vrijdag 19 juni 2020

Mijn tante Lucie


Mijn zus en ik praten graag over vroeger, zij weet veel meer details dan ik. Soms denk ik: ‘Verdomme, daar moet ik iets over schrijven’. Deze keer een ode aan mijn tante Lucie.
Mijn oom Eugène Louis André (Sjaen) Orval is geboren 16-02-1892 in Tegelen als zoon van Andreas Nicolaus Joseph Orval en Gertrudis Hubertina Dambacher. Eugène overleed, net geen 82 jaar oud, op 03-02-1974 in Tegelen. Hij trouwt op zijn verjaardag op 16-02-1921 in Semarang[1] met Lucie Dis, geboren 04-02-1896 in Semarang, overleden 24-07-1983 in Venlo. Zij was de dochter van Nawi Paket Jan Abelai (de Christen Afrikaan) en Johanna Louisa Dis[2] (*1866 +1902). Lucie had nog een oudere zus Emma Wilhelmina (*1892) en jongere broer Joseph Alfred Louis (*1898). Eugène en Lucie gingen na hun trouwen wonen op de Nangkalaan 96 in Bandoeng en kregen twee kinderen:
1. Pierre André Hubert (Dries); geb.18-05-1922 Semarang, ovl. 28-08-1948 Batavia
2. Hubertina Johanna Susanna (Tina); geb.28-07-1925, Tegelen, ovl.28-02-1983 Amsterdam[3]

Eugène was de oudste zoon in het gezin Orval-Dambacher. Het verhaal wil dat hij verliefd werd op zijn nichtje, An van ome Lot. Maar dat kon absoluut niet in die tijd. En of dit zijn besluit heeft beïnvloed om zich te melden bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) weten we niet, maar lijkt wel waarschijnlijk. Mijn moeder had het verdriet van haar oudste broer van nabij gezien. Wanneer Eugène naar Nederlands Indië vertrekt is niet bekend, maar dat zal omstreeks 1916 zijn geweest. Eugène werkt zich op in het 2e Garnizoen Batavia A&O tot sergeant 1ste klas infanterie en staat ook ergens vermeld als opzichter bij de dienst ter pestbestrijding. De regeling was dat je iedere zes jaar voor een half jaar op verlof mocht naar Nederland. Het zal voor de eerste keer zijn dat hij op woensdag 8 november 1922 ’s middags om 12 uur vertrok met de SS Insulinde van Batavia via Padang, Suez en Marseille naar Rotterdam. Op de passagierslijst staan vermeld Eugène, Lucie en hun baby. Wat zal hij trots zijn geweest om zijn vrouw en kind voor te stellen aan zijn ouders op de Hoogstraat in Tegelen.

In 1925 verblijft het gezin ook in Nederland, Lucie is in verwachting van haar tweede kind. De mooie donkere vrouw valt wel erg op in Tegelen. Er zijn nog maar heel weinig donkere mensen, en dan zeker niet getrouwd met een Tegelse jongeman. Als ze voor ’n half jaar in Tegelen zijn betrekken ze twee kamertjes in het ouderlijk huis van Eugène. Mijn moeder is dan nog niet getrouwd en ze bouwt een hechte band op met haar lieve schoonzus. Lucie komt overdag niet buiten omdat ze zich teveel bekeken voelt, maar elke avond als het donker is vraagt ze mijn moeder: ‘Tuutje, zullen we een stukje gaan wandelen’.  Op een avond lopen ze stevig gearmd over de Kerkstraat, Lucie met haar dikke buik. Haar tweede kindje is op komst. Ze heeft dat vervelende opstapje voor een van de deuren niet gezien en valt voorover op haar dikke buik. Mijn moeder helpt haar verschrikt weer overeind nadat Lucie een oer-Hollandse vloek heeft laten horen: ‘Godverdomme’. Op 03-11-1926 vertrekt het mailschip Slamat van Rotterdam naar Batavia, op de passagierslijst staan Lucie Orval-Dis en haar twee kinderen.

In 1940 zouden Eugéne, Lucie en de twee kinderen weer met verlof komen naar Tegelen. De ouders en schoonouders zouden hun gouden bruiloft vieren op 9 juni. Maar inktzwarte wolken belemmerden dat het een stralende dag zou worden. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwam hun kleinzoon Henk Peters om het leven. Op 8 september 1939 liep de mijnenveger Willem van Ewijck op een ‘eigen’ zeemijn, Henk werd nooit gevonden. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen, precies één maand voor hun gouden huwelijk. In een interview van de Limburger Koerier van zaterdag 8 juni 1940 laat het gouden bruidspaar optekenen: ‘En we dachten, dat ook onze zoon, die in het Nederlandsen-Indische leger dient en wiens zes jaren nu om zijn, op het gouden feest zou zijn, maar dat gaat nu niet’.

Maar het zou nog erger worden voor Lucie en Eugène. Op 7 december 1941 was de Japanse aanval op Pearl Harbor, de wereld stond in brand. Eugène werd in Kota Radja[4] krijgsgevangen genomen. In het Nationaal Archief vonden we zijn Japanse interneringskaart. Hij werd overgebracht naar POW[5]-kamp nr.482 in Siam (Thailand) om aan de Birma-spoorlijn te werken. Hij liet zijn baard staan om er ouder uit te zien maar de Jappen trokken hem juist daarmee naar de dwangarbeid. Intussen was zijn gezin ook geïnterneerd in de Japanse vrouwenkampen. Lucie zat samen met haar schoondochter Tilly in één kamp. Het moet verschrikkelijk zijn geweest voor dit verscheurde gezin. Dat verblijf in die kampen. Dat werken aan die Birma-Siamspoorweg, ook wel Dodenspoorlijn genoemd door de geallieerde krijgsgevangenen. Zij werden gedwongen de spoorlijn aan te leggen tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma). Het werk aan de spoorlijn begon op 16 september 1942 en werd 16 maanden later voltooid, ondanks berekeningen van Japanse ingenieurs dat het minimaal 5 jaar zou duren om de 415 kilometer lange en 1 meter brede spoorlijn aan te leggen. De Japanners maakten hiervoor op grote schaal gebruik van dwangarbeid. Tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 75 arbeiders; 15.000 krijgsgevangenen stierven aan uitputting, ziekte en ondervoeding. Onder hen waren 7.000 Britten, 4.500 Australiërs, 131 Amerikanen en bijna 3.000 Nederlanders. Marijke en ik hebben de Bridge on the River Kwai en de eertijdse kampen bezocht. De rillingen liepen over onze rug.

De overgave van de Jappen betekende niet het einde van de problemen. Lucie kon wel terugkeren naar Bandoeng, maar pas eind 1945 lezen we in een vergeeld oud krantenberichtje dat mijn moeder altijd bewaard heeft: ‘God heeft ons gebed verhoord en onze lieve zoon en broeder Eugène behouden. Na 5 jaren wachten ontvingen wij bericht dat hij zich in goede gezondheid bevindt in het EX-POW-kamp Siam (Thailand). Fam. A.Orval-Dambacher, Hoogstraat 94, Tegelen’. De Indonesische Onafhankelijkheidsstrijd begon kort na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië op 17 augustus 1945, en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de kolonie Nederlands-Indië door het Koninkrijk der Nederlanden aan Indonesië in december 1949. Het gezin komt in rustiger vaarwater en keert terug naar Tegelen.

