zaterdag 21 december 2013

Hoe maak je van kerstmis een zalig kerstfeest?

imageIedereen viert Kerst op z’n eigen manier. Bij ons begint dat één dag na Sinterklaas als de bananendozen met kerstspullen naar beneden komen en de gehele inhoud wordt uitgestald. De kamer groeit geleidelijk dicht met groen, engeltjes, ballen, kaarsjes, slingers, frutseltjes en zoveel mogelijk lampjes. En die moeten dan vanaf nu elke dag branden, en dat betekent telkens weer de stekkers in het stopcontact, stekkers uit het stopcontact, eigenlijk een klotewerkje. Dus hebben we dit jaar op de stopcontacten afstandsbediening gemaakt, en dat is verrekte handig! Je hoeft er geen moeite voor te doen, dat is niet de bedoeling van kerstmis, of juist wel? Ook de fiets van m’n vader is weer volgehangen met ledlampjes, hij is er al 33 niet meer bij, maar zijn fiets staat er nog, alsof pap gewoon op bezoek is. Elke avond staat hij nu weer te stralen en wordt met ‘welterusten’ op afstand weer in het donker gezet.

Van de week werden opvallend veel eieren, pakken bloem en margarine ‘die-we-nooit-gebruiken’ ingeslagen. En ja hoor, Marijke staat nu in de keuken wafels te bakken. Die heerlijke baklucht met een vleugje olie bezwangert de hele benedenverdieping. Ze staat al de hele dag in de keuken, ze bakt wafels, roert in de erwtensoep en tussendoor worden een paar toeren sokken gebreid. Ik zit aanhoudend te slikken achter de computer, het water loopt me in de mond. Hèhè gelukkig ‘wil je even proeven Jan?’ De stapel goudgele wafels groeit gestaag en verdwijnt op het einde van de dag keurig verpakt in de enorme tupperware doos. Kerstfeest kan losbarsten . . .

imageAls ik terugdenk aan vroeger, zo’n 60 jaar geleden ging dat toch ietsjes anders. Het startpunt was een grote zinken emmer die met zand uit de tuin werd gevuld. Een prachtige dennenboom, die al een paar dagen buiten lag, werd daarin geplant. We hadden nog geen Europese Unie, dus het was beslist geen groene fijnspar, blauwspar en al helemaal geen Nordmann. Nee, zo’n gewone echte dennenboom uit het naburige bos, en ruiken dat die deed . . heerlijk. Voorzichtig werden daar echte glazen ballen ingehangen, een engeltje, een glazen vogeltje met friemelstaartje, een zilverpapieren slinger en daar overheen uiteen gerafeld engelenhaar gedrapeerd. En dat was venijnig spul, nog na Kerstmis voelde je die hele fijne rotsplintertjes in je vingers. Als ‘verlichting’ kwamen echte kaarsjes in de boom, nog zorgvuldiger dan die glazen ballen met metalen klemmetjes ‘kaarsrecht’ op de takken aangebracht. Mijn vader deed de eindcontrole, want boven elk kaarsje moest het 100% brandvrij blijven. Om de zinken emmer kwam vervolgens groen crêpe-papier en helemaal bovenin de boom kwam de glazen piek. Mam deed nog een kerstkleedje op het kleine tafeltje en met uiterste precisie tilde pap het complete kerst-gevaarte op het tafeltje en schoof hem voorzichtig in de hoek naast ‘zijn’ fauteuil. Er werd nog een beetje ruimte vrijgelaten voor een emmer met water en een emmer met zand. En waar was ik? Al die tijd had ik het hele schouwspel met open mond gadegeslagen, als aan de grond genageld stil staan kijken. Je durfde die hele tijd niets te zeggen, de uiterst geconcentreerde gezichten van mijn ouders stonden ook niet toe om zelfs maar een kuchje te wagen. Eindelijk, ze maken twee passen achteruit en bekijken glimmend van trots hun eigen schitterende kerstcreatie. ‘Wat een mooie boom, die heeft niemand . . ‘ durfde ik eindelijk uit te brengen. Mijn vader en moeder kijken elkaar vluchtig aan, een mooi onvergetelijk moment.

imageOp kerstavond gaan we met z’n allen minus één naar de nachtmis. Mijn vader gaat niet naar de kerk, die ging nooit mee naar de kerk. Wij vonden dat niet erg, hij had dat ook niet nodig, want met uitzondering van het tweede gebod (Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken) was mijn vader een rolmodel voor de tien geboden. De kerk was bomvol, er waren zelfs bidstoeltjes bijgezet, en toch moesten er mensen blijven staan. Het was een schitterend schouwspel, één brok zwaar serieus theater, die Mis met drie heren, enkele oudere acolieten en een zootje misdienaars. Maar het duurde toch wel erg lang, en telkens als het koor begon met zingen gingen die drie heren er ook nog eens bij zitten. Van mij hadden ze wel mogen doorgaan. Er werd kwistig met de wierookvaten geslingerd en die weeïge harslucht vermengd met kaarsenlucht prikkelde mijn maag. Ik rammelde van de honger. De drie heren schreden tergend langzaam alsof ze alle tijd van de wereld hadden, van mij mochten ze wel wat doorlopen. Onder het communie uitdelen werden kerstliederen gezongen en de eersten verlieten de kerk. Het kon niet lang meer duren. Na de laatste zegen van pastoor wenste hij iedereen een zalig kerstfeest en de kerk liep schuifelend leeg. De ouderen wensten elkaar onderweg met een handdruk zalig kerstfeest en ik rende als een bezetene naar huis. ‘Nu maar rustig aan . . ‘ zei m’n vader. Nou ja, blijf daar maar eens rustig onder, de kerstboom brandde oogverblindend, de haard gloeide hartverwarmend en het hele huis rook naar ‘kerboët’ (balkenbrei) en gebakken bloedworst. ‘Zalig kerstfeest pap’ zei ik terwijl mijn smaakpapillen mijn mond overspoelden met naar dat heerlijke eten smachtend speeksel. De anderen kwamen gelukkig ook snel binnen en even later zat ik lekker te bunkeren. Na de zoveelste snee suikerbrood hoorde ik m’n moeder nog zeggen ‘Maar Jan toch, denk aan je maag, morgen is het ook nog Kerstmis’.

imageTer afsluiting nog een keertje ‘Stille nacht – Heilige nacht’ zingen voor de kerstboom en dan naar bed. Mijn vader zat in zijn fauteuil naast de brandende kerstboom, de handen in starthouding op de leuning, de twee emmers met zand en water op grijpafstand. ‘Zing de andere kant op’ werd me toegeworpen toen de kaarsvlammetjes wat gingen flakkeren na een fanatieke uithaal van het tweede ‘sluimert in heeemelse rust’. Even later lag ik in bed, mijn maag voelde hard maar voldaan aan, mijn hartje liep over van geluk, ik kon niet slapen. Ik dacht aan pap en mam en dat zalige kersfeest.

