mij, want ondanks m’n drie jaar weet ik de weg naar ‘tant Janssen’ gemakkelijk te vinden. Nogal wiedes, het is een hele lieve oudere vrouw, die heerlijk kan kokkerellen en bakken. En voor een altijd hongerige kleuter volg ik gewillig die heerlijke bakluchtjes die door de gang naar de straat ontsnappen. Tant Janssen roept me regelmatig naar binnen, mijn fietsje mag op de plaats staan. Ik kruip op een stoel aan die lange keukentafel en ervaar al heel jong dat het recht van een vrouw op het aanrecht ook een bourgondische verrijking van het leven kan zijn. Tant Janssen heeft een groot gezin en haar streng uitziende man werkt bij de douane. En zij staat veel in de keuken achter dat aanrecht naast het kolenfornuis.

Zo was dat gisteren ook. Tant Janssen was cake aan het bakken en lekkere koekjes. Ik mocht de pannen met deeg uitlepelen. Nou ja lepelen, met mijn kleine vingertjes werden die grote pannen compleet schoon geveegd. ‘Zo, die kunnen weer in de kast’, zei tant Janssen. Een beetje teleurgesteld dat het al op is, lik ik mijn vingertjes zorgvuldig af. Tant Janssen draait zich om en ik zie haar een traan wegpinken met haar prachtige schort. ‘Ôzze Ar komt morgen eindelijk weer thuis’, zegt ze. Ik weet absoluut niet waar het over gaat want ik heb Ar nog nooit gezien, laat staan zien weggaan, maar het maakt wel indruk om tant Janssen zo te moeten zien. Om ze op andere gedachten te brengen kijk ik naar de rand van het fornuis. Daar staat een bord melk met kruimeltjes brood erin op te warmen, dat zag er lekker uit. ‘Wat is dat tant Janssen?’. ‘Dat is ouwe-wijve-pap voor oom Janssen!’. Nou maar niet verder meer vragen want haar man kwam op mij heel streng over, en dan kun je beter zwijgen en wat afstand houden.

Maar nu wist ik dus ook waarom ze vandaag het huis aan het versieren waren. Een van de buurmeisjes, Elly, staat met haar pruillipjes nieuwgierig toe te kijken, maar durft niets te vragen. ‘Ôzze Ar komt vandaag naar huis’, verlos ik haar uit die kwellende nieuwsgierigheid. ‘Ooooohhh . . . ‘, zegt ze en dribbelt heupwiegend weg. ‘Ze hebben lekkere cake en koekjes vandaag . . . ’, roep ik haar nog na. Want dat was voor mij natuurlijk het belangrijkste, want dat Ar thuiskomt!? Even later komt Elly weer aangedribbeld. ‘Je weet er lekker niks vahan . . . ‘, pruilt ze. Nou en, denk ik, mijn enige zorg is hoe kom ik straks aan een lekker stuk cake! Elly komt akelig dichtbij en treitert met: ‘Die heet helegaar niet ôzze Ar maar Arnold, en die komt niet thuis maar heeft in Indië gediend . . . . wahaa!’. Ik knijp haar afwerend in de arm, ze kijkt me schaapachtig grinnikend aan, draait zich om en loopt schielings naar huis. Halverwege zet ze het plotsklaps op een hollen en maakt een geluid van wel zeven brandweerwagens. Wat een aansteller!

Ja, het leven van een driejarig jongetje in die oergezellige Leeuwerikstraat zag er nog redelijk overzichtelijk uit. Alleen de omgang met vrouwen was overduidelijk ambivalent. Ik hield van oudere vrouwen, vooral als ze een kleurige schort droegen. Je zocht ze meestal op bij het aanrecht, in de altijd behaaglijk warme omgeving van het kolenfornuis. Je mocht om die schort nog ongegeneerd je armpjes heen slaan, je gezichtje drukken in die schort. Ik weet nog precies hoe het rook, die frisse geur van sunlight-zeep vermengd met die onweerstaanbare luchtjes van gebakken aardappelen, gebraden vlees en die zelfgemaakte custard-pudding. Het gaf een veilig geborgen gevoel, van warmte, genegenheid en liefde. En misschien wel het allerbelangrijkste, het gaf meestal wat lekkers te eten. Ik wist het zeker, later ging ik trouwen met mijn moeder. En daar zou de komende tien jaar zeker geen verandering in komen.