Als klein jongetje ging ik regelmatig met de fiets naar de Plataanstraat in Tegelen. Naar mijn ome Eugène en tante Lucie, schoondochter Tilly en mijn neefje Pierre. Ik zie het nog zo voor me, mijn oom stond altijd kaarsrecht voor de deur, of kaarsrecht strak voor zich uitkijkend achter in de tuin. Nu denk ik wel eens: ‘Wat hebben die mensen meegemaakt, waar zal hij aan gedacht hebben. Wat moet door dat stoere hoofd gespeeld hebben. Hoe diep ging dat trauma van die klote oorlog’. Als ik binnenkwam veranderde die sfeer. Je werd heel hartelijk en warm ontvangen. Als kleine jongen voel je dat meteen aan, ik was er welkom. En het rook er altijd zo lekker. Na het spelen met mijn neefje moest ik altijd blijven eten. Als ik daaraan terugdenk heb ik nooit meer zo lekker Indisch gegeten als bij mijn tante Lucie en bij Tilly.

Nu zijn ze er niet meer. Ik kijk op televisie naar protesten en demonstraties tegen racisme en geweld tegen gekleurde mensen. Ik word daar verdrietig van, ik heb nooit gediscrimineerd. Ik moet terugdenken aan mijn lieve tante Lucie, ik besef nu pas dat zij de eerste donkere persoon was die ik leerde kennen. Ze zal zich destijds zeker wat meer bekeken hebben gevoeld in Tegelen. Die mooie vrouw waaraan ieder streepje mascara overbodige luxe was. Het enige wat ze gebruikte was een wolkje Pompeï talkpoeder. Ik kijk niet op haar neer, maar naar haar op. Als die prachtige lieve sterke vrouw, die ook nog eens verschrikkelijk lekker kon koken.




[1] Semarang is een stad aan de noordkust van het eiland Java, Indonesië. Het is de hoofdstad van de provincie Midden-Java (Jawa Tengah). Semarang was een belangrijke haven tijdens de Nederlandse koloniale periode.
[2] Grootouders van vaders kant onbekend, van moederskant Hendrik Dis (ca.*1839 +1912) en Sikem Inlandse Christen vrouw.
[3] Getr. met Lambertus Peter (Lam) Jornick; geb. ca. 1921 Blerick, ovl.18-08-1994 A’dam (73 j.)
[4] hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh (Sumatra)
[5] Prisoner of War

zondag 13 oktober 2019

Oorlogsvermiste Leo Orval

Een tragedie op het einde van de Tweede Wereldoorlog

Leo wordt 15 september 1891 in Haarlem geboren als de zoon van Leonard Hubert Joseph Orval en Marie van der Grift. Op 19 november 1930 trouwt hij met de 10 jaar jongere Engelse jongedame Gladys Ann Matthews. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog speelt zich een verschrikkelijke tragedie af. Hij wordt gearresteerd op 19 juli 1944 en is sindsdien vermist. Zijn echtgenote draagt waarschijnlijk als laatste strohalm haar hele leven een brief bij zich:

Militair Gezag, 
Dienst identificatie en berging, bureau Amersfoort, 
Laan 1914 (voormalig concentratiekamp, telef.5776).
Amersfoort, 27 december 1945, no.1905.

In antwoord op Uw schrijven dd.19 dezer betreffende de vermissing van Uw man L.G.Orval, geboren 15-09-1891, delen wij U beleefd mede, dat hij op 28-07-44 in het kamp Amersfoort werd binnengebracht, geregistreerd onder kampnummer 3818 en vandaar op 11-10-44 op transport werd gesteld naar het Concentratiekamp te Neuengamme bij Hamburg. Op de in ons bezit zijnde afschriften der dodenlijsten van Neuengamme komt evenwel de naam van Uw man niet voor. Wij hebben het verdere onderzoek hiernaar overgedragen aan het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen, Burnierstraat 1 te Den Haag waar men voor deze gevallen over meer gegevens beschikt.
Het Hoofd van de Dienst I-S.
b/a de Res. Majoor W.J.Siedenburg (G.Vermeulen)
Aan: Mevr.Orval, Lijndenstraat 36 I, Amsterdam C.

Op de website van de Oorlogsgravenstichting vinden we in het slachtofferregister nog iets meer informatie:
Leonard Govert ORVAL
Geboren Haarlem 15-09-1891 
Overlijdensplaats: Lübeckerbocht bij kdo. Neustadt, Neuengamme
Overlijdensdatum: 03-05-1945 
Begraaf-/gedenkplaats: Zeemansgraf (Gedenkboek 34). 

Wat is er precies met hem gebeurd? Nachtwaker Leo Orval wordt 19 juli 1944 in Amsterdam gearresteerd door het Deutsche Obergericht, Aussenstelle Amsterdam en vervolgens begint de ellende. Drie jaar later, op 31 juli 1947 wordt zijn vrouw gehoord en ondertekent de volgende verklaring:

(dossier no.859, betreft L.G.Orval); O.g. Orval-Matthews, Gladys Ann, oud 46 jaar, zonder beroep, wonende Lyndenstraat 36-I te Amsterdam C., verklaart:
Op 19 juli 1944 kwamen, bij afwezigheid van mijn echtgenoot, de rechercheurs Moolenaar en van Rijn van het politiebureau Kattenburg bij mij thuis om mijn man te halen. Na zijn thuiskomst is mijn man zich bij het bovengenoemde bureau gaan melden waar hij werd ingesloten als verdacht van medeplichtigheid aan diefstal van Duitse goederen. Bij mijn navraag, de volgende dag, deelde rechercheur Moolenaar mij mede dat mijn man overgegeven was aan de Duitse politie in de Euterpestraat. Daarna is hij naar Amersfoort gebracht, vanwaar ik 31 Augustus 1944 een brief van hem ontving. Zijn gevangenennummer was 3818, Lager I, Block 2. Daarna heb ik geen enkel rechtstreeks bericht meer van hem gehad. Ik sprak na de bevrijding een zekere Jankje Jaring, wonende te Wittenburger-dwarsstraat te Amsterdam C. die mij vertelde dat hij mijn man in Neuengamme had ontmoet en dat hij reden had aan te nemen dat mijn man daar was overleden. Na voorlezing en volharding getekend, Amsterdam, 31 juli 1947, G.A.Orval-Matthews.

Ten tijde van z’n arrestatie was hij nachtwaker van beroep, de 52-jarige Leo Orval wordt door de Duitsers op 28 juli 1944 binnengebracht in het concentratiekamp Amersfoort, en krijgt daar kampnummer 3818. Op het document ‘Häftlingsgeldverwaltung’ staat als geboortedatum vermeld 14-09-1891, en blijkbaar had hij geen geld bij zich aangezien geen bedrag is ingevuld. Van hieruit wordt hij 11 oktober 1944 op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme, zijn kampnummer hier is niet bekend. Het transport omvat 1440 Nederlanders, 602 uit Putten, 44 uit Gorcum en enkele honderden politieke gevangenen. Bij Zwolle weten nog enkele gevangenen uit de rijdende trein te springen. 