Nu zestig jaar later heeft kerstmis toch wel een heel andere lading gekregen. Niet alleen wat versieren en eten betreft. We staan samen met de overal aanwezige media extra stil bij die ellendige oorlog, die vreselijke ziektes en die onacceptabele ongelijkheid in de wereld. We leven mee met mensen in onze directe omgeving die het op dit moment niet gemakkelijk hebben. We denken en praten hoe het beter en vrediger zou moeten en kunnen. Maar laat het dit jaar alsjeblieft niet bij dat stilstaan, meeleven, denken en praten blijven.

Geef iemand een zalig kerstfeest, voor wie het anders alleen maar kerstmis zou zijn.

dinsdag 10 december 2013

Second opinion

imageHet is alweer een week geleden dat ik een tweede orthopeed naar m’n knie heb laten kijken, en eerlijk gezegd ben ik die klap nog steeds niet te boven. Niet geheel toevallig heb ik de voorbije dagen aan mijn dierbare pap moeten terug denken. Het was ergens begin jaren 70 van de vorige eeuw, hij had een gebitje laten aanmeten. Maar dat kloteding wilde maar niet passen. Ja, het ging ‘klik’ heel makkelijk in, om vervolgens verschrikkelijk moeilijk na veel gevloek en getier er weer uit te kunnen! En het paste van geen meter, zelfs niet na het eigenhandig bijwerken met vaders zakmes en fijn polijstpapier. Tijdens een dramatische middagpauze moesten m’n moeder en ik vluchten naar de tuin, schaterend van het lachen. Even later bleken de kunstbijtertjes platgetrapt op de keukenvloer hun Waterloo te hebben gevonden, begeleid door een in memoriam van mijn getergde vader: ‘Ze vliegen naar de maan, ze komen potverdomme ook nog terug, maar een gebitje maken kunnen ze nog niet . . . ‘.

Heel hoopvol togen we vorige week voor een ‘zweite Meinung’ naar het beloofde Duitsland. Ik heb vaak gepleit om van Nederland maar het 17de Bundesland te maken, als ze me nu toch ook nog een slingerknie kunnen leveren? Dan richt ik persoonlijk een nieuwe politieke partij op om dat te bewerkstelligen. De ‘Privatklinik’ uit de fullcolor folder blijkt in het echt een grauw gebouw te zijn midden in de ook al even grauwe binnenstad naast een grauwe parkeerflat. Maar binnen gekomen blijkt al snel dat er effectief en efficiënt gewerkt wordt. Dat doet een ex-bedrijfskundige deugd. Niks wachten, na het ondertekenen van een intake-formulier lopen we zo de onderzoekkamer binnen. Een vrouwelijke orthopeed vraagt doelgericht wat ik mankeer en wat ik graag wil, zo moet dat! Eerst maar eens foto’s maken, ook dat is geen probleem, gewoon direct doorlopen. Werkelijk, besparingen in de zorg zijn hier zomaar op te rapen!

imageDe röntgenfoto’s waren sneller terug als ik en twee orthopeden stonden in druk overleg naar de ’dertig-tinten-grijs’ te kijken. ‘Das sieht schlimm aus . . .’, mompelt de een. ‘Ja ja, schau mal hier . . ‘ wijst de ander naar een storende witte vlek. Ik wurm me tussen de twee witjassen en laat me de ruïne in röntgen uit de vorige eeuw zorgvuldig duiden. Aan de binnenkant zit geen kraakbeen meer en de buitenmeniscus toont verkalking. ‘Das wird eine Prothese . . .’. Maar al snel blijkt dat wandelen, fietsen en zelfs zwemmen tot de toekomstige activiteiten ‘kunnen’ gaan behoren. Maar kogelslingeren en zeker ‘die Rasenkraftdisziplinen’ worden definitief veroordeeld tot kijksporten! ‘Ja, maar ik hoef geen 80 meter te gooien, 40 meter is ook genoeg!?’, probeer ik nog maar eens in te brengen. De orthopeed kijkt me diep in de ogen en zegt ‘Ik zie de passie in uw ogen, maar geloof me: springen, sprinten én werpen is sterk af te raden’. Mijn jas voelt loodzwaar als ik die om de schouders doe en bij het naar buiten lopen hoor ik de vrouwelijke orthopeed nog zeggen ‘U krijgt nog een verslag van dit consult toegestuurd’. Het blijkt buiten nog grauwer dan voorheen, het is kil en het miezert potdomme ook nog. Marijke vraagt ‘zal ik maar naar huis rijden?’. ‘Nee, dank je, heel lief, maar dat hoeft niet . . . ‘.

De terugreis imageverloopt stilzwijgend en duurt tergend lang. De plannen voor dat 17de Bundesland kunnen ook voorlopig in de ijskast. Thuisgekomen verspreidt het slechte nieuws zich snel.

          • ‘Hoe is het gegaan? Wanneer kun je geholpen worden? Ben je mooi al in het voorjaar van de pijn af!’.
          • ‘Maar goed dat je zoveel hobby’s hebt! Je hebt toch maar lekker lang van je atletiek kunnen genieten!’
          • ‘Kun je wel weer met Oma gaan wandelen Opa! Je hebt ook al lang niet meer geschilderd!’.

Allemaal heel lief bedoeld, alleen komt dat op dit moment keihard binnen. Ze getuigen bovendien van weinig empathie, maar ja, dat durf ik nu niet te zeggen? De afgelopen week heb ik niet eens teruggekeken op 56 jaar actieve atletiek. Slechts één vraag bleef mijn hersens pijnigen. ‘Welke toegevoegde waarde heeft die verdomde onomkeerbare knieprothese voor mij?’. Hoe pakte ik dat ook al weer aan in mijn arbeidzame carrière? Elk probleem was toch een uitdaging, toch? Nou, je maakt gewoon een sterkte-zwakte-analyse en inventariseert zorgvuldig de kansen en bedreigingen. Goed zo Jan, we’re back in business! Dat klinkt heel anders als ‘wieder im Geschäft’.image

Schoorvoetend gaan die orthopeden terrein verliezen, de pijn in m’n knie en de beperkte mogelijkheden sputteren nog wel behoorlijk tegen. Maar voorlopig gaan we ons richten op pijnbestrijding, minder en korter trainen en minder wedstrijden. Na een week niks doen en voor me uit koekeloeren heb ik me gisteren gepijnigd in m’n eigen krachthonkje . . . heerlijk! Morgen bij de apotheek een paar goeie kniebandages halen. Hèhè, atletiek een hobby? Niks daarvan, atleet ben je voor het leven, niet zomaar even voor een paar seizoenen en als het tegenvalt dan maar weer figuurzagen.

En pap, je had groot gelijk. Ik heb toen hartelijk moeten lachen om je gedoe met dat gebitje, sorry, had ik niet moeten doen. Ik herinner me nu ook weer die goeie raad: ‘Luister goed, jongen, al heb je nog maar één goeie tand, ben er zuinig op!’.

