woensdag 8 juli 2015

Atletiekpromotie versus uienzaad

Soms heb je van die atletiekwedstrijden waarbij je denkt in het land van de uienzaad-telers te zijn verdwaald. Gisteravond was het weer zover. We hadden ingeschreven voor een wedstrijdje discus en kogel in het land waar ze vroeger het uienzaad gebruikten om iemand een loer te draaien. Alhoewel, de discus-accommodatie lag er optisch keurig bij. Het net hing keurig recht, de witte sectorlijnen lagen kaarsrecht strak gespannen. Links en rechts gaven overdreven grote witte borden met wel erg grote zwarte cijfers aan waar onze mikpunten lagen voor 10, 20, 30, 40 en heel overdreven zelfs 50 meter afstand. We mogen inwerpen. Jan van Hooft aast al lang op het Nederlands record en zit bij de eerste inworpen ruw geschat op 49 meter. Ik loop naar Marijke en vertrouw haar toe ‘dat record van Teo Maat is morgen historie, Jan gooit vandaag 50 meter’. Na een paar standworpjes probeer ik ook maar eens een serieuze worp. ‘Klasse . . .’, hoor ik achter me. Een compleet mislukte worp blijkt toch 38 meter ver te zijn gezeild. ‘Dat kan niet, die borden staan niet goed’, constateer ik meteen. Jan van Hooft heeft intussen al een meetlint bemachtigd en controleert of die 50 meter wel echte 50 meter zijn. Of zijn het toch uienzaad-afpas-meters? Een man loopt over het veld, volgens mij de trotse eigenaar van een uienzaad-bedrijf, en mompelt naar Jan: ’die borden heb ik zelf gezet, die staan goed’. Intussen sta ik te wachten bij het inwerpen en ben getuige van het overleg van de jury discuswerpen. Mijn wenkbrauwen fronsen als ik hoor dat alle worpen afzonderlijk zullen worden gemeten, hoe een jongedame de serieuze opdracht krijgt om elke discus afzonderlijk zo snel mogelijk terug te brengen richting werpkooi en we moeten gaan inwerpen op de volgorde van de deelnemerslijst. Verwarring alom, maar de kleine chef jury grijpt resoluut en eigenzinnig de macht, die hij waarschijnlijk thuis al sinds zijn huwelijksdag kwijt is. Complete verwarring, want sommigen zijn al klaar met inwerpen, een paar waaronder ikzelf willen nog wel een keer. En Jan van Hooft loopt nog steeds zenuwachtig de borden op de goeie afstand te zetten. Als de rust is wedergekeerd en uiteindelijk de eerste werper de ring officieel betreedt voor de eerste worp mompelt iemand ‘dit lijkt potverdomme nergens op, dat bord van 10 meter staat goed, dat van 50 stond 7 meter te dichtbij en alles wat ertussen ligt daar klopt geen reet van’.

Ik sta in het veld dat dramatisch schouwspel te bekijken, wat een discuswedstrijd behoort te zijn. Op een gegeven moment merk ik dat ik mijn schedel kapot sta te krabben, waar vroeger mijn vingernagels vastliepen in een weelderige haardos. Een jongedame rent als een gek met elke zojuist geworpen discus terug naar de werpkooi en staat dan weer tien minuten uit te hijgen. Het meetmanneke in het veld rent bij elke worp naar de plek waar de discus ongeveer insloeg en zet vervolgens ergens binnen een straal van een meter zijn meetlint in de grond. ‘Dat klopt niet, hij zit fout’, zegt Marijke, die mij in deze momenten van uienzaad-moeheid altijd terzijde staat. Het manneke weet ook nooit waar dat ding ongeveer neerkomt, dat kan immers ergens tussen de 45 en 15 meter liggen. En het ergste van alles is die scheidsrechter, die keurig gekleed in Atletiekunie-blauw met logootje staat toe te kijken. Hij klemt een mapje veel te stevig onder zijn arm en doet verder niets, laat alle ellende aan zijn scheidsrechterlijke ogen voorbijgaan en droomt waarschijnlijk van een mooie belangrijke bijdrage aan de toekomstige uienzaad-Olympiade. Ik word gek, ik moet iets doen. We hebben afgelopen winter zo’n goede wedstrijdregels afgesproken!!?? Laat ik beginnen bij die jongedame: ‘je hoeft niet elke discus afzonderlijk terug te brengen, je kunt er ook drie of vier verzamelen. Die worden toch pas weer over ’n kwartier gebruikt en dat bespaart jou heel wat energie’. De jongedame kijkt me verschrikt aan: ’ja maar ik heb dat opgedragen gekregen, ik mag ze ook niet teruggooien! Maar je hebt volkomen gelijk, ga ik doen’. Blijkbaar heeft mijn corrigerend optreden een aantrekkende werking. Loopt een jongeman op me toe: ’die worp zojuist was 34 meter, maar ze hebben 40 meter opgeschreven’. Een van mijn maten heeft dat ook gezien: ‘Duidelijk 34 meter, maar ja, hier gaat bijna alles mis . . . ‘.