Maar dan had je ook nog die jeugdige uitvoering, de buurmeisjes. Die met die keurig opgetrokken sokjes, die oerstomme jurkjes en die afzichtelijke strikjes in het haar. Je kon ze alleen op afstand houden door ze te pesten, en dat deed ik dan ook driftig. Diezelfde Elly had met een paar leeftijdgenootjes een ‘kusclubje’. Hoe kleffer of smeriger kun je het hebben. Ze probeerden van de wat oudere jongens een kusje te stelen om aan hun verzameling toe te voegen. Het griezelde me al als ik eraan dacht om met mijn mond in de buurt van dat mormel te moeten komen. Mijn mond was er immers om te watertanden als ik honger had, en om aan tafel dat lekkere voedsel te kauwen, langs mijn gehemelte te strelen en door te slikken. Er kwam ook altijd een meisje uit de Pepijnstraat, die wilde met ons jongens komen spelen. Ze wilde dan of vadertje-moedertje, of doktertje spelen. Ik weet niet meer wat het verschil was, maar wel de overeenkomst. Als een van ons toestemde, lag in een mum van tijd haar smoezelige onderbroekje op haar schoentjes en tilde ze haar rokje op. De hele sfeer was dan meteen verpest, het rook naar pies en er viel ook nog eens totaal niets te zien. Wij jongens hadden tenminste nog een piemeltje. En ons enige seksueel getinte spelletje was wie er het hoogst tegen de muur kon piesen. Nou, en dat was echt een spelletje van niks. Je frommelde je piemeltje onder je broekspijpje vandaan, velletje naar achteren schuiven, billetjes tegen elkaar knijpen en zo hoog mogelijk aanzetten. En dat was zo afgelopen, als de straal ophield konden we weer overgaan naar wat kleine jongetjes behoren te doen. Kuilen graven en zo hard mogelijk tegen een bal trappen. En dan zo smerig mogelijk liefst met kapotte knieën thuiskomen. Waar je enige grote liefde op je staat te wachten in die prachtige bonte schort. Ze tilt een grote pan soep van het fornuis en zet die midden op tafel. Daarbij een onweerstaanbare geurige sliert in de keuken achterlatend van lekkere bouillon vermengd met verse soepgroente.

Intussen wordt het alsmaar drukker in de Leeuwerikstraat. Het is gezellig bij het huis van tant Janssen. Mannen staan buiten te ‘klasjeneren’ en een sigaret te roken, door het raam zie ik de vrouwen nippen aan het volgende kopje koffie. Zal er dan helemaal niemand aan mij denken? Jawel hoor, daar komt John naar buiten, ‘de Wit’ noemen ze hem vanwege zijn blonde haar. ‘Heb jij m-misschien z-zin in een st-stukje cake?’, vraagt hij. Hij stottert een beetje, wacht mijn antwoord niet eens af en tilt me gemakkelijk op. Even later zit ik tussen tant Janssen en de Wit in. Voor me staat het allermooiste bordje van het zondags servies met daarop: twee stukken cake en vier koekjes. Tant Janssen kijkt me lachend aan en streelt een verlegen driejarige kleuter door het haar: ‘Dat is allemaal voor jou, eet maar lekker op’.

Het is 2015 en ik zit achter mijn computer. Ik lees mijn aantekeningen nog eens door. Zo heeft het toen ongeveer gegaan. Wat is er verschrikkelijk veel gebeurd en veranderd in die 65 jaar. Maar gelukkig ook weer niet alles. Veel van dat driejarig jongetje zal altijd bij me blijven.

maandag 18 mei 2015

Smeliënboerderij

imageDe voormalige Smeliënboerderij wordt al in de archiefstukken uit 1682 genoemd. De bewoner werd in de volksmond altijd de Smeliënboer genoemd. In 1965 werd de markante wit gepleisterde langevelboerderij gesloopt, Drika en Sef Vallen waren van 1921-1965 de laatste bewoners. De vader van Drika, Petrus Hendricus Janssen was daarvoor van 1901-1921 de Smeliënboer. Verder terug in de tijd ligt nog opgeborgen in de archieven.

De boerderij lag in de Smeliënkamp, een 48 hectare grote wijk in Blerick in de driehoek Leeuwerikstraat, Ottostraat en Smeliënstraat. De Smeliënboerderij lag aan de Smeliënstraat 23, kijk maar eens op het situatieschetsje rechts. De naam is ontleend aan smelen, het dialectwoord voor het buntgras[2], een grassoort die hier ongetwijfeld welig tierde. De naam smelen veranderde door de tijd naar smeliën.