De tijden zijn niet veel veranderd pap, ze kunnen nu zelfs naar Mars vliegen, maar een goeie prothese maken, dat kunnen ze nog steeds niet . . .

dinsdag 3 december 2013

Doelstellingen kunnen verschillen

imageHet landweggetje binnendoor van Baarlo en Maasbree lag er geweldig mooi bij. Slingerend tussen bosjes en langs licht glooiende akkers, de dampende schoorstenen doen de verstrooide boerderijen denken aan stoomboten uit Spanje. Met handschoenen aan en muts over de oren getrokken is de kou goed te hebben en rest mij het genieten van die uitrustende akkers. Bevroren rijp maakt de overgebleven bladeren aan de bomen extra zwaar, waardoor ze nog wat sneller gaan vallen. De weg omzoomd met wit verijsde gras en de daarbij passende laaghangende mist legt een mystieke deken over de akkers die toe zijn aan hun winterslaap na de laatste oogst. Het is goed oppassen voor de bevroren plasjes op de weg. Fietsen lukt nog goed, wandelen is voor mij een crime, er moet hoognodig wat gebeuren met mijn knie.

Gedachten dwalen af naar gisteren, mijn eerste bezoek aan de orthopeed na alweer zeven jaar. Die laatste woorden van toen klinken nog steeds door ‘uw knie is zo slecht, daar helpt alleen nog stijf zetten of een prothese’. Om daar vervolgens smalend aan toe te voegen ‘en sporten, zeker kogelslingeren, kunt u dan vergeten. Ja, dammen of schaken . . . ‘. Nondedju, stelletje klojo’s! Intussen heb ik toch stiekem genoten van alweer zeven jaar geweldige atletiek. Ja, weliswaar met een brace en elke dag glucosamine slikken! Speciale oefeningen van de therapeut en zelf goed doordachte aanpassingen aan die ingewikkelde werptechnieken. En natuurlijk te vaak de pijn moeten verbijten! Op mijn eigen ingetogen manier ook genoten van de vele goedbedoelde en vasthoudende tips van trainer en collega’s ‘langer op links blijven, dieper gaan zitten, je draait op je voorvoet potdomme, waarom maak je geen extra draai, je kunt zomaar vijf meter verder gooien’. Ik heb het allemaal vriendelijk aangehoord, instemmend toegeknikt en ze keurig in hun waarde gelaten, maar ik wist wel beter. ‘Überhaupt’ en ‘undoubtedly’ weet ik het veel beter, na 56 jaar actieve atletiek en die ontembare passie voor werpnummers overstijgt mijn kennis verre die van mijn raadgevers. Maar het hoorde allemaal bij die zeven jaar genieten, succesvolle kampioenschappen zijn daarbij van ondergeschikt belang, ik was er nog bij en genoot!!

Zo stapte ik gisteren het ziekenhuis binnen. Een gedetailleerde analyse gepropt in een A5-envelopje met alle alternatieve knieprotheses, ervaringen van voorgang(st)ers en natuurlijk die röntgenfoto van zeven jaar geleden. We waren de eersten, de secretaresse wacht tergend lang tot 8:15 uur, en ratelend wordt exact op aanvang werktijd het luikje omhoog getrokken. ‘Zegt u het maar’ klinkt het een beetje verbeten, maar ja het is maandagmorgen. Misschien een slecht weekend gehad of niemand die het luikje voor haar wilde opendoen. ‘Een hele goede morgen, dank u wel mevrouw, ik heb hier een gezegende afspraak om half neimagegen’, en schuif met de pink omhoog mijn ziekenhuispasje over de balie. ‘Ga daar maar zitten’ sist ze me toe, mijn eerste educatieve bijdrage van de week slaat blijkbaar niet aan. En even later doe ik een aller vriendelijkste orthopeed heel trots mijn verhaal van de afgelopen zeven succesjaren, en verzuim daarbij niet het alles vernietigende start-advies van zijn collega, de zeven jaar oude foto opzichtig uit de enveloppe schuivend. ‘Doe de broek maar eens uit’ zegt hij en wijst naar de onderzoektafel. Mijn knie wordt onzedig betast en bij de eerste forse torsie kom ik 20 centimeter los van de tafel. In mijn vlucht zie ik dat Marijke ook 20 centimeter loskomt van haar stoel, dat noem ik nog eens meeleven! Er moeten geheel overbodig röntgenfoto’s worden gemaakt en ik zeg tegen Marijke ‘ik mag verrekken als hij zo meteen concludeert dat de knie slechter is geworden!’ Na twee keer ’n half uur wachten en één minuut daartussen voor het maken van de foto’s zitten we voor de tweede keer tegenover de vriendelijke orthopeed. En ja hoor, mijn knie was ‘zelfs zichtbaar’ slechter geworden. Hèhè, tijd dat we de regie overnemen. Na enkele gerichte vragen ligt even later een ‘wel erg zware’ knieprothese op tafel en krijgen we kundige uitleg van ‘wat er moet gebeuren’. Wachttijd 1 à 2 maanden en na drie maimageanden moet je normaal weer zonder krukken kunnen lopen. En ja, kogelslingeren? Als dat weer gaat lukken dan kom ik in een medisch vaktijdschrift, verzekert me de orthopeed. Ja ja, doelstellingen kunnen verschillen, ik ga voor het Statistisch Jaarboek Atletiekunie met zes vermeldingen op de diverse werponderdelen.

De tijd vliegt voorbij als je zo mijmerend door een winters landschap fietst. Mijn oud-collega verwacht mij nooit, maar is altijd blij verrast als ik me luidruchtig in de huiskamer van het verpleeghuis meld. ‘Aaahh Janneman . . . ’ roept hij terug. En de rest van de morgen zitten we met de knieën tegen elkaar ouwe koeien uit de sloot te halen. Tranen rollen over de wangen van het lachen en hij slaat in verrukking met zijn rechtervuist op mijn pijnlijke linkerknie.

Maar die kan daar wonderwel tegen, die heeft heel wat pijn verdragen om al die slingerkogels gelukkig te laten vliegen . .

Morgen volgt een second opinion . .

donderdag 28 november 2013

Passie voor kogelslingeren genetisch bepaald?

Sommige dingen zijn gewoon genetisch bepaald, maar tot hoever gaat dat eigenlijk terug? Bij mijn passie voor kogelslingeren vraag ik me dat ook wel eens af. De oorsprong van dit mooiste atletiek-onderdeel ligt overduidelijk in het aloude hamerwerpen, de Duitsers noemen het nog steeds Hammerwurf en de Engelsen simpelweg Hammer. En het waren vooral de ambachtelijke smeden die daarin zeer bedreven waren. In mijn genealogische speurtocht kom ik eind 15-de eeuw een heuse wapensmid tegen. En neem dat even van mij aan, wapensmeden waren ware atleten in het omgaan met de zware smeedhamer. En als deze wapensmid dan ook nog eens door koning Hendrik VII vanuit de zuidelijke Nederlanden vanwege zijn geweldige technieken naar Londen wordt gehaald, dan maakt mijn sporthart een onbescheiden vreugdedansje.