Op 2 april 1948 verhoort de Officier Civiele Dienst F.Snoek (Ministerie van Sociale Zaken), de bovengenoemde Jankje Jaring. Die woont dan in de Kleine Wittenburgerstraat 35-III te A’dam, is 25 jaar, soldeerder van beroep en verklaarde:
‘Ik ontmoette vermiste in Amersfoort in de maand augustus 1944 en samen met het grote transport ben ik met hem naar Neuengamme gegaan op 11 oktober 1944. Ikzelf ging naar Husum en vermiste bleef in Neuengamme. Toen ik uit Husum ging, ongeveer eind november 1944 en terugkwam in Neuengamme, was vermiste daar nog. Hij was ingedeeld bij de eten-halers. Ik ben doorgezonden naar Meppen (Dalem) en heb vermiste nooit meer gezien. Ik ben tenslotte bevrijd in Sandbostel, of vermiste daar was, is mij onbekend. Meer kan ik U niet verklaren.’

Ten zuidoosten van Hamburg bevond zich van 1938 tot 1945 het concentratiekamp Neuengamme en was met meer dan tachtig buitenkampen het centrale concentratiekamp van Noord-Duitsland. In 1938 was Neuengamme nog een buitenkamp van het concentratiekamp Sachsenhausen. Het werd door de SS gevestigd in een stilgelegde steenfabriek. Eén van de redenen dat Neuengamme werd gebouwd was de fabricage van bakstenen (Klinkerwerk). In 1940 werd Neuengamme een zelfstandig kamp. In de loop van de oorlog deporteerde de Gestapo tienduizenden mensen uit heel Europa als gevangenen naar Neuengamme. Van de 106.000 gevangenen zijn er ongeveer 55.000 omgekomen.

Het grootste deel van de Nederlandse gevangenen kwam in de jaren 1944 en 1945 naar Neuengamme. Gedurende die laatste periode leefden de gevangenen in Neuengamme onder bijzonder harde en gruwelijke omstandigheden. In de herfst van 1944 waren er ongeveer 48.000 mannen en 10.000 vrouwen in het concentratiekamp Neuengamme en in de ongeveer negentig buitenkampen die verspreid lagen in geheel Noord-Duitsland. Van deze 58.000 mensen waren er ongeveer 5500 afkomstig uit Nederland. De combinatie van zware arbeid, slechte of geen voeding, onvoldoende huisvesting, geen medische verzorging, mishandelingen gedurende de laatste maanden hadden het kamp tot een stervenskamp gemaakt. Op 20 april 1945 werd er een begin gemaakt met de ontruiming van het kamp, een deel van de gevangenen ging op ‘Todesmarsch’ naar andere kampen waaronder Sandbostel en Wöbbelin.  De laatste 14.000 gevangenen werden vanuit Neuengamme naar de Lübeckerbocht gebracht, te voet, in vrachtwagens en met de trein. In de Lübeckerbocht voor Neustadt lagen drie schepen. De grootste, de Cap Arcona, lag buitengaats voor anker. De Thielbeck lag voor anker onder de kust en de Athen voer heen en weer met gevangenen naar de Cap Arcona. De veertien dagen in ‘de drijvende concentratiekampen’ waren een hel voor de gevangenen, die opgepropt in de ruimen zaten, nauwelijks te eten en te drinken kregen, de hygiënische toestanden waren erbarmelijk. Op 3 mei 1945 werden de Cap Arcona en de Thielbeck gebombardeerd door Engelse jachtvliegtuigen. De schepen vlogen in brand en zonken. Hierbij kwamen 8000 gevangenen om, onder wie meer dan 300 Nederlanders. Waarschijnlijk en volgens het slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting is Leo Orval één van de 300 bovengenoemde slachtoffers. Een mededeling van derden dat per radio was omgeroepen dat hij in Neuengamme zou zijn overleden, kan niet worden geverifieerd.

Zoekacties van het Ministerie van Sociale Zaken (dossier 859) en het Rode Kruis (dossier 36647 Dj.M.) hebben niet het gewenste resultaat. Het signalement van de politieke gevangene Leo Orval geeft o.a. aan: lengte 1.65m; postuur breed, gezet; ovaal gelaat en een gezonde gelaatskleur; hij had 1 lichtbruin en 1 donkerbruin oog; haren worden aangegeven als ‘peper en zout’; spitse kin en bruine verbrokkelde tanden. Als bijzonderheid wordt vermeld: Had de gewoonte steeds met de tong tegen de wang te drukken van de ene naar de andere zijde. 
Het dossier van het Rode Kruis eindigt dan ook met: ‘Gelet op het voorafgaande moet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen, dat betrokkene is overleden, hetzij te Kl.Neuengamme, hetzij tijdens het evacuatietransport naar Lübeck, hetzij aan boord van een der schepen in de Lübeckerbocht en wel op z’n vroegst op 15 maart 1945 en op zijn laatst op 3 mei 1945.’

Zijn weduwe Gladys Ann Matthew blijft met zeven kinderen achter, slechts de verfrommelde brief van het Militair Gezag blijft de enig tastbare herinnering aan haar man. In 1990 overlijdt zij, 88 jaar oud, haar zeven kinderen blijven worstelen met de onbeantwoorde vragen:

  • wat was de exacte reden van zijn arrestatie?
  • wat is er met hem gebeurd tussen 15 maart en 3 mei 1945?


zaterdag 5 oktober 2019

Tweedeling vóór / tegen de boeren

Er ontstaat in Nederland op bijna ieder onderwerp een tweedeling, je bent ergens vóór of je bent ergens tegen. Zwarte Piet, drugs, boeren, criminaliteit, discriminatie, integriteit, zelfs sociaal gedrag. Er is nergens ruimte meer tussen. Van bovenaf bekeken lijkt Nederland op een vriendelijke lappendeken, maar zijn bewoners raken steeds meer verstrikt in spaghetti-diagrammen. We gunnen ons geen moment van laten-we-eens rustig argumenten uitwisselen. Er valt zelfs niet meer te discussiëren. Het lijkt wel of we simpelweg ons onderbuikgevoel volgen. Soms vraag ik wel eens iemand: ‘Waarom ben je toch zo fanatiek, zo zwart-wit’. Meestal komen de antwoorden niet verder dan:
‘Lees jij geen sociale media?’
‘Iedereen weet toch dat het zo is?’
‘Kijk jij geen televisie?’
‘Jij bent zeker vóór hè?’