Veel oudere Blerickenaren zullen zich de Smeliënboerderij herinneren. Ik zeker wel, achterom ons huis in de Leeuwerikstraat 13 liep immers een paadje direct naar de Smeliënboer. Vaak moest ik van mijn moeder bij Drika petatten gaan halen.  Je liep een beetje angstig door de poort de schuur binnen. Het was er altijd donker en het rook er muffig naar die petatten, die simpelweg op een hoop lagen, afgedekt met jutezakken. De vloer was ongelijk en was gewoon zandgrond. En daar kwam Drika aangesloft op de pantoffels, de handen afvegend aan de schort: ‘Aah jông, haet mam dich gesteurd, wat zal ut ziën?’.’Hallo Drika, viëf kilo petatte en unne bloomkoël astebleef’. De aardappelen werden afgewogen op zo’n oude weegschaal, een baskuul. Thuisgekomen leverde ik trots de ingrediënten voor ons avondmaal in en mijn moeder keek in de tas. ‘Potdorie, ze haet dich weer miër zand as petatte verkôch! Maar dich kins d’r auk niks aan doon! Bedank jông, gank maar gauw speule . . ‘. De Smeliënboerderij werd met een brede hoge ligusterheg en breed struikgewas afgescheiden van de Lambertuskerk. Dat was in onze jeugdjaren een ideale speelomgeving, want het struikgewas en de hoge ligusterheg omzoomden de gehele kerk. Daar hebben we stiekem onze eerste sigaret gerookt en de eerste onschuldige kusjes gewisseld. Lambertus zal ongetwijfeld wel een oogje dichtgeknepen hebben . . .

image

Tot 1965 was de Smeliënboerderij ongetwijfeld het meest markante bouwwerk in de wijk. Een lang laag witgepleisterd slordig aandoend gebouw. Sef streek regelmatig de onderkant van de muren met zwarte teer, om het vocht buiten te houden. Eeuwenlang lag hij daar wat verlaten, want op veilige afstand van Fort Sint Michiel mocht niet gebouwd worden. Dat betekende ook dat het dorp Blerick lange tijd niet kon uitbreiden naar het noorden. Zoals gezegd lag daar namelijk, tegenover het centrum van Venlo, Fort Sint-Michiel en bouwen in het schootsveld van het fort mocht absoluut niet. Waarschijnlijk lag de Smeliënboerderij er dus al voordat men begon met bouwen van het fort, mogelijk dus al in de zestiende eeuw. Toen aan het einde van de 19e eeuw, op 1 oktober 1866, de Spoorlijn Venlo - Eindhoven gereed kwam, veranderde er veel in Blerick. Het Fort werd gesloten en afgebroken, Blerick kon eindelijk bouwen in noordelijke richting.

imageEr groeide een nieuwe parochie. En op Sint-Lambertusdag, 17 september 1932, werd de Lambertusparochie verheven en werd rector B. Diederen de eerste pastoor. Deze trof voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe kerk, waarvoor de Blerickse architect Jacq Grubben de tekeningen maakte. De eerste steenlegging vond plaats op Tweede Paasdag, 2 april 1934, door deken Jules van Oppen, die op 16 december van datzelfde jaar de inzegening verrichtte. Op 6 juni 1935 werd de kerk door Mgr. Lemmens geconsacreerd.

image

Ook de Buizenfabriek Blerick domineerde lange tijd mede het uiterlijk van de wijk. Deze fabriek is al lange tijd geleden gesloopt en op het terrein is intussen de nieuwbouwwijk Het Hof van Blerick verrezen. De huizen die destijds om de buizenfabriek heen zijn gebouwd, werden gedeeltelijk gesloopt voor de aanleg van de Burgemeester Gommansstraat. Deze weg moest de Venlose zo snel mogelijk met de nieuwe wijk Hazenkamp verbinden.