Vincent Tuteler maakte harnassen voor koning Hendrik VII

clip_image002

In vroegere tijden zochten de ridders bescherming tegen steek-, slag- en snijwapens tijdens veldslagen. In den beginne was dit een beschermend vest (kolder) van metalen ringetjes, de zogenaamde maliënkolder. Deze bescherming van het bovenlichaam werd gebruikt vanaf de Romeinse tijd tot in de 15e eeuw gebruikt. Vanaf 14e eeuw was men technisch in staat om op grotere schaal smeedijzeren platen te produceren, waardoor het maken van grote harnasonderdelen, zoals kurassen die borst en rug geheel bedekken, haalbaar werd. Een plaatharnas biedt betere bescherming en is ook nog eens lichter dan een maliënkolder. Het harnas werd gemaakt door een smid, die de losse delen op maat van de drager maakte. De kunst was om alles zo soepel mogelijk te smeden en moest er ook nog eens stoer uitzien. Uiteraard droegen ridders hun harnas zittend op een paard, wat eenvoudiger was dan zelf ermee te lopen. Ook voor de gewone soldaat te voet werd het gaandeweg gewoon en betaalbaar om plaatharnassen te dragen. In de 15e en 16e eeuw kende het harnas een grote bloei. In steden als Augsburg (D) en Milaan (It) werden ze op bijna industriële schaal geproduceerd voor de export. Men kende er gespecialiseerde onderaannemers zoals de platenmakers (plattner) en handschoenenmakers. Door het strenge gildesysteem konden alleen zij die van leerling tot smid waren opgeklommen het tot zelfstandig harnassmid brengen. Voor elk harnasonderdeel moesten zij een Proeve van Bekwaamheid voorleggen aan de gildemeesters. Zo kon het wel 14 jaar duren voordat een leerling het tot zelfstandig smid bracht. image

Van de Engelse koning Hendrik VII (1457-1509) is bekend dat hij de beste wapensmeden van het Europese vasteland naar Londen haalde. Zoals onder andere Philip de Vigne en Ralf de Pontew, de laatste maakte de borstharnassen (brigandines) voor de koning. In dat zéér selecte groepje komen we ook onze eigen Vincent Tuteler tegen. In de literatuur vinden we getuigenissen van zijn handwerk terug, en de beloning die hem ten deel viel.

In de ‘Writs under the Great Seal’, besluiten van koning Hendrik VII, wordt in de periode 1486-1497 Vincent Tuteler (Teuteler, Tutellar) genoemd als Koninklijke wapensmid, in die functie krijgt hij levenslang een jaarlijkse lijfrente van 20 pond toegewezen [bron:Materials for a History of the Reign of Henry VII; William Campbell – 2012].

Verder vinden we in deze periode een aantekening dat Vincent Teuteler, de wapensmid van Hendrik VII, een overeenkomst aangaat met ene Lazare de St.Augustin de Valenciennes in Henegouwen (B), over de levering van vijf complete wapenrustingen ‘servant à homme de gherre’ voor 828 Tournooise Livres [bron: The Antiquaries journal - Volume 78 (1998) - Pagina 302].image

In het jaar 1488 vinden we nog enkele interessante aantekeningen. Op 30 april ontvangt Vincent Tutellar acht pond voor een compleet harnas. Een week later, 6 mei, wordt opdracht gegeven aan de Engelse schatmeester en kamerheren van financiën om te betalen in gereed geld, zonder enige heffingen, aan Vincent Tutellar, de Koninklijke wapensmid, de somma van acht pond voor een harnas, compleet door hem geleverd in opdracht aan ‘oure well-beloved cousyn Therle Boghan’. Overgedragen op het paleis van Westminster. Op het einde van het jaar, 30 december, ontvangt wapensmid Vincent Tutellar 22 pond voor diverse witte harnassen [bron: Materials for a History of the Reign of Henry VII; William Campbell-2012; blz.300].

Tenslotte leverde Vincent Tuteler in 1497 nog eens acht complete harnassen voor ‘the King’s use’. Hij zal ongetwijfeld in Engeland nagenoten hebben van zijn ‘waardevaste’ pensioen.

Maar in de aankomende kogelslingerworpen stop ik nog meer passie, en jullie weten nu waarom.

Mijn genen kunnen gewoon niet anders.


dinsdag 20 augustus 2013

Hoe laat je een wedstrijd lopen?

Laatst stond ik geïnteresseerd te kijken naar een wedstrijd polsstokhoogspringen. Naast me stonden een man en vrouw iemand aan te moedigen in een oersaaie 10.000 meter. Zegt de man tegen de vrouw: ‘Wat een vervelende sport, zo heel af en toe springt er eentje, ruimt z’n stok weer op en dan gaat ie weer ’n half uur in ’t gras zitten’. ‘Ja, stom hè, waarom laten ze die niet gewoon drie keer springen en klaar is kees!’, zegt de vrouw. ‘Afschaffen die handel, ze gaan maar flierljeppen in Friesland’, vervolgt de man. ‘Kom op, volhouden Rob . . ‘ roepen ze allebei in koor terwijl de voorbij sjokkende Rob voor de zoveelste keer wordt ingehaald door de koploper. Ik moet glimlachen, atletiek kent vele uitersten. Lopen, springen en werpen, mooie bewegingen vertaald naar veel machtige, olympisch verankerde disciplines! Gelukkig zijn die allemaal even goed gereglementeerd, alhoewel . . . . !!??

discusVelen van ons hebben het wel eens meegemaakt. Je hebt ingeschreven voor een avondwedstrijdje discuswerpen, het is wel ’n uurtje rijden maar de wind staat goed en je hebt er zin in. De wedstrijd begint, even melden bij de jury. ‘Er is te veel deelname, jullie krijgen vier pogingen’, wordt de deelnemers te vaak toegeworpen. Dat valt effe tegen, bovendien moeten afwijkingen van het aantal pogingen vooraf worden gemeld op de uitnodiging. Een wedstrijd werpnummers, verspringen en hinkstapspringen bestaat uit drie pogingen en de beste acht (per leeftijdscategorie) hebben recht op drie finale-pogingen. Organiserende verenigingen (en topjury) zijn maar al te vaak niet op de hoogte van het wedstrijdreglement. Als je hiertegen (terecht) protesteert of cynisch laat vallen ‘je laat op de 5000 meter toch ook niet na drie rondjes alleen de eerste acht doorlopen?’, word je maar al te vaak als mopperkont weggezet.

Zo heb ik laatst wat meegemaakt bij een wedstrijdje kogelslingeren, er bleken 29 deelnemers te hebben ingeschreven bij de mannen! Er zijn niet zoveel wedstrijden kogelslingeren, dus die anderhalf uur rijden doe je dan toch maar. Het slingeren bij de dames was ver uitgelopen, en bij de invallende duisternis begon onze wedstrijd. Na de alweer tegenvallende aankondiging ‘iedereen vier pogingen en we gaan meteen beginnen, er wordt niet ingeworpen’ begon de wedstrijd. Nadat de eerste twee deelnemers hun eerste poging hadden gedaan gaf de veldjury aan dat ze het te gevaarlijk vonden. Er werd besloten voor de volgende gewijzigde procedure. Alle juryleden (inclusief veldjury) gaan naast de kooi staan als de volgende deelnemer zijn poging doet. Veldjury loopt vervolgens het veld in, meet de geworpen afstand en keert weer met slingerkogel terug naast de kooi. De volgende deelnemer kan werpen etc. etc.. Na ’n half uur kon ik eindelijk m’n eerste poging doen. De eerste ronde duurde ruim 50 minuten, even doorgerekend zouden we ver na middernacht klaar zijn. Dat was me iets teveel, dan toch maar afmelden. Teleurgesteld ga je naar huis. Ik had me verheugd op een goeie wedstrijd, de juryleden hadden ongetwijfeld de intentie ons een plezierig verloop te bieden. Dubbele pech voor iedereen, gewoon een klote-wedstrijd!