Je moet zelfs goed opletten wat je op Facebook zet, want de meest onschuldige onderwerpen vormen vaak aanleiding tot onbegrijpelijke aanvallen in je rug. Laatst plaatste ik een onschuldig stukje ‘werken-bij-de-boer’. En daarop kreeg ik als donderslag bij heldere hemel te horen dat: ‘70 tot 80 % van de veestapel en aanverwante dierlijke producten die de Nederlandse boeren produceren voor de export is . . . . en blijkbaar vind niemand (ook op facebook niet) dit ‘leuk’ of men wil de feiten niet onder ogen zien’. Het maakte me verdrietig en ik dacht meteen van ‘wat-heb-ik-nu-aan-mijn-fiets-hangen’. Verderop viel zelfs het verwijt dat ‘men’ zich niet inlas op de onderwerpen en ‘mensen’ zomaar wat roeptoeteren. Nu doe ik ook al geruime tijd historisch onderzoek en weet dat je steeds betrouwbare bronnen moet vermelden. Maar helaas ontbreekt elke vermelding bijna ten allen tijde in het ‘roeptoeteren’ op de sociale media. Ik probeer het voorbeeld te geven en onderaan vinden jullie een paar van (volgens mij) betrouwbare bronnen.

Terug naar dat boertje waar ik 60 jaar geleden met plezier gewerkt heb. Hij heeft zijn hele leven de rug krom gewerkt maar kon het uiteindelijk niet bolwerken. De overheid, de (coöperatieve) veilingen en de bank maakten het hem onmogelijk en kenden geen mededogen. Om zijn gezinnetje te kunnen blijven verzorgen moest hij uitbreiden en investeren. Alleen met een mega-schaalvergroting kon hij het moede hoofd boven zijn geliefde grond houden. Maar de prijs van ’n kilo aardappelen bleef maar ’n dubbeltje, de prijzen in de winkel gingen wel twaalf keer over-de-kop. De overheid, de (coöperatieve) veilingen en de bank deden het mega-goed. Uiteindelijk heeft hij de boel moeten verkopen, bleef met een vette restschuld zitten die hij de rest van zijn leven mocht afbetalen. De stadse mens ontdekte het buiten-wonen, eentje herkende in zijn boerderijtje wel een aardig ‘project’ en het eens zo mooie boerenlandschap werd spuuglelijk de nek omgedraaid. Een gevoel van respect naar deze boer, maar zeker ook mededogen, kan ik onmogelijk onder stoelen of banken schuiven.

Twee jaar geleden stonden we op een camping in Limmen. Ik weet nog dat ik zei: ‘Wat hebben jullie een prachtige stal gebouwd’. De vrouw barstte in tranen uit. Wat bleek? Ze hadden voor een miljoen geïnvesteerd in die volgens-de-laatste-milieu-eisen-stal en in extra akkerland. Dat moest wel om niet met een mestoverschot komen te zitten. Ze wilden hun zoon een milieuvriendelijk bedrijf overdragen, waarmee hij een redelijk inkomen zou hebben. Maar de niet-eens-mega-stal stond er net, de extra koeien waren reeds besteld. De overheid haalde zomaar een vette streep door de uitbreiding van de veestapel op straffe van zware boetes. De zoon had meteen gekozen voor een baan buiten de sector, het mega-gedesillusioneerde echtpaar moet het maar verder proberen uit te zingen. Een gevoel van respect naar deze boerin, maar zeker ook mededogen, kon ik niet verborgen houden.

Ik ga eens wat snuffelen in de vele cijfers en plaatjes van het Centraal Bureau voor Statistiek. Het is toch niet te geloven, per hoofd van de bevolking flikkeren we elk jaar bijna mega-500 kilo in de afvalbakken. Dat halen Marijke en ik never nooit. Zorgvuldig en te vaak vergeefs zoeken we naar boodschappen die niet in plastic zijn verpakt. We gooien (bijna) geen voedsel weg, de kliekjesdag staat vast op het weekmenu. Al eens afgevraagd wat we weggooien en hoe groot de bijbehorende mega-vervuiling is? Denk hier eens aan alvorens met het vingertje naar welke-milieuvervuiler-dan-ook te wijzen.

Marijke voert iedere morgen eerst de tuinvogeltjes, pas daarna beginnen we met het ontbijt. Vorig jaar werd ze opgeschrikt door de vernietigende daling bij de vogeltelling. Onze gevederde vriendjes zouden vergiftigd ‘kunnen’ zijn door het vergif van ‘die’ boeren. Dit jaar was er een dramatische mezen-sterfte. Uit onderzoek bleek dat ‘wij’ de buxusmot met vergif te lijf waren gegaan. En onze mezen vonden die motjes wel lekker. Wat waren we blij dat we onze buxus-haag preventief hadden geruimd, mogelijk hebben we er misschien één meesje mee gered. Dit jaar was er een explosie van de processierups. Met bladzuigers en gasbranders werden ze uitgemoord en ausradiert! Misschien hadden die vergiftigde meesjes ze graag willen opeten. Elk verwijt, elke vingerwijzing bleef verder achterwege, iedereen keek de andere kant op, we hadden er immers zelf veel last van!
Ik wil iets meer weten over stikstofconcentraties en denk dat de KNMI / ESA wel een betrouwbare bron is. Maar oh jeej, ik schrok me te pletter, het blijken niet alleen de megastallen in Brabant te zijn! Nee, de grootste bedreiging van stikstof komt van de ‘megastallen’ in de Maasvlakte (Rotterdam), het Vlaams gewest (Antwerpen) en het Roergebied. Maar ja, dat is verrekte lastig om aan te pakken. Die massa’s mensen op elkaar gepropt in torenhoge ‘megastallen’ en de ‘mega-industrie’ moet ook draaien. Maar hou je wel aan de feiten en bij de meest bedreigende bronnen. Maar als je kunt kiezen tussen een atoombom of twintig waterpistooltjes? Hebben we die twintig toch snel te pakken, toch?
Nederland is een exportland. Alhoewel, de import mag er ook zijn! In 2017 was de import 411 miljard en de export 469 miljard euro. Ons landje produceert en verwerkt zich te pletter om vervolgens zoveel mogelijk milieuonvriendelijk naar de buitenlanden te sturen. Ja, maar wat ik niet wist en niet hoorde, mega-veel rundvlees wordt gewoon geïmporteerd. Wel eens afgevraagd hoeveel? Vallen onze milieu activisten daar ook stiekem midden-in-de-nacht binnen hoe het daar toegaat? Ik kon het nergens terugvinden.
Last van mega-veel mieren: mierendood! Jammer voor die musjes die mieren zo lekker vinden. En de regen spoelt het mierendood wel weg of gewoon in ons grond(drink)water. Last van mega-groene tegels: er is vast wel een of ander zuur te vinden dat de boel schoon houdt. Onze oudjes krijgen vaak het verwijt dat ze de boel verzouwd hebben. Als straf krijgen die in de mega-verzorgingshuizen maar één vluchtig douchebeurtje per week, denk daar eens aan als je onder de douche staat te zingen. Als straf krijgen ze een pyjama-dag en worden stilzwijgend veroordeeld tot gedwongen eenzaamheid. Bezuiniging wordt verkozen voor welbevinden en milieu.