Als ik nu nog wel eens door de Smeliënstraat kom, stop ik altijd even. Ik kijk naar rechts, waar mijn ouderlijk huis nog steeds ligt in de Leeuwerikstraat 13. Ons paadje naar de Smeliënstraat is er niet meer. Ik kijk naar links en zie een kale vlakte. De Smeliënboerderij heeft plaats moeten maken voor een paar parkeerplaatsen en wat groen. Eigenlijk had hij er best kunnen blijven staan!? Maar ja, het idyllische dorp Blerick moet plaats maken voor een nietszeggend stadsdeel van Venlo. Jeugdsentiment en nostalgie mogen alleen nog op Facebook ‘Bliërick van vruueger en noow’, en we droomden nog lang en  . . . .

imageStukje Genealogie:

Sef Vallen, geb.28.02.1889 Blerick, z.v. Godfried Vallen en Joanna Wilhelmina van Asten; trouwde 14.04.1921 in Maasbree met Drika Janssen, geb.01.03.1891 Helden, ovl.10.11.1985 Blerick. Ze hadden geen kinderen.

Drika was de dochter van Petrus Hendricus Janssen (1852 Helden-1929 Blerick) en Maria Catharina Driessen (1854 Helden-1898 Helden; getr.09.04.1877 Helden). Woonden vanaf 31.12.1900[1] in de Smeliënboerderij Blerick. Hun kinderen: image

  1. Beatrix (1878-1959) getr. Johannes Wijlaars
  2. Agnes (1978-1910) getr.Joseph Willem Hubert Jacobs
  3. Johanna (Hanneke 1881-1963) getr. (1) Quirinus Crombouw; (2) Fredrik Floris Janssen
  4. Wilhelmus (1883-1884)
  5. Wilhelmus (1884-jong ovl.)
  6. Petrus (1887-<1972) getr. Petronella Theodora Walda
  7. Josephus Godefridus (1889-1890)
  8. Hendrika (Drika 1891-1985) getr.Joseph Vallen
  9. Josephus Gerardus (1893-1969) getr. Hendrika Janssen
  10. Wilhelmina Petronella (1895-1975) getr.Joannes Christiaan Ernst

[1] Zie inschrijving bevolkingsregisters. Ze waren onder nummer 212 in sectie B de laatsten van het jaar 1900 met twee mannelijke en drie vrouwelijke inschrijvingen (waar waren de overige drie??)

[2] Buntgras (Corynephorus canescens; ook genoemd bent, bente, pijpenstrootje, smelen) is een dicht pollen-vormende vaste plant die behoort tot de grassenfamilie (Gramineae of Poaceae). De soort is in Nederland en België inheems. Pijpenstrootje is één van de soorten die een rol spelen bij de vergrassing van heidevelden. De plant is zo smakeloos dat hij zelfs niet door schapen wordt gegeten. De plant komt voor op droge, meestal kalkarme zandgrond. In de duinen en op stuifzand komt de plant het meeste voor.

maandag 4 mei 2015

Ode aan een vergeten Titulaer

Soms kom je in een stamboom iemand tegen, die in de vergetelheid is geraakt en geen verdere nakomelingen heeft. Dat laat me dan niet los, en dan probeer je toch wat sporen na te trekken. Op 5 januari 1823 overlijdt ‘kurassier’Jan Titulaer op de ziekenzaal van het garnizoen in Deventer. Wie was hij? Veel heb ik niet kunnen achterhalen, maar genoeg voor deze ode aan een vergeten Titulaer.

JanKurassierOp 7 januari 1823 doen Jacobus Bonarts, wachtmeester en bekende van de overledene, oud 37 jaar en Johannes Diderik Boode, korporaal en bekende van de overledene, oud 38 jaar, aangifte bij de burgemeester der stad Deventer, provincie Overijsel, Joan Jacobson. Op 5 januari 1823 is ’s nachts om twee uur in Deventer overleden Jan Titulaer, kurassier, zoon van Ursula Titulaer, oud 27 jaar, geboren te Brizel (Beesel).

Een week later, op 13 januari 1823 wordt zijn overlijden in Beesel ingeschreven. Hier staat ook iets meer informatie. Jan wordt 20 december 1822 opgenomen in de Infirmerie (ziekenzaal) van het Garnizoen Deventer, waar hij 16 dagen later overlijdt aan ‘febri influant’. Hoge koorts, waarschijnlijk een uit de handen gelopen griep? Jan woonde destijds in Deventer en zijn overlijden wordt gemeld aan de plaats waar hij vandaan kwam, Beesel. Toch een beetje vreemd, zoals verder zal blijken.