Maar het kan echt wel anders en beter. Met mijn sportmaten kiezen we de laatste jaren bij voorkeur voor (werp)wedstrijden in Duitsland en België. Simpelweg vanwege het feit dat wedstrijden hier gewoon beter ‘lopen’. En bijna altijd begint de wedstrijd met de aankondiging ‘iedereen zes pogingen’. Maar hoe flikken ze dat, wat doen zij anders?
  • Bij de inschrijving moet de beste prestatie worden opgegeven. Aan de hand hiervan worden deelnemers keurig gerangschikt op de startlijst. De minste afstanden bovenaan en de verste werpers achteraan. Lekker makkelijk en overzichtelijk voor de veldjury.
  • Zijn er meer dan 20 deelnemers dan wordt er gesplitst naar twee groepen. De totale wedstrijd duurt even lang, maar heeft een geweldig voordeel voor de atleet, minder wachttijd. En de veldjury houdt het makkelijker uit elkaar.
  • Er zijn niet alleen twee sectorlijnen uitgezet, maar bij de lange werpnummers geven ook vaste (of tijdelijke) sectorbogen om de 10 meter houvast aan de veldjury en de deelnemers.
  • Bijna altijd worden bordjes gebruikt, en wordt er pas gemeten na drie pogingen. Vaak laat men ook deze tussenmeting in overleg met de atleten achterwege. De sectorbogen geven voldoende indicatie ‘hoever we al gegooid hebben’. En wil iemand toch een tussenmeting, dan gebeurt dat simpelweg.
  • Een héél belangrijke indicatie: het gebruik van bordjes en achteraf meten gaat 40% sneller ten opzichte van geen bordjes en elke poging afzonderlijk meten. Twijfel je hieraan, dan neem net zoals wij de stopwatch mee en meet de verschillen zelf maar eens!!
Ik hoor jullie al denken: ‘Waarom zeg je dat niet tegen die jury of die organiserende vereniging?’ Wees gerust, dat doen we heus wel. En ook meestal al vooraf, als we grotere deelname verwachten. Helaas, helaas, de goeie uitzondering daargelaten, luistert men hier niet naar. Erger, je wordt zoals eerder vermeld als ouwe mopperkont weggezet, alhoewel onze toon en benadering steeds coöperatief blijft. Sterker nog, we worden steeds begeleid door onze eigen ‘gooi-ze-vrouwen’, en als de nood aan de man komt en er te weinig jury aanwezig is? Men hoeft ze niet eens te vragen, ze nemen spontaan de startlijst ter hand of ondersteunen de veldjury.

Maar wat wil je nu eigenlijk met dit betoog? Nou! Simpelweg een dringend advies geven aan de organiserende verenigingen, maar vooral aan de Atletiekunie, om voor alle ‘kleinere’ wedstrijden:speer
  • Gewoon het wedstrijdreglement te volgen. Een wedstrijd werpnummers, verspringen en hinkstapspringen telt drie pogingen, de beste acht (per leeftijdsgroep) krijgen drie finale-pogingen. En als er een of twee deelnemers net buiten de boot vallen, niet flauw doen, gewoon ook laten deelnemen aan die extra drie pogingen.
  • Maak werpwedstrijden voor jury en deelnemers meer aantrekkelijk en overzichtelijk door deelnemerslijsten te rangschikken op beste prestatie, gebruik bordjes bij lange werpnummers, laat niet iedere poging meten en zet sectorbogen uit.
  • In het veld jureren (niet alleen bij speerwerpen) is echt moeilijk en vraagt training en ervaring. Nodig de potentiële veldjury uit op een training en oefen samen met een ervaren werper / jurylid.
  • En héél belangrijk: bij twijfel niet zoeken naar die ene uitsluitende regel maar geef het voordeel aan de atleet. Respecteer en behandel elk onderdeel lopen, springen of werpen gelijk.
Nog even terug naar die wedstrijd polsstokhoogspringen. Een atleet springt nipt over de 4,60 meter. ‘Jaaaahhh . . .’, schreeuw ik en klap zo hard ik kan mijn handen blauw. De man en vrouw naast me draaien zich verschrikt om, kijken elkaar aan en schudden hun hoofd. ‘Waar klap jij voor’, vraagt de man, ‘ze moeten nog vijf rondjes!’. ‘Die jongeman sprong een persoonlijk record met polsstok’. ‘Ooohh’, zegt de vrouw, ‘maar waar is Rob eigenlijk gebleven?’. ‘Die is net uitgestapt en op weg naar Friesland’, vertrouw ik hen toe. ‘Friesland . . ?’, zegt de vrouw terwijl ze samen gearmd weglopen.

Nog net hoor ik de man fluisteren: ‘Flierljeppen, want lopen kan die niet . . ‘.

donderdag 1 augustus 2013

Gargamel bestaat echt

Ongetwijfeld kennen we de stripfiguren van de Smurfen. Waaronder tovenaar Gargamel die in een bouwvallig kasteel vlakbij het Smurfendorp woont, en voortdurend op de Smurfen jacht maakt. Eerst omdat hij een Smurf nodig had als ontbrekend ingrediënt voor de steen der wijzen (lees: macht uit te kunnen oefenen), later vergroot zijn haat tegenover het blauwe volkje en begint hij ze allemaal te vangen om karweitjes te laten opknappen. In de tekenfilm wil hij ze vangen om ze op te eten, in sommige verhalen om goud te maken of om hen uit te roeien. Met gemene smurf3trucs probeert de tovenaar de Smurfen uit de tent te lokken. De heks Agatha noemt Gargamel altijd Karnemelk. Zij is een gemene, kale heks met een pruik die vliegt op een grote vogel. Ook zij jaagt op de Smurfen. Gargamel heeft een kat, Azraël genaamd. Azraël is een roodharige gewone huiskat met een normaal postuur. Een Smurf is reddeloos verloren in de klauwen van Azraël, maar Gargamel staat niet toe dat Azraël een Smurf verschalkt. Kortom, Gargamel is een geweldige etter die het leven van de Smurfen behoorlijk verpest. Geloven jullie in sprookjes? Ik wel sinds gisteravond!