Let wel! Dit is geen pleidooi voor ongebreidelde uitbreiding van het aantal dieren in Nederland. Dit is geen pleidooi voor ongebreidelde uitbreiding van het aantal vluchten vanaf Schiphol. Nee, dit is een schreeuw naar meer respect naar diegene die volgens de letter van de wet niet anders konden. Ja, er zelfs toe gedwongen worden. Want wijzelf kunnen zonder mega-investering direct onze afvalberg halveren, begin er vandaag mee. Hoe veel je nu ook weggooit, het kan en moet altijd minder. Denk zelf na voordat je je buxus of je kamerplantje wil redden. Denk na voordat je een onkruidverdelger aanschaft. Denk na voordat je de auto of het vliegtuig neemt. Moet ik m’n kinderen altijd met de auto wegbrengen en ophalen naar school? Probeer te denken in alternatieven en laat het milieu altijd mee beslissen wat je doet.


Want één ding is wel duidelijk: het politieke, monetaire en economische beleid trekt zich nergens geen flikker van aan. Die zoeken én vinden steeds een volgend slachtoffer. Totdat het niet meer kan en dan zijn wij eindelijk als laatste aan de beurt. Wacht daar niet op en respecteer ieders mening. Probeer samen de wereld te verbeteren met die dingen die je nu zelf kunt doen. Iemand anders doet het écht niet. En wijzen naar de ander leidt tot polarisatie en de definitieve teloorgang.

Zo, nu stappen we op de fiets voor onze wekelijkse boodschappen. Groenten en fruit bij de boer om-de-hoek. Yoghurt, karnemelk en kaas bij onze zuivelboerderij.






woensdag 2 oktober 2019

DOHA 2019 zoals ik het zie


Als fanatieke atleet zit ik van 27 september tot 6 oktober vastgeplakt aan het scherm. Ik moet wel kijken naar de wereldkampioenschappen atletiek in Doha (Qatar). Van ’s middags tot ’s avonds een beetje switchen tussen Canvas, BBC2 of ARD. Vanaf de luie bank op het grote televisiescherm of op de gewone stoel met Ziggo Go op het computerscherm. Nee, niet naar NPO3. Ik word misselijk van dat slappe geouwehoer en dat vervelende manneke die interviews doet meteen na de loopnummers. ‘Welke kleur haar heb je morgen?’. ‘Jammer, waarom is het niet gelukt?’.

Ik weet niet hoe dat bij jullie is, maar het liefst kijk ik via het computerscherm. Dan kan ik af en toe bij die onbegrijpelijke pauzes, bij die totaal overbodige lichtshows en tijdens dat slappe geouwehoer even overschakelen op iets zinnigs. Even snel tussendoor iets uitzoeken of een verhaaltje schrijven zoals dit. Als masteratleet met méér dan 60 jaar (actieve) ervaring op alle disciplines volg ik alle verrichtingen op alle onderdelen. Ik weet dat ondanks dat supertalent er keihard en jarenlang met strakke discipline aan gewerkt is. Mijn respect en bewondering is mateloos. En als er iets niet goed gaat, dan zie ik dat meteen. Onze getrainde ogen verraden al tijdens de aanloop van polsstok of met verspringen een tegenvallende afloop.

Het zal me worst wezen dat Rutger Koppelaar even een ander shirtje aanhad en daarom naar huis wordt gestuurd. Want dat gebeurt door (meestal) mannen die het aan ieder talent voor atletiek ontbreekt, die nooit enige trainingsdiscipline hebben hoeven opbrengen. En denken dat empathie thuishoort in het etymologisch woordenboek. Maar wel opvallend talent hebben in het kiezen van ‘hun’ verkeerde moment, bijvoorbeeld als op de achtergrond de kwalificatie van kogelslingeren mannen zich afspeelt. Begrepen jullie overigens waarom zijn vriendin Jamile Samuel wel mag blijven ondanks hetzelfde ‘vergrijp’? Ik begrijp het niet waarom ze nú met die schorsing van Alberto Salazar komen. Waarom niet zes jaar eerder toen iedereen (binnen de atletiek) dat al wist, waarom niet nog één weekje gewacht. Ja, jullie weten wel waarom. Na 6 oktober praat niemand meer over atletiek, maar wij wel potdomme. Zwijg er dan nu ook maar over en laat de sport voor zich spreken.

Wij atleten ademen, dromen, trainen, slapen en beleven atletiek. Wij zijn geïnteresseerd in die focus van die superatleten kort voor de wedstrijd, in het verloop van de wedstrijd en die beleving van de atleten na de wedstrijd. Wij willen genieten van die prestaties die voor ons onbereikbaar zijn gebleven ondanks onze noeste trainingsarbeid. Dat willen we zien en het liefst daarbij niets horen. Want we zien zelf wel wat er gebeurt, wat er goed gaat en wat er niet goed gaat.

Ik schreeuw en spring op uit m’n stoel bij elke geslaagde spring- of werppoging. Ik steek twee gebalde vuisten op als ik zie dat die atleet vier perfecte draaien maakt met kogelslingeren. Ik roep ‘yes’ als hij zich uitstrekt, als hij die kogel met twee gestrekte armen de hemel injaagt. Ik weet dat dit een goeie poging is, ik zie dat. Ik strek mijn rechterarm naar achteren als die speerwerpster aanloopt, ik strek mijn linkerbeen als zij moet blokken bij de afworp. Ik smijt mijn schouders naar voren bij die afworp. Ik plof neer als ik vermoed dat de afstand tegenvalt. Ik blijf even staan en volg die trillende speer als ik weet als het een goeie worp is. Ik krijg kippenvel als ik Kelsey-Lee Barber in de laatste poging met speerwerpen wereldkampioene zie worden. Ik geniet van die blijdschap als ze het zeker weet. De tranen rollen over m’n wangen want ik weet wat het is. Ik denk terug aan het NK Masters heel lang geleden toen ik in de laatste poging die gedoodverfde kampioen versloeg. Jaja, natuurlijk op een heel ander bescheiden niveau. Maar toch, ik weet hoe het voelt.

Vannacht had ik een enge droom. Ik kijk zelden naar voetbal, maar ik droomde van PSV-Ajax. Het is loeispannend en het is 0-0. Ver in de tweede helft wordt Quincy Promes gewisseld voor Klaas-Jan Huntelaar. Langs de zijlijn wordt de boze Promes opgewacht door de altijd alerte Jeroen Stekelenburg: ‘Met welke haarkleur begin je de volgende wedstrijd?’. Promes kijkt hem vernietigend aan maar Stekelenburg geeft niet op: ‘Ben je het eens met Ten Hag dat je gewisseld wordt?’. Op de achtergrond hoor ik het Eindhovense publiek luid juichen, Donyell Malen heeft blijkbaar met een schitterende omhaal PSV op 1-0 gebracht. 

‘Hebben we iets gemist’, vraagt Stekelenburg zich af.

dinsdag 17 september 2019

Mijn pensioen


Pensioen werd voor het eerst uitgekeerd door de Britse marine, waar al in de zeventiende eeuw een systeem was om oude zeelui te onderhouden. Die spaarden een klein deel van hun wedde in een potje dat ze meekregen als ze afzwaaiden. Dat potje werd aangeduid met het van oorsprong Latijnse woord pension, oftewel een uitbetaling.
Ons huidige pensioenstelsel ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw. In die tijd was de industriële revolutie in Nederland in volle gang. De arbeiders spaarden niet, en als ze niet meer in staat waren om te werken hadden ze geen inkomen meer en vielen terug tot de bedelstaf. Om dit te voorkomen richtten een klein aantal ondernemingen de eerste pensioenfondsen op uit sociale overwegingen.
Ze hielden een gedeelte van het loon in, vulden dit aan met een werkgeversaandeel en het bedrag werd weggezet op een spaarrekening. En zo hadden de versleten arbeiders een pensioentje voor hun oude dag.

Ik neem jullie mee naar de 70-er jaren, ik werkte bij de Pope en deed mee aan het Philips-pensioenfonds. Mijn vader was daar heel trots op want meneer Philips zorgde goed voor zijn werkgevers. Elk jaar kregen de werknemers (ik dus ook) een pensioenbrief. Daarin stond wat ik intussen gespaard had, elk jaar bouwde het pensioen op met 1,75%. En ook stond in de brief welk gegarandeerd pensioen ik hiermee zou krijgen op de pensioengerechtigde leeftijd.

Het is 1995, Pope werd verkocht aan Belden. We mochten niet langer in het Philips pensioenfonds blijven en Belden richtte een eigen pensioenfonds op. Ik zat in het College van Beheer en maakte een en ander van nabij mee. De dekkingsgraad bij Philips lag destijds boven de 140%, de minimale dekkingsgraad was 105%. De onderhandelingen voor het over te dragen startkapitaal van Philips aan het Belden pensioenfonds verliepen desastreus voor de werknemers. We kregen slechts 105% mee, waarmee een kwart van het opgebouwde kapitaal ons door de neus werd geboord.

Enkele jaren later, Belden kon niet langer aanzien dat onze pensioenpot in hun ogen te veilig vastrentend werd belegd. En ze vonden het helemaal niks dat er ieder jaar een fiks bedrag aan werkgeversaandeel moest worden bijgestort. Dat moest veranderen! Ze schakelden een peperduur adviesbureau in om een meer renderend beleggingsprofiel uit de hoge hoed te toveren. En ook hier gold de gulden regel: ‘Wiens brood met eet, wiens taal men spreekt’. Het voorspelbare advies was: véél meer (risicovol) beleggen in aandelen en het vaststellen van een maximale dekkingsgraad. En je raadt het al, boven die maximale dekkingsgraad (die we natuurlijk al bereikt hadden) behoefde Belden géén werkgeversaandeel bij te storten. Als enige in het College van Beheer voerde ik oppositie en werd door de destijdse directeur onder druk gezet om mijn mond te houden. Ik wilde hiervoor verder geen verantwoordelijkheid dragen en trok me terug. De sociale werkgevers uit de tweede helft van de negentiende eeuw hadden plaats moeten maken voor asociale grootverdieners.

Intussen woedde de discussie om het pensioen niet meer te baseren op je eindloon maar op je middelloon. Veel mensen vonden dit terecht. Maar dat kwam omdat die hoogste ambtenaren en directeuren vlak vóór hun pensioen zichzelf zegenden met een vette salarisverhoging. Maar de gewone man werd door deze ongebreidelde graaicultuur ook meegesleurd in de devaluatie van het pensioen.

De reden is me ontschoten, maar het Belden pensioenfonds werd overgedragen aan PME. Zo’n 10 jaar geleden was het niet meer tegen te houden, ons pensioen werd zomaar met 5% gekort. De aandelenmarkt was in elkaar gestort, de economische crisis was compleet. Wij gepensioneerden waren zelfs nog blij dat het hierbij bleef. Maar ik dacht: wat zou er gebeurd zijn als werkgevers gewoon bijgestort hadden en die patserige pensioenfondsen wat veiliger hadden belegd? En eenmaal gekort blijft gekort!! Elke belke köpke aaf.

Op dit moment staan de gepensioneerden voor de volgende knip- en scheerbeurt. De rente zakt dramatisch naar het nulpunt. Volgens de EU moet er meer balans komen tussen de schuldenlast van Zuid-Europa en het grote spaarkapitaal van Noord-Europa. Als pensioenfondsen nu ook nog die staatsschulden van Zuid-Europa gaan kopen?

Ik moest terugdenken aan die jongeman in die late-night-show op de televisie die de Nederlandse gepensioneerden venijnig aanviel. ‘Die rijke pensioentrekkers moesten zich allemaal kapot schamen. Die klagende zatvreters moesten nog meer gekort worden. Straks was er niets meer over voor de jongeren. Wat dachten ze wel niet, het was niet hun geld maar ons geld!?’.

Ik heb die nacht slecht geslapen. Sinds mijn pensionering in 2005 is mijn pensioen nog nooit geïndexeerd. Sterker nog, het is met 5% gekelderd. Als we dat even duidelijk voor de werkenden onder ons vertalen naar salaristermen: ‘Door met pensioen te gaan leverde ik 30% van mijn salaris in. De afgelopen 14 jaar heb ik geen salarisverhoging gehad. Nee, ik moest 5% inleveren. En volgens CBS is de prijsindex die 14 jaar met 22,9% gestegen’. Maar niemand diende die jongeman van repliek, dat paste niet in het opruiende format van het programma. Graag had ik hem rustig willen uitleggen dat het toch echt ons geld is. Pensioen is simpelweg uitgesteld loon, ieder gewerkt jaar hebben we 1,75% opgebouwd.

Maar zie het bovenstaande asjeblieft niet als een klaagzang. Het is ook geen fictie of zomaar uit m’n duim gezogen. Ik wil ook niet klagen, want we hebben het echt niet slecht. Ik gun die jongeman ook oprecht een redelijk pensioen, maar hij moet daar wel ieder jaar zelf 1,75% voor opbouwen. Net als iedereen in een pensioenfonds.

Wel maak ik me boos op die moderne werkgevers die je nooit meer hoort over dat toen-het-goed-ging niet bijgestorte werkgeversaandeel. Wel erger ik me aan die megalomane onderkomens van die pensioenfondsen die iets zuiniger en veiliger met ons geld hadden kunnen omgaan. Onbegrijpelijk vind ik het beleid van de politici die 4 miljoen pensioengerechtigden letterlijk als oud vuil wegzetten. Misselijk makend vind ik het schuiven van groot geld binnen de EU om die zogenaamde balans te zoeken.

Want voor alle duidelijkheid, wij gepensioneerden hebben helemaal niets meer in te brengen, geen tijd meer om te repareren maar het is toch echt ONS GELD.

maandag 1 juli 2019

Een werpvijfkamp die loopt

We mochten 30 juni meedoen met de Belgische kampioenschappen Werpvijfkamp voor Masters in Sint-Niklaas (B). Het zou die dag heet en erg druk worden, dus besloten we een nachtje in het Serwir-hotel te boeken. Gezellige stad dat Sint Niklaas, zo’n 25 kilometer voorbij Antwerpen.
Er hadden maar liefst 116 man ingeschreven, en we dachten ‘als dat maar goed gaat’. Want aan het NK in Nederland was door de Atletiekunie een uiterste limiet gesteld van 60 man, diverse atleten werden dan ook zwaar teleurgesteld. Hier had dus bijna het dubbele ingeschreven, ‘iedereen wordt geaccepteerd, en och, als het er wat veel zijn lossen we dat wel op’. En bij het Nederlandse NK waren we de hele dag (9 uur!!) in de weer geweest om onze vijf werpdisciplines (kogelslingeren, kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen, gewichtwerpen) af te werken. Onze eerste man zou in Sint Niklaas om half drie starten en ruimschoots van tevoren waren we op het sportpark van AC Waasland. Het was al gezellig druk op en om de atletiekbaan, heel ontspannen liep Rudy Verlaeckt op het middenterrein. ‘Dat is de wedstrijdleider, die zorgt dat alles volgens schema verloopt’, verzuchtte een van ons. ‘Die ziet alles en is gegarandeerd het meest relaxed van allemaal’, mompelde m’n sportmaat. Lachend komt hij naar ons toe om de Ollanders te verwelkomen. Er waren 111 atleten komen opdagen waaronder 25 gasten uit het buitenland, 5 Fransen en 20 Nederlanders.
En inderdaad bleek op het einde van de dag, alle zeven groepen hadden binnen 4,5 uur probleemloos van hun werpvijfkamp kunnen genieten. Maar dat is de helft van de tijd die we nodig hadden bij ons eigen NK, dat geloof je toch niet!? Ja hoor, die Belgen laten een werpvijfkamp soepeltjes ‘lopen’, en ik heb niemand horen klagen over ook maar één probleem met jureren. En dat alles bij een temperatuur boven de dertig graden. Ik moest onder de wedstrijd even terugdenken dat in Nederland vandaag wedstrijden om die reden waren afgelast. Alle oudjes zouden zich met die hitte rustig moeten houden en vooral veel drinken. 
Hoe doen ze dat? Wat doen ze anders? Waar zitten de verschillen met het Nederlandse NK? Allereerst moesten we onze beste prestaties opgeven per onderdeel. Daarmee worden startlijsten samengesteld per onderdeel, keurig oplopend van laag naar hoog. Gemakkelijk voor de jury in het veld, elke volgende werper zal naar verwachting meer werpen dan zijn voorganger. Dat voorkomt onnodig op-en-neer rennen over het veld. En elke werpsector ligt er overduidelijk bij, strakke sectorlijnen keurig voorzien van sectorbogen laten niets aan het toeval over. 
Makkelijk voor de jury, maar ook voor de deelnemers om hun geworpen afstand beter in te kunnen schatten. En dan als klap op de vuurpijl! Bij de lange werpnummers worden bordjes gebruikt. Van de Atletiekunie ‘mag-dat-niet!’. Iedereen krijgt tijd genoeg om in te werpen, en na de drie pogingen wordt gemeten. Niks elektronisch, gewoon met een stalen meetband! Ik spreek een van de juryleden daarover aan: ‘Waarom meten jullie niet iedere poging, waarom gebruiken jullie eigenlijk nog die ouderwetse bordjes?’. De man kijkt me verbaasd aan: ‘Ouderwets? Uh wel zunne, dah scheelt haos de helf van d’n tajd’. Duidelijke taal, en als we na het inwerpen aan het volgende onderdeel beginnen, hangt de uitslag van het vorige onderdeel al op het scorebord. 
Zoals gezegd, de werpvijfkamp loopt! We beginnen ruim binnen de tijd aan ons laatste onderdeel, het gewichtwerpen. De wedstrijdleider heeft besloten als afsluiting zelf het meetlint te hanteren. Hij lacht en kijkt me aan: ‘Amay, we zijn keurig binnen d’n tijd. Enne, ze hebben hier al over de 15 meter gegooid!’, moedigt hij me aan. Deze man kan ik echt niet meer teleurstellen en flikker het werpgewicht met-alles-wat-nog-over-is over de achterste lijn. ‘Vijftien meter vijftig’, roept hij heel tevreden. En ik loop trots naar mijn sportvrienden Frans, Tina, Jan, Mai en mijn Marijke.
Even later zitten we een gezellig weekend te analyseren bij lekkere Belgische frietten met een curryworst. Een donkerbruine Leffe staat me op een poot uit te dagen. Een geweldige werpvijfkamp kunnen we weer aan onze palmares bijschrijven, met grote dank aan Rudy Verlaeckt, AC Waasland, die perfecte jury en geweldige vrijwilligers.

donderdag 18 oktober 2018

Henkie Dynamite stopt ermee

Op 27 oktober gooit Henk van Bakel (1953) voor de laatste keer in Zutphen het werpgewicht vanuit de wedstrijdring van zich af. Dat is het dan, de definitieve afsluiting van meer dan 50 jaar kleurrijke wedstrijdatletiek. Want Henk van Bakel bracht kleur op de atletiekvelden. Soms was hij er even niet, dan hadden andere dingen prioriteit. Maar dan stond hij er weer, bovenin de uitslagenlijsten. Geen trainingsbeest, maar barstens veel talent gekoppeld aan die ijzeren wedstrijdmentaliteit.

Dat bleek al toen hij zich als klein menke met krullenbol meldde bij Festina op sportpark Saorbrook. Dat was begin 60er jaren, en al snel viel de souplesse, snelheid en bovenal zijn sprongkracht op. Niet voor niets zal hij voor altijd de eerste Noord-Limburger blijven die over twee meter sprong, over vier meter met de polsstok wipte, over de zeven meter ver sprong en de dertien-meter barrière doorbrak met hink-stap-springen. De krant schreef in chocoladeletters ‘Henk van Bakel, dynamiet in de benen’. En initieerde hiermee ongewild zijn bijnaam Henkie Dynamite.


Henk van Bakel was één van de grote puntenverzamelaars op de springonderdelen en de estafette in de sterkste Festina-ploeg ooit. Begin van de 80er jaren richtte hij samen met zijn grootste sportmaten de recreatieve atletiekvereniging Orion op. Dit was het beste wat hem kon overkomen, lekker fanatiek atletiek bedrijven, waar zeker altijd genoeg plaats was voor de gezelligheid. In Homberg (D) wilden die van Orion graag in één serie lopen op de 100 meter. Grapjes maken bij de start. Het leidde tot een legendarische foto met Orion-ners die lachend zij-aan-zij over de streep komen. Hier lag ook zijn eerste overstap naar de werpnummers. Orion excelleerde in Homberg ongetraind in Schleuderbal-werpen tot grote verbazing van die ervaren Duitsers. Enkele Orion-atleten, waaronder Henk van Bakel, werden uitgenodigd voor master-interlands. Zoals die wedstrijd in Hilden (D), er werd prima gepresteerd op hun eigen onderdelen. Daarna doken ze in de kantine, en werd maar meteen een hele krat Altbier besteld. Toen ploegleider Gijs Knoppert met zijn lijstje estafettekandidaten kwam, liep hij hoofdschuddend weg van de Orion-tafel. In die periode gebeurde het ook dat een (nu nog) internationaal jurylid door Henk van Bakel terecht werd gewezen op de regels bij het overlopen van de estafette. Dat was gevoelig voor het betreffende jurylid maar rechtvaardig voor de atletiek, en dat geeft meteen ook die andere kant van Henk’s activiteiten aan. Als organisator, speaker en wedstrijdleider was hij zeer actief tot de laatste jaren bij Swift Atletiek. Met een belangrijk verdwenen uitgangspunt: ‘Bij twijfel altijd in het voordeel van de atleet’.
Henk kreeg last van zijn rug en wilde stoppen met atletiek. Maar een sportmaat haalde hem over om te gaan kogelslingeren.  En verdomd, de rugpijn verdween en Henk vond een nieuwe liefde: de werpvijfkamp. Henk grossierde hierbij in nationale titels en zette zich in voor de werpnummers. Samen met zijn sportmaten opende hij de website Lampis, een internationaal platform voor werpers. Graag wilde hij ook die werpnummers (kogelslingeren , kogelstoten, discuswerpen, speerwerpen, gewichtwerpen) stimuleren in Noord-Limburg, hetgeen (nog) niet gelukt is.
Een paar maanden geleden meldde hij zich weer bij Scopias, helaas voor korte tijd. Zijn vele atletiekmaten zullen hem zeker gaan missen. Een sympathieke man, altijd een beetje ondeugend, een gedreven atleet die de handen uit zijn mouwen stak. Geen lange vergaderingen, nee, gewoon afspraken maken op het atletiekveld en aan de slag. Henkie Dynamite stopt ermee, maar we zullen hem zeker ergens anders gedreven ‘aan de slag’ kunnen zien.

dinsdag 10 juli 2018

Slopende estafette


Ik las in de Limburger een hele lange kop: Krijgen VOS en Venlosche Boys aan de Merelweg gezelschap van Scopias en Mustangs? De atletiekvereniging en de honk- en softbalclub onderzoeken het voorstel van de gemeente Venlo. En meteen dacht ik: ‘het zal toch niet’.

Ik neem jullie eerst even mee zo’n dikke 60 jaar terug in de tijd. Naar Blerick op sportpark Saorbrook. Frits Vaessen legde ‘n paar keer per week met tomatentouw een rondbaantje van 400 meter en de training kon beginnen. Levensgevaarlijk over die ongelijke grasmat en als het geregend had zakte je tot aan de enkels in het voormalige moeras. Frits Vaessen en Frans Weyers bouwden aan een grote jeugdgroep, Festina was succesvol op alle atletiekonderdelen in district Zuid-Nederland. Overste Frans van de Ven lobbyde onophoudelijk voor een heuse sintelbaan bij de Gemeente Venlo. Die zou heel ideaal langs de Drie-Decembersingel in Blerick komen te liggen. In het verlengde van het zwembad, een wereldlocatie! Maar de Raad besliste anders, het nieuwe prestige-object moest in Venlo komen te liggen. Zo ver mogelijk van het oude Festina-veld, bovenop de Herungerberg, pal tegen de Duitse grens. Er werd met die-van-Blièrick helaas geen rekening gehouden. Op zondag 4 september 1966 was het zover, burgemeester de Gou opende de atletiekaccommodatie. Ik won er mijn eerste wedstrijd en Henk van Bakel verbeterde het eerste clubrecord op de nieuwe baan baove op d’n berg. Het bleek een ramp voor de Blerickse atletiekvereniging. Hele straten in de Hazenkamp waren immers lid van Festina en helaas was die nieuwe sintelbaan voor bijna iedereen één brug te ver.

Mede door het organiseren van school-atletiekwedstrijden en trimmen op de zaterdagmorgen werd er gebouwd aan het nieuwe Festina in Venlo. Geleidelijk aan groeit en bloeit de atletiek weer op, Festina doet het goed in de landelijke competitie. Helaas neemt een té enthousiast jong bestuur begin jaren 80 een dramatisch besluit: men kiest ervoor een prestatiegerichte club te zijn. Dat leidt in 1983 tot een scheuring met de recreatieve atleten. Naast de rood-witte kleuren van Festina verschijnt een nieuwe club op d’n berg. De keurig in blauw geklede recreatieve atletiekvereniging Orion. Dit had natuurlijk nooit mogen gebeuren en Festina verandert haar naam dan ook heel snel (helaas te laat) naar atletiek- en trimvereniging.

Nog geen 10 jaar later moet het bloeiende AV-Tegelen van haar sportpark op de Snelle Sprong afstand nemen, in verband met de aanleg van de A73. De Gemeente Venlo dringt aan op een fusie tussen AV Tegelen en Festina, en dat valt niet mee. Met terugwerkende kracht complimenten aan de onderhandelaars. De ligging van d’n Herungerberg is voor de Tegelse atleten (heel begrijpelijk) veel te ver. De nieuwe fusie-vereniging krijgt een nieuwe prachtige accommodatie op sportpark Vrijenbroek, pal achter het Venloos kerkhof. Helaas leidt dit in Tegelen wel tot een volgende scheuring, de Trim- en Loopvereniging Tegelen is een feit.

Zowel Scopias als Orion blijken een aanzuigende werking te hebben op vooral lange-afstands-lopers. De Venloop wordt een landelijk fenomeen. Die mooie sprint-, spring- en werponderdelen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Er worden geen echte baanwedstrijden meer georganiseerd. Door de groei moet Orion het veld ruimen op Vrijenbroek. Een nieuwe ‘eigen’ atletiekbaan op sportpark Maassenhof in Boekend wordt 2 september 2014 in gebruik genomen. Atletiek keert hiermee na ’n halve eeuw weer terug in Blerick, al zijn het alleen maar de looponderdelen van de lange adem. De nieuwe vierhonderdmeterbaan is aangelegd rondom het veld van rugbyclub The Wallaby’s. De aanleg van de baan kostte zo'n 90.000 euro en is gefinancierd door sponsors, vrijwillige bijdrages, een lening en subsidie van de gemeente. De baan is geen eigendom van Orion maar van Stichting Sportkern Maassenhof. 

En dan lees ik nu in de krant dat Scopias zeer waarschijnlijk op zijn beurt het veld moet ruimen voor het fusie-geweld van de hockeyers. Misschien is dit voor de atletieksport in Groot Venlo het perfecte moment om na te denken over hun toekomst. Misschien moeten (in alfabetische volgorde) Orion, Scopias en TLV eens met de gemeente om de tafel gaan zitten en een beleidsplan opstellen. Over de toekomst van de moeder aller sporten in onze regio. Een fusie is niet nodig, onze atletiek is immers een individuele sport. Maar wel vergaande samenwerking met bijvoorbeeld steunpunten voor lange-afstands-lopers in Venlo, Tegelen en Blerick móet toch kunnen. En dan één gezamenlijk trainingscentrum voor alle overige onderdelen in de atletiek. Voor mij hoeft ’t niet, maar dat zou goed zijn voor dé atletiek. Ik wil stug blijven doorgaan met technische werptraining aan wie het maar wil. Want in mijn nadagen als actief atleet bereid ik mezelf (al meer dan 20 jaar) in de illegaliteit voor op wedstrijden / kampioenschappen op een braakliggend terrein bij Scheuten Glas.

Kom op Gemeente, TLV, Orion en Scopias. Stop die slopende estafette en gun de moeder aller sporten een consistente ontwikkeling op een vaste centrale plek in Groot Venlo . . .