Jan is 27 jaar geworden, veel te jong, en als we in de doopakten van Beesel gaan snuffelen blijkt dat er geen Jan maar ene Franciscus Antonius Titulaer daar wordt gedoopt op 19 januari 1795 in Beesel. Hij was de onwettige zoon van Maria Ursula Titulaer uit Blerick, destijds verblijvend in Beesel. Zijn doopgetuigen zijn Anna Gertruijdis van Oijen (verblijvend in Beesel, uit Venlo) in plaats van Aldegondis Titulaer (uit Blerick) en Joannes Antonius Goossens (uit Beesel).

Zijn moeder Maria Ursula Titulaer was gedoopt in Blerick 25.02.1768, overleden Venlo 17.12.1825. Onze Jantje was nog geen twee jaar toe zijn moeder trouwde 09.11.1796 in Venlo met de 28-jarige kleermaker Wilhelmus Christianus Janssen. Ze gingen samen wonen op de Gasthuisstraat in Venlo en kregen daar nog vijf kinderen. Het bleek een zeer zware periode voor zijn moeder, want drie van haar kinderen overleden jong:

  1. Gerardus Nicolaus, geb.19.12.1797, ovl.27.12.1810
  2. Hendrik (Henri), geb.07.03.1799; wordt in het testament van zijn oom Paulus Hermannus Titulaer (ovl.08.01.1832) genoemd en woonde toen in Luik.
  3. Aldegonde, geb.21.02.1801, ovl.25.04.1802
  4. Petronelle Marie, geb.02.02.1803, ovl.05.08.1806
  5. Allegonda (Aldegonda Catharina), geb.04.04.1805, ovl.09.05.1877; getr.26.11.1832 met Joseph Lodewijk Bours, verwer (huisschilder) in Venlo.

Twee kinderen groeiden bij hun moeder op, zullen ze hun halfbroer Jan gekend hebben?

JanBeeselgSaillant detail is dat op de Gasthuisstraat destijds ook nog ene Franciscus Antonius Titulaer met zijn gezin woonde, meesterlooier van beroep. De Gasthuisstraat in Venlo loopt van het plein voor het stadhuis, einde Vleesstraat rechtsaf naar de Sint-Joriskerk, hoek Parade en Kerkstraat.

Zeer waarschijnlijk groeit Jan dus op in Beesel bij zijn tante, dat was immers zijn laatste woonplaats voordat hij vertrok naar Deventer. Mijn vermoeden is dat Maria Ursula op het einde van haar zwangerschap naar haar zus in Beesel is gegaan om te bevallen. Deze zus, Helena Aldegondis, was getrouwd met Joannes Antonius Goossens, één van de doopgetuigen van Jan. De reden waarom hij niet mee is gegaan met zijn moeder naar Venlo zal wel altijd een raadsel blijven.

Maar onze Franciscus Antonius gaat verder als Jan door het leven en wordt kurassier in het 3-de Regiment, 4-de Eskadron, 7-de Compagnie van het Garnizoen in Deventer. Kurassiers waren de zwaar bewapende cavaleriesoldaten te paard die een borstharnas droegen dat een kuras heette. Daar komt dan ook de naam kurassier vandaan. Kurassiers waren op het slagveld de zwaarste eenheid, in taak en impact vergelijkbaar met de huidige tankdivisies. Hierboven een natuurgetrouwe afbeelding zoals hij er in vol ornaat moet hebben uitgezien. We zijn toch een beetje trots op je!

Het gezin van zijn opa en oma had enig aanzien in Blerick. Opa en oma runden van 1750-1789 de herberg Sur Meuse. Oma was overigens de dochter van de daarnaast gelegen herberg van de familie Gijsen. Hun twee zoons Gerardus Nicolaus en Paulus Hermannus waren stinkrijk. Helaas bracht het gezin geen verdere stamhouders voort. Het testament van Paulus Hermannus omvatte 40 pagina’s.