Dat is voor mij de doodsteek in mijn atletiek-minnend hart, en stap op de nietsdoende nietszeggende scheidsrechter af. ‘We hebben afgelopen winter afspraken gemaakt voor dit circuit. Bij lange werpnummers zouden we bordjes gebruiken in het veld, en de deelnemers laten werpen in oplopende afstanden. Nu gooien 40- en 15-meter werpers achter elkaar. Dat belemmert een vloeiend verloop van de wedstrijd en is erg vervelend voor de jury’. Hij klemt zijn mapje nu naar een afwerende positie voor zijn borst en zegt zonder me een blik waardig te gunnen: ‘Bordjes gebruiken mag niet van de Atletiekunie. En de deelnemers hebben geen afstanden opgegeven’. Dat toontje gekoppeld aan die compleet afwerende kul-reacties maken we woedend. ‘Ik dacht dat we ons confirmeerden aan de afspraken binnen dit circuit. Dit is de vierde wedstrijd, dus de afstanden zijn inmiddels wel bekend. Deze wedstrijd is slecht voorbereid, duurt veel te lang met dat elke worp meten en het maakt het voor de jury bijna onmogelijk’. De man draait met twee korte vinnige stapjes in mijn richting en sist: ‘ik heb de bijscholing gehad van de Atletiekunie en het scheelt niets in tijd tussen dat bordjes zetten of iedere worp meten.’. Met dezelfde vinnigheid draait hij weer terug in zijn schijndood-positie, discussie gesloten. Ik slik net op tijd de opkomende woede in. Wie loopt er al 58 jaar onafgebroken rond op atletiekvelden? Ik heb alle jury-functies, alle bestuurlijke en technische functies versleten. En bijscholing heb ik opgegeven omdat ik die nonsens niet meer kon aanhoren. Met mijn sportmaat hebben we het verschil in tijd tussen bordjes zetten versus direct meten met de stopwatch gemeten. Scheelt meer dan de helft. Trouwens, bij onze Duitse en Belgische vrienden gebruiken ze meestal bordjes, zelfs bij Nationale kampioenschappen. Maar ja, die bijscholing van de Atletiekunie!!??

Ik loop terug en zoek ontspanning bij die geweldige rustgevende gestalte van onze trainer. Maar dat duurt niet lang. Wim is een beetje pissig en vertrouwt me toe ‘de CD’s krijgen met kogel maar vier pogingen in plaats van de afgesproken zes!’. ‘Nou potvernondedjuu, wat nu weer. Dat staat toch zo in het reglement’. ‘Jaja’, verzucht Wim,’maar er waren te veel na-inschrijvingen, en anders duurt het te lang’.

‘Ja maar, ze moeten wachten tot wij klaar zijn met discus! Die kunnen nog wel zes extra-pogingen doen, wat een ontzettende tragedie voor die CD’s’. Nu even drie minuutjes rustig ademhalen en dan toch maar weer die scheidsrechter opzoeken, iemand moet het toch opnemen voor de atletiek. Voorzichtig benader ik hem met: ‘sorry, je zult me wel erg vervelend gaan vinden. Maar die CD’s krijgen maar vier in plaats van zes pogingen. Dat is alweer tegen de afspraken in’. Stoïcijns blijft de uienzaad-controleur voor zich uit kijken. ‘We dachten dat dit een overgangsjaar was. We geven vanaf de B-jeugd tot en met de Masters zes pogingen, en houden de CD-jeugd dit jaar nog op vier pogingen. En anders lopen we vast in het tijdschema’. Deze man heeft iets onmogelijks, iets ultra-irritants, ik heb altijd de stelling gehuldigd dat je iedereen die ook maar één uurtje per week in onze sport investeert, moet respecteren. Maar deze mag voor mij zijn mapje aan de uienzaad-wilgen hangen en opdonderen. Mijn antwoord blijft desalniettemin kalm: ‘Als je even omkijkt, dan zie je, dat de CD’s zitten te wachten tot wij klaar zijn met discus. Ze hadden best nog even van onze sport kunnen genieten. In plaats van zich te vervelen en de ouders ergeren zich terecht dat wij wel zes pogingen krijgen. We hebben dit circuit geïnitieerd om vooral de jeugd leuke aantrekkelijke wedstrijden in hun eigen regio te bieden. We hebben goede afspraken gemaakt, waar jullie je niet aan houden!!’.

Even later zitten we met onze vaste harde kern nog wat na te kletsen onder het genot van een flesje bier. Terwijl een paar goedwillende harde werkers de rommel opruimen, druipt de bewuste scheidsrechter inderhaast af, waarschijnlijk om ergens in een uienzaad-gezin te vertellen welke belangrijke en zinvolle bijdrage hij weer heeft gehad binnen de atletiek. Bij het tweede flesje bier is iedereen alweer naar huis, behalve wij. Marijke maakt nog een foto van een prachtige lucht die deze zomeravond afsluit.

‘Wie wil er nog wat drinken’.

‘Nee, binnen zit er eentje te wachten tot ie kan sluiten’.

Promotie, gezelligheid en stimulering van de baanatletiek in onze regio? Ik denk dat ik maar uienzaad ga telen!

Geen opmerkingen: