maandag 1 juli 2019

Een werpvijfkamp die loopt

We mochten 30 juni meedoen met de Belgische kampioenschappen Werpvijfkamp voor Masters in Sint-Niklaas (B). Het zou die dag heet en erg druk worden, dus besloten we een nachtje in het Serwir-hotel te boeken. Gezellige stad dat Sint Niklaas, zo’n 25 kilometer voorbij Antwerpen.
Er hadden maar liefst 116 man ingeschreven, en we dachten ‘als dat maar goed gaat’. Want aan het NK in Nederland was door de Atletiekunie een uiterste limiet gesteld van 60 man, diverse atleten werden dan ook zwaar teleurgesteld. Hier had dus bijna het dubbele ingeschreven, ‘iedereen wordt geaccepteerd, en och, als het er wat veel zijn lossen we dat wel op’. En bij het Nederlandse NK waren we de hele dag (9 uur!!) in de weer geweest om onze vijf werpdisciplines (kogelslingeren, kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen, gewichtwerpen) af te werken. Onze eerste man zou in Sint Niklaas om half drie starten en ruimschoots van tevoren waren we op het sportpark van AC Waasland. Het was al gezellig druk op en om de atletiekbaan, heel ontspannen liep Rudy Verlaeckt op het middenterrein. ‘Dat is de wedstrijdleider, die zorgt dat alles volgens schema verloopt’, verzuchtte een van ons. ‘Die ziet alles en is gegarandeerd het meest relaxed van allemaal’, mompelde m’n sportmaat. Lachend komt hij naar ons toe om de Ollanders te verwelkomen. Er waren 111 atleten komen opdagen waaronder 25 gasten uit het buitenland, 5 Fransen en 20 Nederlanders.
En inderdaad bleek op het einde van de dag, alle zeven groepen hadden binnen 4,5 uur probleemloos van hun werpvijfkamp kunnen genieten. Maar dat is de helft van de tijd die we nodig hadden bij ons eigen NK, dat geloof je toch niet!? Ja hoor, die Belgen laten een werpvijfkamp soepeltjes ‘lopen’, en ik heb niemand horen klagen over ook maar één probleem met jureren. En dat alles bij een temperatuur boven de dertig graden. Ik moest onder de wedstrijd even terugdenken dat in Nederland vandaag wedstrijden om die reden waren afgelast. Alle oudjes zouden zich met die hitte rustig moeten houden en vooral veel drinken. 
Hoe doen ze dat? Wat doen ze anders? Waar zitten de verschillen met het Nederlandse NK? Allereerst moesten we onze beste prestaties opgeven per onderdeel. Daarmee worden startlijsten samengesteld per onderdeel, keurig oplopend van laag naar hoog. Gemakkelijk voor de jury in het veld, elke volgende werper zal naar verwachting meer werpen dan zijn voorganger. Dat voorkomt onnodig op-en-neer rennen over het veld. En elke werpsector ligt er overduidelijk bij, strakke sectorlijnen keurig voorzien van sectorbogen laten niets aan het toeval over. 
Makkelijk voor de jury, maar ook voor de deelnemers om hun geworpen afstand beter in te kunnen schatten. En dan als klap op de vuurpijl! Bij de lange werpnummers worden bordjes gebruikt. Van de Atletiekunie ‘mag-dat-niet!’. Iedereen krijgt tijd genoeg om in te werpen, en na de drie pogingen wordt gemeten. Niks elektronisch, gewoon met een stalen meetband! Ik spreek een van de juryleden daarover aan: ‘Waarom meten jullie niet iedere poging, waarom gebruiken jullie eigenlijk nog die ouderwetse bordjes?’. De man kijkt me verbaasd aan: ‘Ouderwets? Uh wel zunne, dah scheelt haos de helf van d’n tajd’. Duidelijke taal, en als we na het inwerpen aan het volgende onderdeel beginnen, hangt de uitslag van het vorige onderdeel al op het scorebord. 
Zoals gezegd, de werpvijfkamp loopt! We beginnen ruim binnen de tijd aan ons laatste onderdeel, het gewichtwerpen. De wedstrijdleider heeft besloten als afsluiting zelf het meetlint te hanteren. Hij lacht en kijkt me aan: ‘Amay, we zijn keurig binnen d’n tijd. Enne, ze hebben hier al over de 15 meter gegooid!’, moedigt hij me aan. Deze man kan ik echt niet meer teleurstellen en flikker het werpgewicht met-alles-wat-nog-over-is over de achterste lijn. ‘Vijftien meter vijftig’, roept hij heel tevreden. En ik loop trots naar mijn sportvrienden Frans, Tina, Jan, Mai en mijn Marijke.
Even later zitten we een gezellig weekend te analyseren bij lekkere Belgische frietten met een curryworst. Een donkerbruine Leffe staat me op een poot uit te dagen. Een geweldige werpvijfkamp kunnen we weer aan onze palmares bijschrijven, met grote dank aan Rudy Verlaeckt, AC Waasland, die perfecte jury en geweldige vrijwilligers.

donderdag 18 oktober 2018

Henkie Dynamite stopt ermee

Op 27 oktober gooit Henk van Bakel (1953) voor de laatste keer in Zutphen het werpgewicht vanuit de wedstrijdring van zich af. Dat is het dan, de definitieve afsluiting van meer dan 50 jaar kleurrijke wedstrijdatletiek. Want Henk van Bakel bracht kleur op de atletiekvelden. Soms was hij er even niet, dan hadden andere dingen prioriteit. Maar dan stond hij er weer, bovenin de uitslagenlijsten. Geen trainingsbeest, maar barstens veel talent gekoppeld aan die ijzeren wedstrijdmentaliteit.

Dat bleek al toen hij zich als klein menke met krullenbol meldde bij Festina op sportpark Saorbrook. Dat was begin 60er jaren, en al snel viel de souplesse, snelheid en bovenal zijn sprongkracht op. Niet voor niets zal hij voor altijd de eerste Noord-Limburger blijven die over twee meter sprong, over vier meter met de polsstok wipte, over de zeven meter ver sprong en de dertien-meter barrière doorbrak met hink-stap-springen. De krant schreef in chocoladeletters ‘Henk van Bakel, dynamiet in de benen’. En initieerde hiermee ongewild zijn bijnaam Henkie Dynamite.


Henk van Bakel was één van de grote puntenverzamelaars op de springonderdelen en de estafette in de sterkste Festina-ploeg ooit. Begin van de 80er jaren richtte hij samen met zijn grootste sportmaten de recreatieve atletiekvereniging Orion op. Dit was het beste wat hem kon overkomen, lekker fanatiek atletiek bedrijven, waar zeker altijd genoeg plaats was voor de gezelligheid. In Homberg (D) wilden die van Orion graag in één serie lopen op de 100 meter. Grapjes maken bij de start. Het leidde tot een legendarische foto met Orion-ners die lachend zij-aan-zij over de streep komen. Hier lag ook zijn eerste overstap naar de werpnummers. Orion excelleerde in Homberg ongetraind in Schleuderbal-werpen tot grote verbazing van die ervaren Duitsers. Enkele Orion-atleten, waaronder Henk van Bakel, werden uitgenodigd voor master-interlands. Zoals die wedstrijd in Hilden (D), er werd prima gepresteerd op hun eigen onderdelen. Daarna doken ze in de kantine, en werd maar meteen een hele krat Altbier besteld. Toen ploegleider Gijs Knoppert met zijn lijstje estafettekandidaten kwam, liep hij hoofdschuddend weg van de Orion-tafel. In die periode gebeurde het ook dat een (nu nog) internationaal jurylid door Henk van Bakel terecht werd gewezen op de regels bij het overlopen van de estafette. Dat was gevoelig voor het betreffende jurylid maar rechtvaardig voor de atletiek, en dat geeft meteen ook die andere kant van Henk’s activiteiten aan. Als organisator, speaker en wedstrijdleider was hij zeer actief tot de laatste jaren bij Swift Atletiek. Met een belangrijk verdwenen uitgangspunt: ‘Bij twijfel altijd in het voordeel van de atleet’.
Henk kreeg last van zijn rug en wilde stoppen met atletiek. Maar een sportmaat haalde hem over om te gaan kogelslingeren.  En verdomd, de rugpijn verdween en Henk vond een nieuwe liefde: de werpvijfkamp. Henk grossierde hierbij in nationale titels en zette zich in voor de werpnummers. Samen met zijn sportmaten opende hij de website Lampis, een internationaal platform voor werpers. Graag wilde hij ook die werpnummers (kogelslingeren , kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen, gewichtwerpen) stimuleren in Noord-Limburg, hetgeen (nog) niet gelukt is.
Een paar maanden geleden meldde hij zich weer bij Scopias, helaas voor korte tijd. Zijn vele atletiekmaten zullen hem zeker gaan missen. Een sympathieke man, altijd een beetje ondeugend, een gedreven atleet die de handen uit zijn mouwen stak. Geen lange vergaderingen, nee, gewoon afspraken maken op het atletiekveld en aan de slag. Henkie Dynamite stopt ermee, maar we zullen hem zeker ergens anders gedreven ‘aan de slag’ kunnen zien.

dinsdag 10 juli 2018

Slopende estafette


Ik las in de Limburger een hele lange kop: Krijgen VOS en Venlosche Boys aan de Merelweg gezelschap van Scopias en Mustangs? De atletiekvereniging en de honk- en softbalclub onderzoeken het voorstel van de gemeente Venlo. En meteen dacht ik: ‘het zal toch niet’.

Ik neem jullie eerst even mee zo’n dikke 60 jaar terug in de tijd. Naar Blerick op sportpark Saorbrook. Frits Vaessen legde ‘n paar keer per week met tomatentouw een rondbaantje van 400 meter en de training kon beginnen. Levensgevaarlijk over die ongelijke grasmat en als het geregend had zakte je tot aan de enkels in het voormalige moeras. Frits Vaessen en Frans Weyers bouwden aan een grote jeugdgroep, Festina was succesvol op alle atletiekonderdelen in district Zuid-Nederland. Overste Frans van de Ven lobbyde onophoudelijk voor een heuse sintelbaan bij de Gemeente Venlo. Die zou heel ideaal langs de Drie-Decembersingel in Blerick komen te liggen. In het verlengde van het zwembad, een wereldlocatie! Maar de Raad besliste anders, het nieuwe prestige-object moest in Venlo komen te liggen. Zo ver mogelijk van het oude Festina-veld, bovenop de Herungerberg, pal tegen de Duitse grens. Er werd met die-van-Blièrick helaas geen rekening gehouden. Op zondag 4 september 1966 was het zover, burgemeester de Gou opende de atletiekaccommodatie. Ik won er mijn eerste wedstrijd en Henk van Bakel verbeterde het eerste clubrecord op de nieuwe baan baove op d’n berg. Het bleek een ramp voor de Blerickse atletiekvereniging. Hele straten in de Hazenkamp waren immers lid van Festina en helaas was die nieuwe sintelbaan voor bijna iedereen één brug te ver.

Mede door het organiseren van school-atletiekwedstrijden en trimmen op de zaterdagmorgen werd er gebouwd aan het nieuwe Festina in Venlo. Geleidelijk aan groeit en bloeit de atletiek weer op, Festina doet het goed in de landelijke competitie. Helaas neemt een té enthousiast jong bestuur begin jaren 80 een dramatisch besluit: men kiest ervoor een prestatiegerichte club te zijn. Dat leidt in 1983 tot een scheuring met de recreatieve atleten. Naast de rood-witte kleuren van Festina verschijnt een nieuwe club op d’n berg. De keurig in blauw geklede recreatieve atletiekvereniging Orion. Dit had natuurlijk nooit mogen gebeuren en Festina verandert haar naam dan ook heel snel (helaas te laat) naar atletiek- en trimvereniging.

Nog geen 10 jaar later moet het bloeiende AV-Tegelen van haar sportpark op de Snelle Sprong afstand nemen, in verband met de aanleg van de A73. De Gemeente Venlo dringt aan op een fusie tussen AV Tegelen en Festina, en dat valt niet mee. Met terugwerkende kracht complimenten aan de onderhandelaars. De ligging van d’n Herungerberg is voor de Tegelse atleten (heel begrijpelijk) veel te ver. De nieuwe fusie-vereniging krijgt een nieuwe prachtige accommodatie op sportpark Vrijenbroek, pal achter het Venloos kerkhof. Helaas leidt dit in Tegelen wel tot een volgende scheuring, de Trim- en Loopvereniging Tegelen is een feit.

Zowel Scopias als Orion blijken een aanzuigende werking te hebben op vooral lange-afstands-lopers. De Venloop wordt een landelijk fenomeen. Die mooie sprint-, spring- en werponderdelen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Er worden geen echte baanwedstrijden meer georganiseerd. Door de groei moet Orion het veld ruimen op Vrijenbroek. Een nieuwe ‘eigen’ atletiekbaan op sportpark Maassenhof in Boekend wordt 2 september 2014 in gebruik genomen. Atletiek keert hiermee na ’n halve eeuw weer terug in Blerick, al zijn het alleen maar de looponderdelen van de lange adem. De nieuwe vierhonderdmeterbaan is aangelegd rondom het veld van rugbyclub The Wallaby’s. De aanleg van de baan kostte zo'n 90.000 euro en is gefinancierd door sponsors, vrijwillige bijdrages, een lening en subsidie van de gemeente. De baan is geen eigendom van Orion maar van Stichting Sportkern Maassenhof. 

En dan lees ik nu in de krant dat Scopias zeer waarschijnlijk op zijn beurt het veld moet ruimen voor het fusie-geweld van de hockeyers. Misschien is dit voor de atletieksport in Groot Venlo het perfecte moment om na te denken over hun toekomst. Misschien moeten (in alfabetische volgorde) Orion, Scopias en TLV eens met de gemeente om de tafel gaan zitten en een beleidsplan opstellen. Over de toekomst van de moeder aller sporten in onze regio. Een fusie is niet nodig, onze atletiek is immers een individuele sport. Maar wel vergaande samenwerking met bijvoorbeeld steunpunten voor lange-afstands-lopers in Venlo, Tegelen en Blerick móet toch kunnen. En dan één gezamenlijk trainingscentrum voor alle overige onderdelen in de atletiek. Voor mij hoeft ’t niet, maar dat zou goed zijn voor dé atletiek. Ik wil stug blijven doorgaan met technische werptraining aan wie het maar wil. Want in mijn nadagen als actief atleet bereid ik mezelf (al meer dan 20 jaar) in de illegaliteit voor op wedstrijden / kampioenschappen op een braakliggend terrein bij Scheuten Glas.

Kom op Gemeente, TLV, Orion en Scopias. Stop die slopende estafette en gun de moeder aller sporten een consistente ontwikkeling op een vaste centrale plek in Groot Venlo . . .

donderdag 5 juli 2018

Ouder - Atleet


Het meest lastige van kinderen opvoeden is misschien wel het loslaten. Er komt een moment dat kinderen aangeven dat ze op eigen benen willen staan. Dat betekent zeker niet dat ze dan klaar zijn om zelfstandig de wijde wereld in te trekken. Nee, maar dat is wel het moment dat de opvoeding een volgende beslissende fase ingaat. Iets verbieden moet vanaf nu overtuigend gemotiveerd worden. Een goed advies moet voortaan economisch en sociaal onderbouwd worden. De knop moet om, je mag ze niet meer voor de gek houden, er moet open en eerlijk worden gecommuniceerd. Het wederzijds vertrouwen staat op het spel, want het beslissende eindpunt in deze overgangsfase is het volledige vertrouwen in elkaar. En daar moet keihard aan gewerkt worden: overleggen – loslaten – controleren – bijsturen.

Dit jaar doe ik méér dan zes decennia actief aan atletiek. Vanaf 1957 stroop ik de wedstrijden af binnen een redelijke reisafstand. Mijn ouders gingen nooit mee, ik moest meestal iets regelen met bevriende atleten. En als dat niet lukte, dan ging ik gewoon helemaal in m’n eentje. 
Zoals die wedstrijd een halve eeuw geleden bij Achilles-Top, in dat prachtige stadion op Kaalheide. Ik zoek m’n eigen weg, en als ik ’t even niet meer weet dan vraag ik dat gewoon. ‘t Discuswerpen begint, een knappe meid doet ook mee in onze groep. In ’t veld staat ook een wat oudere man met zo’n lange lichtbruine regenjas. Hij geeft haar de discus aan. Als ze gaat gooien neemt hij haar trainingsjasje aan, zij werpt sierlijk die discus weg, hij haalt de discus op en wijst de jury een plekje iets-verder-als-waar-de-discus-neerkwam aan. Zij doet bevallig haar jasje weer aan, en luistert naar de aanwijzingen van de man. Het is een bloedmooie meid, en dat trekt me onweerstaanbaar aan. ‘Hallo’, zeg ik, ‘is dat jouw trainer?’. Ze glimlacht heel innemend en zegt zacht: ‘Nee, dat is miene pap’. Ik denk, nou, dat is gezellig. Mijn vader zou nooit meegaan, en zeker niet de discus voor me ophalen. En ik weet absoluut zeker dat hij me nog geen centimeter extra zou geven. Nee, dat nooit! Maar toch hou ik heel veel van miene pap. Ik zoek wat meer contact met mijn nieuwe prónkeppelke. Maar steeds als ik haar iets vraag, kijkt ze met een schuin oog naar haar vader. Als ik na de wedstrijd brutaal naast haar ga zitten in het gras, doemt de rijzige gestalte in lichtbruine regenjas dreigend voor me op. Het is nooit wat geworden, die klote regenjas zat er steeds tussen. Met groeiend medelijden zag ik ook andere veroveringen van andere jonge mannen keurig door pa gepareerd worden. Heel lang zag ik de twee altijd samen, niemand kwam ertussen, zelfs met de vrouwelijke atleten had ze bijna geen contact. Ik begon het steeds zieliger te vinden, en het respect voor m’n eigen vader groeide met de wedstrijd.

Alweer ’n hele tijd geleden, een avondwedstrijd toen nog bij PSV-Atletiek Eindhoven. Ik heb ingeschreven voor kogel en zit helemaal rechts op een lage bank m’n werpschoenen aan te doen, mijn kleine rugtasje voorzichtig verborgen onder de lage bank. Daar komen vader en zoon het veld oplopen. ‘Duidelijk uit de klei getrokken’, schiet me te binnen. Ze lopen allebei nogal breedsporig, allebei een ruige bos krullen op een enorme kop. Als twee vette druppels door sperma gekluisterd. Pa sleurt een enorme tas, waarin een zwaar hangende bult de ‘eigen-kogel’ verraadt. Zoonlief slentert slungelachtig daarlangs. Pa flikkert die enorme tas op de bank en ploft nog meer wijdbeens op de bank. Zo, daar kan verder niemand meer bij. Ze zeggen allebei niet eens ‘hallo’ of iets wat daar maar op lijkt. Nee, pa draait zich naar mij om en zegt: ‘Hij gaat de limiet voor het NK stoten’. Ik kan nog net inslikken: ‘Ik ben hier voor mijn sport, mijn passie en zomaar voor de lol’. De wedstrijd begint en pa posteert zich heel hinderlijk tussen het vrouwelijk jurylid dat schrijft, en het jurylid dat meet. Zoonlief stoot, wat een branie. Met ‘godnondedjuu’ ondertekent hij een blijkbaar mindere poging. Pa controleert irritant of er wel goed gemeten wordt. Het vrouwelijk jurylid zegt heel correct: ‘Je moet wel voor de volgende poging je startnummer op je rug doen’. Hij woelt met hoorbare tegenzin door de enorme tas en grist een verfrommeld startnummer tevoorschijn. ‘Pap, kun je me dat opspelden?’. ‘Godverdomme, wat unne kwats. Ook nog een startnummer dragen met zo’n klote-wedstrijdje’, vervolgt pa en speldt met twee speldjes dat nummer zo scheef als mogelijk op de rug van zoonlief. Alle deelnemers volgen geërgerd de opvoedkundige uitwisselingen tussen vader en zoon. De vijfde poging, zoonlief stoot en stapt links royaal uit de ring, en huppelt meteen terug in de ring. ‘Ongeldig’, zegt het vrouwelijk jurylid een beetje benepen. ‘Wat godverdomme ongeldig, hij staat toch in de ring’. Ik ben het gezeik zat. ‘Nee, duidelijk ongeldig, je stond er zelf met je neus bovenop’, laat ik me ontvallen. Vier bijna identieke ogen schieten vuur in mijn richting, maar durven misschien mede dankzij m’n 1.92 meter niets te zeggen. Pa pakt de kogel van zoonlief en laat die overdreven hard in die enorme tas vallen. Op dezelfde manier als ze het veld opkwamen, druipen ze nu samen naar elkaar vloekend wijdbeens af. Zonder iets te zeggen, zonder zich af te melden voor de laatste poging. Het startnummer fladdert nog aan één speldje achter hen aan.

Afgelopen week in Venray, een wedstrijdje van het Limbra baancircuit. Ik doe niet mee, maar zit op m’n stoeltje tussen de discus- en de kogelring. Geïnteresseerd volg ik de verrichtingen van een paar maten en een paar pupillen. Nee, ik bemoei me nergens mee, ik observeer alleen. Achter de kogelring staat een meisje in blauw tenue tegen haar moeder aan geklemd te wachten wat er staat te gebeuren. Rechts zit een klein groepje van haar eigen cluppie in het gras. Ze is aan de beurt, ze haast zich in de ring, stoot nog meer gehaast de kogel weg en sprint terug naar haar moeder. Die legt haar handen op de schouders van dochterlief en samen horen ze de gemeten afstand. Zo gaat dat zes keer, heel voorspelbaar. Snel weg bij ma, snel stoten en weer snel terug in de beschermde omknelling van haar moeder. Nou ja, een paar keer zag ik haar met een vleugje jalousie naar rechts kijken, waar een groepje atleten in het gras speelde. De zes pogingen zijn achter de rug, het meisje grijpt nog snel de hand van de moeder, die al ijlings het sportpark afloopt.

Onderweg in de auto van Venray naar Baarlo bedenk ik dit verhaal. Twee dagen later denk ik: ‘Ik moet dit opschrijven en delen’. En geloof me, het is slechts een héél bescheiden selectie uit méér dan honderd van die voorbeelden. En waarom ik het opschrijf weet ik niet, want zelf heb ik ook een en ander verprutst in de opvoeding van m’n kinderen. Maar toch ben ik blij dat m’n ouders me steeds m’n eigen weg hebben laten bewandelen binnen de atletiek. En verdomd, als ik er zo over nadenk. Misschien is dat wel de belangrijkste reden, waarom ik na die méér dan zes decennia nog steeds zielsveel van ‘mijn’ sport hou.

zaterdag 23 juni 2018

Reactiesnelheid van een Daf(ne)

Een valse start van Dafne Schippers op de halve finale van de 100 meter op het NK in Utrecht. Potverdomme. Meteen ’n heel gedoe, want zij voelde toch echt dat ze in het schot viel! Maar na lang mierenneuken bleek uit de computer-print haar reactiesnelheid 0,087 sec te zijn geweest. En dat mag niet, zo snel mag je niet reageren! Want mensen met een reactiesnelheid onder de 0,1 sec spelen vals. Dat gold laatst ook (bijna) voor Hamilton bij de Formule 1. Op het circuit in Monza bleek dat Lewis Hamilton al reageerde op het vijfde startlicht na 0,05 sec. 
Maar klopt dat wel? Ik heb altijd geleerd dat alles onder de nul vals is, en het een kunst (veel training) is om zo dicht mogelijk aan de goede kant te blijven. Wij maakten vroeger wat proefstartjes om te wennen aan de reactietijd van die starter. En verdomd, soms had je het gevoel dat je in het schot viel. Maar vaak hadden wij van die oudere starters, die je niet meer zo betrouwbaar wegschoten. Het was altijd een kriem om goed op tijd te starten. Ik verzuchtte 50 jaar geleden al: ‘Het wordt tijd dat ze dat gaan automatiseren’. Een exacte tijd tussen ‘klaar’ en ‘pang’. Want hoe vaak verwens ik ook nu nog die etters, die starten bij het schaatsen. Sommigen wachten net zo lang dat die arme schaatsers bijna omvallen of spontaan wegglijden op die smalle ijzertjes.

Dat zit ik me vanmorgen te bedenken als ik dit lees over Dafne Schippers. En weer besef ik  hoe mijn sportmaten en ik weer hebben kunnen genieten van ons eigen werpvijfkampje op dat braakliggend ongelijke grasveld in Heijen. Waar je goed moet kijken waar je discus terecht komt, anders moeten we gedrieën ’n kwartiertje zoeken. Geen betonnen ring met keurig opstaand randje, om precies te constateren wanneer je ‘ongeldig’ bent. Geen werpkooi om ‘verkeerdvliegers’ op te vangen. Nee, angstaanjagend dreigend struikgewas op 40 meter waar je kostbare werptuig zomaar in kan verdwijnen. Nee, simpelweg vanaf een plateautje van 10*10 aftandse trottoirtegels gewoon fanatiek knallen. En onze drie echtgenotes roepen af en toe ‘ongeldig’ als we van het plateautje afvliegen. En die zijn alle drie heel sportief en volkomen onpartijdig, dus dat wordt altijd geaccepteerd.

Hoe anders kan het zijn als die door de Atletiekunie getrainde juryleden weer eens moeten laten zien hoe je een ‘echte’ wedstrijd leidt. Ik wil wel een paar voorbeelden aanhalen, maar dan moeten jullie niet gaan lachen. Want daar kunnen die ‘officiëlen’ niet tegen. Laat ik beginnen met een onschuldig voorbeeld. Bij het laatste NK-masters boven de 70 jaar zitten 12 oudere mannen te wachten op hun beurt bij het kogelslingeren. ‘Ik moet plassen’, zegt mijn buurman. Meteen denk ik: ‘Ja, dat heb je, 12 man boven de 70, prostaatproblemen . . . ‘.  Op dat veldje in Heijen is dat geen enkel punt, 40 meter verderop voldoende ontvankelijk struikgewas. Maar niet op een NK! Je moet aan de chef-jury vragen of je even mag gaan plassen. ‘Heel even wachten!’, er wordt een welwillend daarvoor aangewezen jurylid opgeroepen om de inmiddels ‘knijpende’ man te begeleiden naar een verder weg staand mobiel toilet. De man komt opgelucht terug en gaat weer zitten. Even later hoor ik wat verderop ‘Ik moet plassen’. Ja, zo gaat dat, als er één zeikerd over de dam is, volgen er meer. Achter ons staat een scheidsrechter in officieel donkerblauwe blazer met officieel embleem. Voor de rest klemt ie alleen een geheim mapje onder z’n doelloze linker arm, en heeft ie totaal niets te doen. Ik ken die pappenheimers wel. Een hele tijd geleden bij de Philips-games was ik jury bij het discuswerpen. Schuin achter de kooi zat scheidsrechter Je-weet-wel wijdbeens op een krukje met het geheime mapje voor zijn erogene zone. Het was die dag warm en we hebben ‘m verschillende keren wakker moeten maken. Maar snel weer terug, deze scheidsrechter stond wel alert op te letten, dus ik dacht die kan ik wel iets vragen. Dus moeizaam richt ik me op en benader de goeie man met de vraag: ‘Mag ik u iets vragen? Waarom moet er iemand meelopen als die moet piesen?’. De man wendt enigszins geïrriteerd z’n hoofd af en mompelt: ‘Gedurende de wedstrijd mag je het terrein alleen onder begeleiding even verlaten, in verband met eventuele doping’. En meteen loopt hij met een grote boog om de werpkooi. Maar ik loop een stukje met ‘m over: ‘Wat ’n kwats, zo meteen worden we weer losgelaten en hebben we twee uur de tijd om alles wat God verboden heeft tot ons te nemen voordat het volgende onderdeel begint’. Maar de man neemt weer positie in aan de veilige andere kant van de kooi. Op de achtergrond huppelt een oudere dame achter een jurylid aan richting toilet.

Het is alweer enige tijd geleden, het WK-masters in Potsdam. Een strak georganiseerd wereldkampioenschap voor oudere ‘nog-steeds-fanatieke’ vrouwelijke en mannelijke atleten. Ik had me ingeschreven voor alle werpnummers en feitelijk zijn dat de zwaarste onderdelen in de atletiek. Het allerzwaarste is mijn meest geliefde gewichtwerpen, een machtig onderdeel. Ik had inmiddels de kwalificatie doorstaan bij de mannen 60+. Allemaal juryleden in keurig wit gekleed omzoomden onze arena, de werpkooi voor de finale gewichtwerpen. Het loopt allemaal perfect tot mijn derde poging. Met een machtige uithaal flikker ik die zware kogel net binnen de sector. ‘Ungültig’, roept zo’n witte verpleger uit het veld. ‘Ungültig’, herhaalt de chef-jury, die behalve een wit kostuum ook een wit hoedje draagt. Ik snel meteen naar het plaats-delict en zie duidelijk dat mijn kogel meer dan 10 centimeter van die vermaledijde witte kalklijn is gebleven. ‘Aber Ihr Griff war ausserhalb . . ‘, kraait die witjas en geeft met een vinnige vingerbeweging aan waar de handgreep was ingeslagen. Ik haal de chef-jury erbij, maar die die haalt de schouders op. En de ene Duitser valt nooit de andere Duitser af. Maar ik ben zo terneergeslagen dat ik vraag naar de ‘Schiedsrichter’, en die komt ergens in onze vijfde poging. Ik leg hem uit wat er is gebeurd, hij knikt alleen als ik mijn verhaal doe met zijn lippen stijf op mekaar. Maar als ik een extra poging vraag hoor ik heel on-Duits heel zacht: ‘leider . . ‘, en de man loopt weg.

Maar de afgelopen herfst brak me de klomp. De afsluiting van het seizoen, de Douwe Smit Trofee (DST). Het was koud en ik twijfelde nog om te gaan. Even nog de slingerkogel laten controleren. Dat doet de scheidsrechter van dienst zelf, en hij wijst daarbij wat overdreven egocentrisch op zijn groene band. Zo van: ‘Pas op, ik ben vandaag de baas hier’. Hij weegt drie keer mijn dit jaar al 300 keer gewogen kogel, en rekt met zijn gelukkig slappe armpjes de draad wat overdreven uit. Ik denk nog ‘oh jeej’, het zal toch niet gebeuren dat jouw club in de allerlaatste wedstrijd mijn vertrouwde kogel afkeurt. Maar een beetje teleurgesteld mompelt hij ‘goedgekeurd’, en ik kan gaan inwerpen. Het is altijd een oergezellige sfeer bij de slingerkooi. We helpen elkaar met aanwijzingen en ik zorg regelmatig dat de weerbarstige herfstbladeren uit de ring blijven. Ik ben aan de beurt, met een brede glimlach stap ik in de ring. Vandaag is de prestatie niet belangrijk, het gaat alleen maar om het plezier en om het erbij te mogen zijn tussen je sportmaten. Hèhè, het is een mooie worp, hij voelde goed en slaat in net voor de 40 meterlijn. Een beetje trots stap ik uit de ring en ga voldaan zitten in m’n stoeltje. Maar mijn maat komt naar me toe ‘je worp is afgekeurd’. Er knapt iets in me, ‘hoezo’, ik vlieg weer op uit mijn stoeltje. Ik vraag aan de jury ‘die worp was volgens mij geldig, er moet een bordje bij gezet worden’. Maar de jury zegt ‘ik ben overruled door de scheidsrechter, je hebt blijkbaar te vroeg de ring verlaten’. Ik hoefde de scheidsrechter niet te zoeken want hij kwam al geniepig lachend naar me toe: ‘Jaha, iedereen heeft het gezien, je was de ring uit voordat de kogel de grond raakte’. Iedereen om me heen haalde zijn of haar schouders op. Er knapte voor de tweede keer iets in me: ‘eindelijk heeft die ongelooflijke eikel me dan toch te pakken’. Het spookte door mijn hoofd, ik voelde moordneigingen bij me opkomen. Ik was bewust geflikt, want het is onmogelijk voor iemand van mijn leeftijd en voor iemand met twee totaal versleten knieën eerder de ring aan de achterkant te verlaten voordat die kogel inslaat. Zeker niet als je net hebt moeten afremmen en moeten nahuppen om niet vooruit de ring te vliegen!

Allerbeste Dafne, je bent natuurlijk van een onvergelijkbaar ander niveau als ik. Ik bewonder je ongeremd als mens en sportvrouw. Maar ik denk en voel met je mee, want we zijn allebei atleten. We genieten allebei van deze allermooiste sport. We ergeren ons allebei aan die regelneukers en alom aasgierige bemoeials. Maar bedenk en besef, regels zijn regels, en het spel moet eerlijk gespeeld worden. Maar we ergeren ons alleen over de uitvoering van die terechte regels. Het kan (en moet) anders. ‘Bij twijfel altijd in het voordeel van de atleet’, was een belangrijke stelregel voor mij als jurylid. En ik gun je straks als je 71 jaar bent minstens twee van die echte sportvriendinnen. Ik gun je ook dat je dan nog op een of ander bijveldje met je vriendinnen af en toe een zevenkampje kunt doen. Jullie drie mannen zitten dan aan de rand van het veldje en nippen aan de koffie. En geniet dan net als ik van onze atletiek als je partner dan vanuit z’n klapstoeltje roept: ‘Klasse Dafne, dat ziet er nog goed uit’.

zaterdag 23 december 2017

Zalig Kerstfeest voor mensen van goede wil

Vanmorgen zijn we naar het Kerstconcert in Blerick geweest. Nu ben ik niet zo van dat lange stilzitten, met je dikke reet klemvast ’n paar uur in zo’n pluche stoel gevangen te moeten zitten. Ik vind het verschrikkelijk als je hoognodig van bil verwisselt of je neus moet snuiten, en je naaste omgeving je dan boos aankijkt. Maar ja, het was het eerste Kerstconcert waarin onze kleinzoon meespeelde, en dan doe je dat natuurlijk. Maar eerlijk is eerlijk, het was echt geweldig, we hebben ontzettend genoten. Het Blericks Mannenkoor zong stemmige kerstliederen en de Jeugdharmonie speelde Highlights van Harry Potter en Rock in the Mountains. De concertzaal van ’t Roadhoës in Blerick zat bomvol en iedereen zat muisstil te luisteren. En wij zaten te glimmen met de oudste kleinzoon tussen ons in en de jongste met kerstmuts op de bühne.

‘Potverdomme, pssst’ daar komen vier dametjes luidruchtig en véél te laat de zaal binnen. Kletterend, kwetterend en stommelend klauteren ze omhoog, luidruchtig op zoek naar nog een vrij plekje. De brutaalste voorop met wit permanent waar de schedel zo vaal roze door schijnt. Met samengeknepen lippen kijkt ze vinnig de zaal in van ‘staat er niemand voor ons op!’. Gevolgd door een struise taart met zo’n boa constrictor om haar hals, met daarboven een bovenmatig geverfd en opgeblazen Beatrix-kapsel. Ook zij moppert niet geheel geluidloos dat er potdomme geen vier plekken naast elkaar meer vrij zijn. ‘Moet je maar op tijd komen’, laat ik me toch weer afleiden. De achterste twee klauteren onverstoorbaar verder en ik hoor aan het gemopper achter me dat laatkomers in een concert meer ergernis opwekken dan verwelkomd worden. Helaas moesten wij hierdoor de Weihnachtszauber van Ziegler missen, maar om nu de vinger op te steken of ze het nog een keertje willen doen?

Het is pauze en bijna de complete zaal stroomt leeg en spurt naar de bar en het café. Want met je moeizaam verworven bakje koffie in de hand gedrapeerd ‘social networkend’ arrogant om je heen kijken maakt een Kerstconcert tot een ultieme ‘kijk-eens-ik-was-er-ook’ happening. De pauze is om, we zoeken onze plaatsen weer op. ‘Waar zaten we Jan, weet jij het nog?’.

‘Ja hoor, rij K, stoel 5, 6 en 7!’. We hebben ons weer keurig in het pluche gedrukt, veiligheidsriem is strikt overbodig. Zegt Marijke heel verbaasd: ‘Kijk eens wie daar zit!’. En ja hoor, twee rijen voor ons zitten ‘Misses Slocombe and Misses Bouquet including her two friends’, helemaal middenin op de allerbeste plaatsen van de hele zaal. Dat kan natuurlijk nooit goed gaan, en we hoeven daarop ook niet lang te wachten. Een keurige dame zoekt haar plek, ziet dat die bezet is door vier-op-een-rij strak in het programmaboekje starende kersttaarten. Ze vraagt beleefd of de dames hun asociale achterwerk willen lichten maar geen reactie. Schijndood lijkt hier even goed te werken dan struisvogelpolitiek. Een keurige man voor me maakt de onvergeeflijke blunder door de roze-wit gepermanente aan te spreken met: ‘Mevrouw, die plaatsen waren bezet’. Bits draait ze zich om, gevolgd door de boa constrictor en giftig met een irritant kraakstemmetje wordt de man toegesist: ‘Er zijn vandaag geen gereserveerde plaatsen’. In de rijen voor ons speelt zich een ware stoelendans af met de vier kersttaarten met dichtgeknepen lippen verborgen achter het programmaboekje als het asociale middelpunt. Harmonie St.Caecilia zet Cantus Jubilante in van David Schaffer en de rust keert met enige tegenzin weer. Het is nu echt genieten, de twee dirigenten Mannie Beckers en Andreas van Zoelen doen een echte estafette en geven steeds onder luid applaus het stokje over. Werkelijk een prachtig Kerstconcert met in mijn oren hoogstaande muzikale prestaties. Onze kleinzoon zit links bijna vooraan en speelt geconcentreerd klarinet. Een gevoel van trots komt over me heen, natuurlijk voor onze kleinzoon en ook voor mijn geboortedorp Blerick. Met dank aan Harmonie St.Caecilia, na het laatste Klingende Weihnacht van Josef Hastreiter volgt een welverdiend overweldigend staand applaus.

De zaal loopt leeg, voetje voor voetje schuifelen we de trap af. Ik ruik smerige haarlak en een sompige wolk van goedkope parfum irriteert mijn neus. Voor me duikt wit permanent op, ik moet ineens denken aan Geert Wilders. Islamisering, tsunami, massa-immigratie, Turkse bruidjes, uitzetten van asielzoekers en grenzen dicht pijnigen mijn hoofd. Zal hem eens schrijven of hij ook in zijn programma asociale kersttaarten kan opnemen. Ik betrap me erop dat mijn twee handen iemand van de trap willen duwen.

Maar nee, het is bijna Kerstmis, vrede op aarde, maar wat mij betreft alleen voor mensen van goede wil!!?? 

zondag 17 september 2017

Kreperen

We staan op een camping in Saint Aygulf en zitten te genieten van een koel wit wijntje onder ons luifeltje. Aan de andere kant van het straatje meldt zich een nerveuze camper. Een klein manneke met een enorme klep aan zijn petje stapt uit en trekt zijn afgezakte korte broek op. Hèhè, die heeft zijn vakantiebestemming bereikt. Hij kijkt naar links en hij kijkt naar rechts. Zijn vrouw in keurig kleurig jurkje in bloemmotief komt achter de camper vandaan. Zij loopt resoluut naar een specifieke graspol en gebaart met beide gestrekte armen in een hoek van exact 90 graden waar zij de camper wil hebben. Het manneke schuift de klep wat achterover, trekt zijn broek weer op en dribbelt heen en weer. De vrouw laat haar armen zakken maar blijft duidelijk op haar strepen staan. De man loopt om de camper heen, kijkt naar de struiken, kijkt of zijn TV-schotel straks vrij staat. Hij heeft duidelijk een alternatieve plek in gedachte, gaat in de houding staan en spreidt eveneens beide armen onder 90 graden. ‘Hij wil liever daar gaan staan’, zegt Marijke. Ik denk er het mijne van, want de vrouw strekt haar beide armen nog resoluter dan de eerste keer in de bekende stand en stampt met haar rechtervoet op de grond.

De toon is gezet, hier past geen tegenspreken en hij stapt mopperend achter het stuur en manoeuvreert zijn kleine paleisje waar zijn koningin hem graag wil hebben. Zij blijft stokstijf staan, en op het moment dat hij haar bijna omver rijdt, slaat ze met de vlakke kant ‘pats’ op de achterkant. Het manneke stapt uit, en hijst zijn korte broek weer op. De vrouw verdwijnt in de camper. De man tovert een lange compleet-in-de-warre kabel uit de achterklep en begint de knopen er een-voor-een klungelig uit te halen. Hij sleept het hele gedoe naar een stroompaal en sluit de boel aan. Net als hij het andere eind in de camper wil aansluiten, komt zijn vrouw naar buiten met een enorme waterpas. Ze doet met beide armen gespreid een neerstortend vliegtuig na, ten teken dat de camper zo scheef als een hoepel staat. ‘Nou ja’, zegt Marijke, ‘die overdrijft toch wel verschrikkelijk’. Hij flikkert de zojuist ontwarde kabel aan de kant en pakt twee oprijstukken onder uit het ruim van de camper. Zij loopt met waterpas achter hem aan en wijst daarmee het linker voorwiel en het rechter achterwiel aan. Ze gaat vervolgens op gepaste afstand staan en het zielige kleine manneke legt die oprijstukken zorgvuldig tegen de wielen, stapt in en start de motor. Breedvoerig stuurt ze hem die oprijblokken op. Die staat prima, dacht ik bij mezelf. Maar zij wappert met die waterpas, en met de duim en wijsvinger van haar andere hand dat hij nog zeker 5 centimeter verder moet. Poeff, kedengg, klieng, klang, godverrrr . . . ‘Dat was dus iets te ver’, zegt Marijke en ik barst in lachen uit. Maar voor dit betreurenswaardige manneke is dit duidelijk heel normaal. Hij stapt uit, trekt wederom zijn te wijde korte broek op en begint een moeizame hersteloperatie. De vrouw weet van geen ophouden en blijft wapperen met die ene hand. Maar hij zet ‘m half op die blokken, trekt resoluut de handrem aan, stapt definitief uit, trek zijn wijde broekje vastberaden op en sluit de stroomkabel aan. Die zit! Zij haalt de schoudertjes op en verdwijnt in haar knibbel-knabbel-knuisje.

Hij is nu niet meer te stoppen, als een opgedraaide ADHD-er draait hij de luifel uit en zet die vast met twee scheerlijntjes. ‘Die staat niet lang’, zeg ik tegen Marijke, ‘het waait veel te hard’. Maar het kleine manneke sleept zich verder te barste over zijn zojuist verworven perceeltje met twee te grote tuinstoelen, twee voetenbankjes en klapt een veel te grote tafel uit. Zij komt naar buiten in uitgesneden badpak, zet de handen in de zij en schopt met haar rechter slipper tegen de zanderige ondergrond. Hij vliegt rechtop, trekt voor de zoveelste keer zijn broek op en kijkt naar links, naar rechts en dan naar ons. Wij zitten rustig te nippen aan ons witte wijntje, op onze bescheiden tuinstoeltjes maar wel op een keurig goed vastgespijkerd vloerkleed. Het manneke dribbelt naar het ruim achterin zijn niet meer zo vorstelijke paleisje. Even later komt hij met een enorm vloerkleed, dat hij verschrikkelijk onbeholpen onder zijn te grote tuinstoelen en tafels probeert te frommelen. Hij is nog lang niet klaar met zijn klungelige klus als een stevige windvlaag onder zijn te grote klep komt. Zijn petje vliegt wel 20 meter ver weg, en ik kan m’n lach niet meer inhouden. ‘Jan, alsjeblieft, gedraag je’, zegt Marijke. ‘Nou ja, hij is er zelf mee begonnen, toch?’, probeer ik me hakkelend te verdedigen. Als hij zijn petje heeft weten te redden en weer terugloopt, komt de volgende windvlaag onder dat enorme vloerkleed. Wat een ellende, denk ik bij mezelf. Ik krijg nu echt medelijden met dat manneke.
 
‘En kijk madam daar eens zitten’, zegt Marijke. Zijn vrouw in haar strakke badpak heeft een van die grote tuinstoelen verplaatst naar de buren, waar ze languit in de luwte van een struik met gestrekte beentjes ligt. Met de rug naar haar man, die nu te veel handen tekort komt. De luifel wordt weer ingedraaid, vloerkleed weer zo goed als zo kwaad opgevouwen. Net als hij zijn tuinstoel, de twee voetenbankjes en de grote tafel weer in de juiste formatie heeft geplaatst op het vermaledijde zand, daar komt mevrouw weer naar buiten. ‘Och god, hij moet eten klaarmaken’, verslikt Marijke zich bijna in haar Chardonnay. Want zij legt twee plastic verpakkingen en een rol aluminiumfolie op tafel. En ja hoor, hij schuift zijn klep naar achteren, krabt zich op zijn voorhoofd en zet de pet weer recht. Zijn hemd hangt intussen slordig uit zijn broek en hij trekt met nog meer moeite zijn broek op. Uit het intussen welbekende ruim komen achtereenvolgens een uitklaptafeltje, een gasstelletje, een gasfles en een blikken windvanger. ‘Ik ben benieuwd hoe dat gaat met die wind’, mompel ik. Hij schijnt het gehoord te hebben, want hij tovert zo’n grote stoffen driehoek uit het onuitputtelijke ruim. Een onmogelijke strijd begint om dat flapperende doek te temmen. Een punt probeert hij vast te zetten aan zijn fietsenrek, en het andere met een onwillige haring in de grond. Heel zielig constateert hij dat de afstand van het derde punt van zijn doek naar die verrekte boom ietsjes te ver is. Geen nood, hij duikt voor de zoveelste keer in het ruim en komt met een kekgeel koord tevoorschijn. Maar net voordat hij trots kan zijn op zichzelf dat het hem eindelijk gelukt is!? Daar draait die verdomde rot wind en het doek flikkert zijn gasstelletje omver. Ik heb het niet meer.

Je gelooft dit niet, als je het niet zelf gezien hebt. ‘Volgens mij is die vrouw ziek, misschien heeft ze wel last van de warmte’, probeert Marijke haar eigen geslacht nog enigszins maar vergeefs te redden. Want zijn vrouw zit al die tijd met de rug naar hem toe, op het perceel van de buren, languit uitgestrekt te genieten van de heerlijke middagzon.

Het manneke is met de etenswaren-in-plastic richting toiletgebouw gelopen. Tien minuten later komt hij terug met een piepklein pakketje keurig in de aluminiumfolie gewikkeld. ‘Dat zal het avondeten zijn’, mompel ik weer. Maar wij moeten gaan borrelen bij m’n zwager en schoonzus. Als we wat later teruglopen naar onze camper zitten de overburen vreedzaam naast elkaar achter de struiken op het perceeltje van de buren. Voor hun camper staan twee voetenbankjes en een veel te grote tafel!
’s Avonds loop ik nog even naar het toiletgebouw, onze overburen zijn inmiddels ook naar binnen. Een driftige TV-schotel draait dat het een lieve lust is op zoek naar de een of andere Astra-satelliet. ‘Potverdomme, zie je nou wel’, laat ik me ontvallen. Die krijgen never nooit beeld, want op het zuiden gericht streelt de TV-antenne steeds weer een enorme tak van een boom. Nou ja, dan hebben ze misschien eindelijk de kans om een goed gesprek te voeren, of een gezelschapsspelletje te doen. Misschien gaan ze wel op tijd naar bed en doen ze een leuk spelletje onder het dekbed, wie weet?

De volgende morgen als ik buiten kom om een stokbroodje te halen, is de plek aan de overkant alweer leeg. Een kekgeel koordje aan de boom herinnert me eraan dat het allemaal echt gebeurd is gisteren. Het campingleven valt niet altijd mee, soms is het ook een beetje kreperen en het blijft regelmatig de broek ophalen.

dinsdag 12 september 2017

Bommel zonder Bulten

Er was eens een heer van stand in het kleine pittoreske Rommeldam. Hij heette eigenlijk voluit Olivier B. Bommel van Bommelstein, maar mensen noemden hem gewoon respectvol Bommel. Op een avond ging hij na zijn eenvoudige doch voedzame maaltijd lekker onderuit zitten in zijn gemakkelijke fauteuil naast het knapperende houtvuur onder de grote doch oergezellige schouw. Zijn onafscheidelijke vriend Tom Poes ging schuin tegenover hem zitten op zijn gebruikelijke poef. Joost schreed het vertrek binnen met een zilveren dienblad op zijn vijf uitgestrekte vingers, die zorgdroegen voor voldoende balans aan een glas vuurrode Côte du Staay Superieur. Tom Poes keek op naar Bommel en zei: ‘ Zou U dat wel doen heer Bommel?’. Maar die ontstak zijn pijp met hulp van een takje dat hij uit het oh zo gezellig knetterend houtvuur had gepakt. Bommel blies een grote rookwolk uit, en dacht zichtbaar na en zei: ‘ Zoals mijn goede vader al zei’. Tom Poes wachtte geduldig af wat zijn goede vader hem dan wel had verteld, maar Bommel verzuchtte terwijl hij door het wijnglas keek: ‘En daar houd ik mij aan!’.

‘Over mijn goede vader gesproken, het lijkt me cultuurhistorisch van groot belang om al onze voorouders van Rommeldam in kaart te brengen’, vervolgde Bommel. ‘Dan moeten we de mensen van d’n Bokkel en Hout-Bommel zeker niet vergeten’, vulde Tom Poes aan. ‘Verzin toch eens een list jonge vriend. Geld speelt geen rol’, zei Bommel en ging er eens breeduit voor zitten. De rokende pijp in zijn linkerhand, het glas met het kostbare Staayvocht in de ander. Zijn camelkleurige jas, met ruiten van rode en zwarte strepen omzoomden zijn weldoorvoede ronde buik. Tom Poes staarde in het vuur en zweeg. Bommel ging verder: ‘Een heer moet ook alles alleen doen’. Maar die opmerking bracht Tom Poes op een idee: ‘Ik denk dat we de hulp inroepen van Anna Marie Doddel, maar zonder de expertise van onze genealoog Kwetal zal het nooit lukken’. ‘Hier ligt een mooie taak’, sprak Bommel de wijze woorden, ‘zoals mijn goede vader zei’.

Maanden, jaren gingen voorbij, en zorgvuldig onder de bezielende leiding van Kwetal groeide een Gezinsklapper voor Rommeldam, d’n Bokkel en Hout-Bommel. Elke vergadering begon Kwetal met de bezielende woorden: ‘Heer Bommel is een groot denkraam’, om daarna zelf met het volgende lumineuze idee te komen. Alle gezinnen met hun onderlinge relaties tussen 1433 en 1920 werden zorgvuldig uit de parochieboeken getranscribeerd, gecontroleerd en geanalyseerd. ‘Misschien kunnen we eerst kijken of er al iemand stukjes heeft uitgewerkt?’, had Anne Marie Doddel geprobeerd. ‘Nee, dit wordt een uniek stuk werk waarbij geen enkel detail wordt vergeten! Elke ondoordachte fout zou heer Bommel vreselijk vinden’.

De tijd verstreek. Op een avond zaten Kwetal, Anne Marie Doddel, Tom Poes en heer Bommel voor de grote open haard. Kwetal was zichtbaar opgewonden, getuige zijn hoogrode koontjes. Toen Kwetal heel trots de nieuwe Gezinsklapper had gepresenteerd, waren zes ogen strak gericht op heer Bommel. Er viel een doodse stilte, de grote deur ging piepend open en daar schreed Joost het vertrek binnen met een zilveren dienblad met daarop vier kristallen wijnglazen met Côte du Staay Superieur. Ieder nam een glas voorzichtig bij de voet van het kostbare glas en de stilte nam adembenemende vormen aan. Heer Bommel stond op en stak zijn glas omhoog, het houtvuur schitterde door de vuurrode wijn in zijn glas. ‘Uniek, werkelijk uniek’, sprak Bommel plechtig, ’als je begrijpt wat ik bedoel’. Het was nu de zorg dat alle, maar dan ook alle Rommeldammers inzage kregen in dit gigantisch eerbetoon aan al hun voorouders. ‘Geld speelt geen rol’ zei Bommel en zo werd besloten dat de Gezinsklapper op papier in het archief van Rommeldam kwam te liggen, maar ook digitaal op het RWW (Rommeldamse-Wide-Web). En die hem thuis in alle rust wilden bekijken konden tegen kostprijs een DRD (Digital-Rommeldamse-Disc) bemachtigen. ‘En die er dan nog niet uitkomen, nodigen we uit in de leesbibliotheek van Bommelstein’, sloot Bommel af. En Joost mocht het weten, want hij knikte decent naar heer Bommel.

Anne Marie Doddel schreef alle mensen van Rommeldam, d’n Bokkel en Hout-Bommel aan. Ook de mensen die inmiddels elders hun emplooi hadden gevonden. Maar één van de geniepige Rommeldammers hadden ook Andreas Q.X. op den Bulten op de hoogte gebracht. Hij heette voluit Andreas Querulijn Xaverius markies de Canteclaer op den Bulten, door de bewoners van Rommeldam steevast respectloos Canteclèr genoemd. Het is een hooghartige haan, die vanachter zijn lorgnet neerkijkt op de mensen. Hij leefde teruggetrokken op Troebelo en liet een paar van zijn weinige ‘amices’ in accoord werken aan zijn online Hanengezang en Vleugeljaren. Hij kon maar niet aantonen dat hij van adel was, en liet geen enkele mogelijkheid onbenut om heer Bommel neer te halen. Bij het zien van de uitnodiging voor de unieke Gezinsklapper van Rommeldam schijnt hij geroepen te hebben: ‘Parbleu, wat denken die wel? Goede sier en gewin halen met mijn hanige opdracht. Fi donc, wat denken die horige Bommel en die plagiaatzuchtige Kwetal wel niet?’ Canteclèr stuurde een galspuwend klaagschrift aan iedereen die het maar horen wilde. Ook naar onze integere heer Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes.

‘Hoe vreselijk is dit alles! Verzin toch eens een list jonge vriend!’, reageerde heer Bommel nogal ingetogen en nuchter.
Zijn jonge vriend dacht na, heer Bommel verwachtte van hem een bondig standpunt. ‘Kwaliteit verloochent zich niet’, fluisterde Tom Poes zachtjes en weloverwogen, ‘uiteindelijk zal ook hij moeten vaststellen wat een uniek stuk werk u hebt geleverd heer Bommel. Zijn hooghartigheid zal struikelen over zijn eigen onbenulligheid. Vanaf nu zullen we hem zijn ‘parbleuse’ Troebelose pad ongemoeid laten voortploeteren en hem voortaan negeren’.

‘Als U begrijpt wat ik bedoel’, eindigde Tom Poes. Heer Bommel keek hem aan, en beiden schoten in een proestende slappe lach.