Opa Franciscus Titulaer, geboren Venlo 12.01.1724, overleden Blerick 01.12.1786, z.v. Urbanus en Maria Christina Ingenriet. Hij wordt in 1779 genoemd als gezworene in Blerick, Franciscus trouwt 28.04.1749 in Blerick met buurmeisje Aldegonde Gijsen (*Blerick 30.01.1727; +Blerick 15.02.1789), d.v. Gerardus Gijsen en Maria Verheyen (getr.Blerick 01.07.1724). Ze krijgen in Blerick tien kinderen (alle niet nader aangegeven data vinden in Blerick plaats):clip_image002

  1. Maria, geb.12.01.1750, overleden 19.01.1829. Ze was tweemaal getrouwd, (1) huwelijk 18.07.1779 met Johannes Verhagen, (2) huwelijk 17.01.1789 met Ludovicus Horris (*Obbicht; +Blerick 25.03.1835.
  2. Aldegondis, geb.16.03.1753, overleden 17.10.1810. Zij was niet getrouwd, maar kreeg wel in Venlo een onwettige zoon Joannes Franciscus (*Venlo 02.09.1790; +Venlo 10.09.1790). Zij neemt met haar broer Paulus Hermannus in 1789 Sur Meuse over.
  3. Wilhelmina, geb.20.03.1755, overleden 31.08.1831. Ze was tweemaal getrouwd, (1) huwelijk 20.05.1778 met Pieter Steegh (op Grootray, *Grubbenvorst), (2) huwelijk in Grubbenvorst 15.02.1803 met Henricus Hermans (*Grubbenvorst).
  4. Urbanus Mathis, geb.24.02.1757, overleden 07.12.1785; hij trouwde 29.07.1783 met Anna Theunissen.
  5. Gerardus Nicolaus, geb.06.12.1759, overleden 09.06.1833; hij trouwde 06.03.1791 met Catharina Hermans (*Maasbree 27.02.1771; +16.12.1819). In 1822 wordt hij vermeld als rentenier in Grubbenvorst, pikant detail is dat 16.01.1788 in Baarlo Joanna Wylders wordt geboren. Ze is onwettige dochter van Anna Maria Wylders, als vader noemt ze Gerardus Nicolaus Titelair uit Blerick, deze ontkent echter de vader te zijn.
  6. Maria Catharina, geb.28.12.1761, overleden Baarlo 27.07.1816; zij trouwt 06.11.1782 in Venlo met Jacobus Schaffers (*Wachtendonck).
  7. Paulus Hermannus, geb.29.01.1764, overleden 08.01.1832. Deze stinkrijke vrijgezel wordt in 1822 genoemd als rentenier in Blerick. Hij neemt met zijn zus Aldegondis in 1789 Sur Meuse over. Zijn grafsteen staat nog op het oude Antoniuskerkhof.
  8. Matthias, geb.08.07.1766, negen dagen oud overleden 17.07.1766.
  9. Maria Ursula, geb.25.02.1768, overleden Venlo 17.12.1825. De moeder van Jan.
  10. Helena Aldegondis, geb.15.02.1772, overleden te Kessel 26.04.1850; zij trouwde 01.05.1793 in Beesel met Joannes Antonius Goossens.

Beste Jan, meer heb ik niet van je kunnen vinden. Er resten nog zo veel vragen, ik zou zo graag even met je willen praten. Wie was je vader? Waarom werd je roepnaam Jan? Waarom mocht je niet met je moeder mee? Welk geheim schuilt er achter je bestaan? Maar dat kan niet meer, dus moeten we je verder voor eeuwig laten rusten.

Bedankt dat je er even voor mij mocht zijn!

vrijdag 1 mei 2015

Herrie in de keuken

Geregeld gaan we over en weer op bezoek bij m’n zwager en allerliefste schoonzus. Altijd beregezellig, de twee oudere zussen worden ineens weer een paar jonge zusjes die elkaar altijd veel te veel hebben te vertellen. Mijn zwager en ik wisselen langs de zijlijn steeds de laatste IT-snufjes uit. Soms kan ik hem ergens mee helpen, maar hij leert bij, steeds vaker komt hij met iets nieuws.

‘Laatst deed onze Ipad helemaal niets meer, Bertha had gezocht naar Flight-Radar, er was niets meer mee te beginnen’.

‘Met Bertha?’, reageerde ik.

‘Nee gek, met die Ipad!’.

‘Heej, dat is vreemd, altijd gewoon even helemaal uitzetten, tot 10 tellen, en weer aanzetten’, deden we vroeger op het werk al.

‘Nou, ik heb het uiteindelijk wel gevonden, Bertha had de vliegtuigmodus aangezet en gedacht daarmee op Flight-Radar te komen’, grijnsde hij.

‘Boehahahaha . . . , ja, dat had ons ook kunnen gebeuren’.

Maar hij had ook nog een heuse tip gevonden. Als je een Emailbericht verwijderd hebt, en je wilt dat weer herstellen, dan moet je met de Ipad rammelen. Je zou dan een ‘pop-up-windoowtje’ moeten krijgen met de tekst ‘Herstel prullenmand’. En als je dan op ‘Herstel’ tikt, dan zou dat bericht weer worden teruggezet.

‘Boehahahaha . . . twee grappen in twee minuten is een beetje te veel voor mij Hans’.

‘Nou ja, kijk maar, dat staat hier, maar wat ik ook rammel met dat ding, er gebeurt niks’.

image

Hij kijkt daarbij bloedserieus. Ter demonstratie rammelt hij heftig met z’n Ipadje, en luistert er zelfs quasi aan. Net zoals ze dat wel eens deden met een zuigeling die pas gedronken had. Die gaf dan meestal een boertje terug, en als je pech had weliswaar geen Email maar wel zijn drinken over je schone trui. Toch heb ik het idee dat ik in de maling wordt genomen. Dus een beetje beducht pak ik zijn Ipad, en verdomme, het staat er echt. Dus ik zeg: ‘Heb je eerst ook een Email verwijderd en daarna gerammeld?’. ‘Nee, hoezo, heb gewoon gerammeld maar er gebeurde niks!’. Nog steeds met enige twijfel mag ik een berichtje uit zijn overvolle Emailbox verwijderen. Pak de Ipad stevig met twee handen vast en rammel dat ding stevig door elkaar. Maar goed dat er geen losse onderdelen inzitten, want die hadden het niet overleefd. Maar verroest. ‘Pieng’, er verschijnt een venstertje met ‘Herstel prullenmand’. Ik tik voorzichtig op ‘Herstel’ en ‘Pieng’. Heel trots laat ik hem zien dat het mij wel is gelukt. We beginnen aan de koffie en een verlate maar heerlijke oranje Tompoes.

Na de borrel melden de dames dat ze wel trek hebben, we gaan zoals we dat altijd doen in Duitsland een hapje eten. Onze reisleider van de dag, Hans, legt ons een paar alternatieven voor. We komen er niet uit, dus hak ik maar weer de knoop door: ‘Zullen we naar El Toro gaan?’. Prima, en even later toeren we naar Nijmegen en vervolgens over een mooie landweg langs Berg-en-Dal door Wyler naar het pittoreske Kranenburg. Hans parkeert soepeltjes voor de deur van het Balkan-Restaurant El Toro en we installeren ons handenwrijvend tussen de andere gasten. Het is gezellig druk en een vriendelijke dame brengt ons de kaart. Het water loopt me in de mond als ik al dat lekkers voorbij zie komen. Ik verheug me al op een pittige Gulaschsuppe en die Rumpsteak à la Lustiger Bosniak laat mijn maag al huppelen van plezier. En dan nog afblussen met een niet te versmaden ‘sliebowietsj’.

Maar wat is dat? Wat gebeurt daar? In de keuken naast ons tafeltje staan er een paar verschrikkelijk tegen elkaar te schelden. Iedereen kijkt verschrikt op, ze veren op uit hun stoel, kijken naar elkaar en daarna richting keuken. Maar die woordenwisseling in de keuken loopt volledig uit de hand. Twee koks met lange Bordeaux-rode schort en zwart Joegoslavisch koksmutsje rennen tierend, schreeuwend en dreigend achter elkaar aan, de ene deur uit en de andere in. Net op het moment dat de voorste voor de tweede keer ons tafeltje nadert, grijpt (waarschijnlijk) de baas hem bij z’n nekvel en sist ‘denke an die Kunden’ en flikkert hem zonder pardon de straat op. ‘Volgens mij maken ze hier opnames voor Herrie in de keuken’, mompelt mijn zwager heel rustig. Niemand lacht want het spektakel gaat gewoon door. Blijkbaar zijn er drie koks, want nu vliegen de resterende twee zich in de haren. En ja hoor, ook de tweede wordt bij kop-en-kont aangepakt en vliegt met een trap na het niet meer zo pittoreske pleintje op. Net op het moment dat ik heel moedig op wil staan op zoek naar de eventuele aanwezigheid van Herman den Blijker komt de derde totaal over-de-rooie uit de keuken en schreeuwt ‘ich ziehe mich um, ich bringe ihn um . . . . ich ziehe mich um, ich bringe ihn um’. Ik ga weer zitten en een jongeman, schuin tegenover ons, die met zijn ouders wacht op zijn eten, kijkt me angstig aan. ‘Dat wordt geen Joegoslaaf meer vandaag, of we moeten die kok straks samen delen’, een glimlach kan er heel zuinig vanaf. ‘Kom op’, zeg ik, ‘we zoeken wel wat anders’.

Onze reisleider van de dag brengt ons gezwind naar het zeven kilometer verderop gelegen Nütterden, naar Gasthof Zum Dorfkrug. ‘Daar is het altijd lekker rustig’, stelt hij ons gerust. We parkeren de auto achter een enorme grote witte bus uit Woerden en stappen het etablissement binnen. In het voorbijgaan lees ik nog ‘Gutbürgerliche Küche’ en zeg tegen Marijke ‘altijd goed, schat’.

imageMaar binnen zit die hele bus met kwetterende oudjes uit Woerden hongerig te wachten. Het blijkt een wandelclub te zijn op hun jaarlijkse uitje. Er is nog net een tafeltje vrij voor ons aan de rand van Woerden. Gezellig praten met elkaar is onmogelijk en verschrikt zie ik Marijke naar buiten kijken. In de serre staan zes opgewonden vrouwtjes een ‘act’ te oefenen, begeleid door een zevende dame met accordeon. Ze onderscheiden zich van de rest en zijn herkenbaar als meidengroepje door een felle goudgele sjaal, waaraan ze allemaal zenuwachtig zitten te frommelen tijdens de repetitie. ‘Dat wordt niks hier, veel herrie en lang wachten op ons eten’, zie ik Marijke denken. De ober komt met de kaart en ik trek hem meteen aan zijn jasje. ‘Können Sie vielleicht einen Tisch freimachen da vorne ins Café . . . ?’. De man steekt begripvol zijn vinger op en fluistert in mijn oor: ‘trinken Sie erstmal ruhig etwas’. We krijgen ons droog wit wijntje en ‘richtiges Altbier’ voorgeschoven en daar komen zij al naar binnen. Vlak achter mijn zwager installeert de dame zich wijdbeens met die trekbuul en beroert de eerste valse noten. De overige zes krolse katten vechten om een plekje, niemand wil er vooraan staan, en niemand mag voor hun neus gaan staan, een schier onmogelijke plaatsendans. Even moet ik daarbij denken aan de Bed-Bad-Brood-discussie, ik weet niet waarom, maar daar is geen tijd meer voor. Een struise dame neemt er de leiding, je kent ze wel, zo eentje met overduidelijk de-broek-aan. Zo’n eng wijf, die je zeker niet in huis moet hebben maar die wel resoluut gewenst of ongewenst de leiding neemt. Ene Willem blijkt al 84 keer mee te zijn geweest op het wandel-uitstapje en Kenau Hasselaar rekent totaal nutteloos en compleet verzonnen voor hoeveel kilometers hij daarvoor wel gelopen moet hebben en ik bedenk me daarbij hoe vaak hij tegen een boom heeft gepist. Ik gooi er luidruchtig een ‘Willempiee . . . ‘ tegenaan, maar wordt weer geremd met ‘Jan, gedraag je!’. En ja hoor, op de muziek van ‘hij was een smokkelaar’ zetten de krolse katjes heel origineel in: ‘Hij was een wandelaar , die diep in het bos . . .’, hoe verzinnen ze het? Ik ben niet meer te remmen en fungeer al sjoenkelend als achtergrondkoortje .

Daar komt de ober en verwijst ons naar een keurig gedekt tafeltje op gepaste afstand van het Woerdense wandelgeweld. En even later zit ik een lekkere schnitsel af te blussen met ‘richtiges Schwarzbier’ en werd het toch-nog en alweer beregezellig. Aanmerkelijk verzadigd en verkwikt gaan we weer terug naar Bemmel, en onze reisleider stelt voor: ‘gaan we over Kranenburg, kijken of we nog bloedsporen kunnen ontdekken’. ‘Neehee . . ‘, horen we twee zusjes achterin de auto. ‘Maar jij wilde toch zo nodig naar El Toro’, opperde zwager Hans in mijn richting en geeft stevig gas.

‘Ik denk dat hier wel een blog uit kan ontstaan’, mompelt de ene zus tegen de andere.

Een dagje met mijn zwager en schoonzus, altijd een verhaal waardig . . .