Elke atletiekvereniging heeft wel zijn eigen Gargamelletje en zijn eigen heks Agathaatje. Je kent ze wel, die klojo’s die bij twijfel nooit ‘het voordeel van de atleet’ over de lippen kunnen krijgen. Die met een glimlach op het gezicht met scherpe toon het ‘ongeldig’ of het ‘gediskwalificeerd’ uitspreken. Van die figuren die in hun jeugd ongetwijfeld gepest zijn, thuis niks in de pap te brokkelen hebben, van de maatschappelijke ladder zijn gesodemieterd, bij clubkampioenschappen altijd de laatste plek moeten incasseren en al hun opgekropte frustratie botvieren in die hatelijke rode vlag, dat verlossende startpistool of zomaar die verwachtingsvolle startlijst met atletiekliefhebbers. Die tegen-beter-weten in betweters, die krijsend hun gelijk willen halen en al hun zogenaamd gereglementeerde macht misbruiken om de atletieksport naar de klote te helpen.

smurf1Gisteravond was er een avondwedstrijd in het Belgische Lanaken, vlakbij Maastricht over de grens. Altijd een drukke en beregezelige wedstrijd. We krijgen van een alleraardigste suppoost de allerlaatste parkeerplek toegewezen. Op weg naar het sportpark kruist ‘miaaauuuwww . . ‘ een roodharige kat ons pad, achteraf gezien was dit de eerste waarschuwing. Als Ollanders hoeven we geen inschrijfgeld te betalen en we spoeden ons naar het eerste onderdeel, het speerwerpen. Er is veel volk op de been, veel toeschouwers en erg veel deelnemers van het organiserende ATLA Lanaken in hun opvallende blauwe clubtenue. Het lijken wel Smurfen. De geur van ‘hotdogs-met-veel-ui’ trekt aan onze neuzen voorbij, vermengd met dat verlokkelijke vleugje ‘Leffe-of-Trappiest’. Maar wij moeten eerst nog doen waar we voor zijn gekomen, het discuswerpen. Samen met Frans, Jan, Henk en Tina zoeken we alvast een plekje in de buurt van de discuskooi. Een geweldig drukdoend manneke met een opvallend gekromde neus doet verwoede pogingen om zijn territorium te onderdrukken. We wachten rustig, het loopt uit, de blauwgekleurde ‘cadetten’ lopen de laatste series, de verlichting moet al aan. Volgens Jan zijn er 21 deelnemers aangemeld voor het discuswerpen, een beetje veel, maar ja. Onze Duitse vrienden vinden het te laat worden en keren ‘n beetje teleurgesteld ‘zurück in die Heimat’. Jammer voor hen, maar volgens Cruyff heb elk nadeel zijn voordeel.

Het is inmiddels half elf, we zijn aan de beurt en gaan inwerpen. daar komt dat manneke met die kromme neus. ‘Ophouwe met inwerpen, we gaan beginne en er wordt niet gemeten en die het niet eens is . . . ‘. Verrekt, die vervelende vent is helemaal niet van plan ons een fijne wedstrijd te bezorgen, die . . . . . hij lijkt plotseling op Gargamel! Hij wil de namen en volgorde afroepen maar wordt gestoord door een speaker, die keurig de laatste uitslagen van de laatste series Smurf-cadetten afroept. ‘Zo stop ik ermee . . die speaker moet zwijgen, ik moet morgen ook nog werken’, krijst Gargamel. Hij loopt twintig meter richting wedstrijdleider en schreeuwt hem de huid vol. ‘Als hij twintig meter was doorgelopen, had hij dat op normale toon kunnen vragen’, fluistert Michel me toe. We moeten lijdzaam wachten totdat de speaker klaar is en daar roept die schreeuwlelijk onze namen op, het blijken er ineens 27 te zijn, ik heb nummer 13. Onze eerste Belgische collega’s proberen de opgewonden Gargamel vriendelijk tot kalmte te manen, hetgeen slechts leidt bij Gargamel tot gestrekte beentjes, samengeknepen billen en een ongekende scheldkanonnade. Dit wordt niks meer, we kunnen beter aan de Trappiest. Maar ja, je bent liefhebber en we zijn niet voor niks gekomen. Er wordt opvallend veel ‘ongeldig . . null!’ gekrijst door Gargamel. Ook onze Belgische vrienden beginnen zich op te winden en trakteren ons schouderophalend met ‘sorry’. Maar waarom? Wij komen speciaal naar België voor zijn gezellige wedstrijden en zijn geweldig inlevende (en wellevende) juryleden. Een rotte appel kan er wel eens tussen zitten.

smurf2Tijdens de tweede ronde zien we boven het sportpark zo’n chinees gelukslampionnetje voorbij drijven. ‘Heej wat leuk’ hoor ik naast me. Maar ik schiet in de kramp, dat zal toch niet de heks Agatha zijn die ook nog eens roet in het eten komt gooien. ‘Gekke vent, doe effe normaal, dat kan niet’. Maar plotsklaps valt de verlichting aan één kant van het sportpark uit. Geschokt grijp ik naar mijn kaal wordende kop, dit kan toch niet? ‘Stop, iedereen legt de discus neer, ik ben verantwoordelijk als er wat gebeurt’ schreeuwt en krijst Gargamel in het halfdonker. Alsof er ook maar bij iemand opkwam om nu te gaan gooien. Druk gebarend worden wedstrijdleider en scheidsrechter bij de haren gesleept. Tot overmaat valt ook aan de andere kant van het veld de verlichting uit. Een aantal doet het startnummer af en pakt de tassen in. Wij blijven nog even zitten en zien die etter van een Gargamel bezwerende gebaren maken smurfen met overslaande stem duidelijk maken dat het aan iedereen behalve aan hem ligt. Net als ook wij richting de Trappiest en de Hotdogs lopen floept het licht weer aan. Voordat we het goed en wel in de gaten hebben doen onze oren weer pijn ‘jullie krijgen nog één poging, maar wel snel . . . ‘. En zoals eerder gezegd, we zijn liefhebbers en doen ons shirtje weer aan. Een van de deelnemers is doofstom en krijgt het niet allemaal goed mee, en wij vergeten in de mêlee om hem te verwittigen. Totdat zijn naam wordt opgeroepen. We snellen naar hem toe en gebaren dat hij nog één poging krijgt. Paniekerig spoedt hij zich in het vereiste tenue en net als hij Gargamel passeert gebaart deze met gekruiste armen en een glimlach: ‘tijd is om, ongeldig’, en roept de volgende deelnemer. Onder de liefhebbers slaan de stoppen door, de wedstrijdleider zit met gebogen hoofd naast de werpkooi en zwijgt!!!

Het is mijn beurt. Zoals bij elke poging neem ik me nu ook weer voor er een geweldige performance van te maken. Je weet dat de discus altijd te snel en te dichtbij in het gras ploft, maar de niet aflatende intentie om te excelleren is onuitwisbaar. En warempel, het kreng zeilt naar 35 meter en trots als een Smurf-pauw stap ik de kooi uit. ‘Ongeldig’ kraait de glimlachende Gargamel. Totaal overdonderd loop ik het veld in en vraag de veldjury wat er mis was. ‘Bij ons niks, maar je moet in de kooi een fout gemaakt hebben’. Ik loop terug naar de neerbuigende wedstrijdleider en vraag wat er aan de hand was. ‘Geen startnummer’ verzucht de man en bekijkt het gras onder hem nog meer van dichtbij. ‘Watte, de wedstrijd heeft een half uur stilgelegen, niemand draagt nog zijn werpschoenen, clubtenue, laat staan dat klote startnummer’. ‘Ik ben het met u eens en betreur deze gang van zaken ook, mijn excuses hiervoor’ mompelt hij zijn hoofd afwendend van Gargamel. ‘Ja, maar u bent wedstrijdleider, u kunt toch ingrijpen . . . ‘, maar iets in mij zegt laat-maar-zitten-Jan. Dit gaat toch nergens over.

smurf4Mijn Belgische sportvrienden blijken ook ware sportvrienden en komen een voor een met ‘excuses’, ‘sorry’ en ‘we-begrijpen-het-ook-niet’. Zelfs onze doofstomme sportmaat, zelf het meest vernederd door dit verachtelijke onderkruipsel, drukt in gebaar en mimiek uit dat dit toch wel grensoverschrijdend onacceptabel was. Alleen de wedstrijdleider, scheidsrechter en overige jury zwijgen in het Belgisch en overige talen. De hotdogs-tent is gesloten maar die Trappiest laten we ons niet ontnemen. Het was een zeldzame mooie zwoele zomeravond en mijn sportvrienden relativeren de slechte prestaties en opvallende gebeurtenissen, nippend aan hun Belgisch biertje. Ik staar slechts verdwaasd naar de hemel waar een eenzame satelliet tergend langzaam voorbij glijdt. ‘Gargamel bestaat echt’, overdenk ik, de verhalen zijn natuurlijk verzonnen maar echt gebaseerd op menselijke verwerpelijkheden.

‘Zaterdag is in Lommel kogel-discus en speer’, ‘Zondag is in Turnhout hamer-discus en kogel’, melden onze Belgische sportvrienden in het voorbijgaan en leggen een hand op mijn schouder. Ze verdwijnen in de nacht. ‘Verrekt, het is al half één’, en ook wij vertrekken. ‘Ik moet er weer om zes uur uit!’, mompelt Henk. Nog even in de struiken plassen. Door het groen zie ik een roodharige kat trots op het kleedlokaal zitten. ‘Mauwww’, hoor ik en schielings vluchten we allebei het donker in.

zondag 12 mei 2013

Het valt allemaal niet mee om gepensioneerd te zijn

We hebben een drukke periode achter de rug met veel atletiekwedstrijden, de camper staat voor de deur en het weer is best goed. Met twee gouden en een bronzen plak bij het NK-Masters ‘in-the-pocket’ is mijn honger naar prestaties weer even gestild. En eerlijk gezegd zijn we de pesterijen van de Atletiekunie ook wel even zat. Tijd om er weer even op uit te trekken, we gaan niet ver deze keer. Het plan is om vanaf Koblenz langs de Moezel af te zakken richting Luxemburg en daar een paar campings uit te proberen. Begin juni willen we terug zijn.

De lange broeken en winterspullen moeten in de camper plaatsmaken voor de korte broeken en korte mouwtjes. De koelkast en diepvries worden in huis leeggemaakt en in de camper gestouwd, we zijn klaar voor vertrek. Marijke moest nog even langs tandarts de Boer om een vulling te laten vernieuwen en ’s middags vertrekken we voor een eerste korte rit naar Mendig. We hebben camping Siesta uitgezocht, klinkt erg goed en volgens het ACSI-boek een mooie doorreiscamping. Nou ja mooi, die kunnen jullie gerust meteen doorstrepen. Tom-Tom kon hem sowieso niet vinden en na een paar keer vragen werden we een carpool-parkeerplaats over gestuurd, een smal onverhard pad op. Potverdomme, nondedjuu kon ik niet meer onderdrukken, dat hebben wij weer. Halverwege het pad stond zo’n onverzorgd type met te lange haren en een te wilde baard, een smerig geruite shirt met daarover een zwaar aan bretels hangende te wijde ribfluwelen broek. Hij stond een gepensioneerd paard en een ouwe ezel te voeren, zwaaide vriendelijk richting de camping en we persten onze camper met moeite langs zijn ook al gepensioneerd bestelwagentje. Bij de entree van de camping sluiten we braaf rechts aan achter een Nederlandse caravan. De eigenaar van de caravan kwam naar ons toe, we moesten niet rechts, maar blijkbaar links aansluiten en stoppen bij de Rezeption. Dat Rezeption was wel erg zwaar aangezet, het was meer zo’n wachthuisje zoals je die vroeger ook wel bij de kazernepoorten zag. We stappen uit, zoeken onze ACSI-kaart en melden ons bij de mini-Rezeption. ‘Für eine Nacht?’ wordt een norse vraag ons toegeworpen vanuit het hokje. Een vreselijke alcoholkegel komt uit de mond van een totaal uitgeleefd vrouwtje. We kijken elkaar aan en mompelen gelijktijdig ‘ein oder zwei Nächte . . . . ’. ‘Sie zahlen jetzt 15 Euro’ klinkt onverbiddelijk uit het hokje, waarbinnen de lucht compleet verzadigd is door een in ontbinding zijnde rook- en dranklucht. We leggen gepast 15 euro neer en constateren een groot pamflet met ‘Jeden-Tag-Brötchen-Service’. ‘Wir möchten für Morgenfrüh vier Brötchen bestellen . . .’. Er volgt een smerige rochel, die ons de rillingen over de rug laat lopen, gevolgd door de volgende eruptie van bedorven dranklucht: ‘Sie denken doch nicht das mein Mann für vier Brötchen ins Dorf fährt . . . ‘. We zoeken een rustig plekje langs het doorgaande pad van de camping, zijn we morgenvroeg ook weer snel vertrokken. We hebben geslapen als een gepensioneerd paard en een ouwe ezel, we hadden het duidelijk nodig. Te laat werden we wakker, maar ja, wat geeft het, we hebben alle tijd.

Binnendoor rijden we naar de Moezel, door heuvelachtig gebied met schilderachtige dorpjes. Marijke wil graag Burg Pyrmont zien, waar onze vroegere koningin-regentes Emma was geboren. Het begint te regenen en dat blijft zo totdat we op onze volgende camping in Pommern aankomen. Zo’n typische Moezel-camping, jaren-50 aanblik, heel lang uitgerekt aan het water. Een plek direct aan de Moezel kun je vergeten, die zijn vergeven als vaste staanplaatsen aan Nederlanders en Duitsers. Maar we vinden een leuke plek in de vierde rij vanaf het water, langs een vriendelijk echtpaar uit Friesland. Hier blijven we een paar dagen, een ideale uitvalsbasis om te wandelen en te fietsen. ’s Avonds wordt er niet gekookt, de camping kent een restaurant en het is vandaag tenslotte ‘Deutsche Vatertag’. Het is er druk, we zoeken een klein tafeltje uit en wachten op bediening. We kijken direct in de keuken waar een buitenlands niks-mis-mee type het allemaal moeilijk kan behappen. De walm van oud frituurvet hangt in het restaurant. ‘De muziek staat wel erg hard’, zegt Marijke. Okay, dan gaan we buiten zitten, het is tenslotte weer lekker weer. ‘Ich komme gleich’ roept de bloednerveuze serveerster in het voorbijgaan. We hebben ons geïnstalleerd en de compleet gestresste serveerster roept telkens in het voorbijgaan ‘Ich komme gleich’. Marijke constateert dat mensen die binnen een tafeltje uitgezocht hebben al geholpen worden. Het begint me een beetje te irriteren, vooral als we na een uur nog steeds ‘Ich komme gleich’ te horen krijgen. ‘Nou, als die dat thuis ook zo lang volhoudt bij haar man, is die wel te beklagen’. Marijke vindt het niet meer leuk en zegt ‘hij zal die schnitzels toch niet in dat frituurvet bakken’. Dat is de laatste druppel ‘kom op, we pakken de fiets en gaan naar het dorp’. Aan de rand van Pommern ligt een nette Imbiss, die wordt beheerd door de plaatselijke slager. ‘Altijd goed’ mompel ik en even later staan we in de rij met Vatertag-vierende Duitsers. Als we aan de beurt zijn, blijkt de slager bijna ‘leeg’ te zijn. Hij heeft alleen nog braadworst, maar onze honger is inmiddels zo ver dat we genoegen nemen met dit beperkte aanbod. Even later zitten we aan tafel met onze ‘Pommes mit Bratwurst und Krautsalat’, samen met een vriendelijk Duits jong echtpaar met twee dochtertjes. De slager en zijn vrouw horen we roepen ‘die letzte zwei Bratwürste’ en een stelletje bezopen vaders verdelen gebroederlijk de laatste twee ‘Pommes mit Bratwurst’ en spoelen dat overmatig weg met ‘Bier aus der Flasche’. ‘Morgenavond gaan we naar een keurig restaurant in het dorp’, vertrouw ik Marijke toe.

Dus zaten we ons gisteravond in restaurant Sonnenuhr te verheugen op overheerlijke asperges. Maar helaas, ook dat zat tegen. De serveerster was niet komen opdagen en daarom moest de nogal norse vrouw des huizes het allemaal alleen doen. Okay, okay, dan maar een goulash-soepje en een peper-steak, ook lekker. Maar toen we voldaan naar buiten liepen bleek de vrouw des huizes ook haar vriendelijke kant te hebben. Lachend kwam ze op ons af: ‘Sind Sie morgen auch noch da?’. ‘Ja sicher’ antwoordden we allebei. En dus maakt ze vanavond speciaal voor ons asperges met botersausje, gekookte petatjes, gesnipperde eieren en ham.

Het valt allemaal niet mee om gepensioneerd te zijn.

vrijdag 19 april 2013

We mogen niet somberen

Het is alweer verschrikkelijk lang geleden dat ik een nieuw stukje aan mijn weblog kon toevertrouwen. Maar ik heb er in de tussentijd wel veel geschreven en nog veel meer door mijn hoofd laten gaan, maar ja, we mogen niet somberen. In deze crisis moeten we positief blijven, en alle artikeltjes waren wat zwaar en zijn dan ook verdwenen naar die emotieloze harde schijf. Maar nu is dat voorbij, we mogen weer, volgens Rutte is het einde van de crisis in zicht! Sterker nog, we kunnen dat proces zelf versnellen door weer aankopen te doen. Heel somber zaten Marijke en ik te turen op de definitieve verlaging van ons pensioen met 5,1%, toen we Rutte op de televisie hoorden raaskallen: ‘mensen moeten stoppen met somberen, met negatief naar de dingen kijken’. Het gaat niet ‘dramatisch slecht’, vindt hij. In individuele gevallen - dreigend ontslag, dalende huiswaarde, minder koopkracht, dalend pensioen - begrijpt hij de grote zorgen, maar wie puur door de algemene berichtgeving denkt dat het slecht gaat, mag wat Rutte betreft positiever naar de toekomst kijken.
‘Snap jij dat nou?’ vroeg ik aan Marijke. ‘Een nieuw huis kopen hoeven we niet, dit hebben we pas! Maar misschien een nieuwe auto?’, antwoordde ze. ‘Nou ja, deze is pas 6 jaar, maar als we daarmee de crisis kunnen stoppen, dan moet het maar’. Dus hebben we afgelopen week de camper een Frühjahrskontrolle gegeven, onze twee fietsen een beurt en nieuwe achterbanden gegund, hebben we het dak laten vernieuwen van onze achterbouw en ja, puur en alleen omdat Rutte dat ook wil, hebben we een nieuwe auto gekocht.

Dat was niet gemakkelijk, het blijkt niet zo eenvoudig Nederland uit die crisis te helpen. Eerst lieten we onze huidige auto schatten bij een kenner, dat valt altijd tegen maar 6000 euro zou een redelijke inruilwaarde zijn. Mijn sportmaat heeft pas een nieuwe Volkswagen UP gekocht en dat leek ons wel wat. Laag verbruik, geen wegenbelasting, wel wat klein maar een leuk wagentje. We stappen de autowinkel binnen en passeren alle dure bolides, en helemaal achteraan stond heel bescheiden onze metallic blauwe vijfdeurs in zijn UPje te glimmen. Goedemiddag mevrouw meneer, kan ik u ergens mee helpen?’. Je kent ze wel, zo’n gladde jongeman in donker loszittend pak, wit smoezelig overhemd met VW-stropdas. ‘Ja, we komen een einde aan de crisis maken, en willen deze UP aanschaffen’. Op een verhoogd plateautje tussen potsierlijke kunstplanten namen we plaats, hij vroeg mijn autosleutels en rijbewijs en liep weg voor de schatting en een kopietje voor de definitieve aankoop. Komt een hippe jongedame: ‘wilt u iets drinken mevrouw meneer?’. ‘Nou nee’. ‘Jawel, een glaasje water’, zei Marijke. De gladjanus kwam terug en begon de UP de hemel in te prijzen, de ontelbare extra’s op te sommen, en tikte daarbij te nonchalant onze gegevens in de computer. Zijn handy ging en hij liep telefonerend weg: ‘een ogenblikje mevrouw meneer’. Even later kwam hij weer terug met onze autosleutels en tikte helemaal niet somber het laatste bedrag in de computer en maakte een uitdraai. Heel trots schoof hij de offerte onder onze neus en tikte wat overdreven op het bij te betalen bedrag.
‘Valt vies tegen, wat krijgen we eigenlijk terug voor onze Fiat’.
‘3750 euro!’.
‘Waaaaat . . . godve . .‘.
‘Jan blijf rustig’
mompelt Marijke. Die gluiperige linkmiegel begint onze perfect onderhouden Fiat Idea van 2007 onderuit te halen en betrekt ook nog eens de crisis erbij. ‘Je bent een gewiekst ventje, maar we zitten hier juist om jullie uit die crisis te halen. Onze Fiat heeft meer klasse als jouw Uppie en jouw bod brengt zelfs Marc Rutte aan het somberen’. Net thuis gekomen gaat de telefoon, het is de glibberige UP-verkoper. ‘Ik heb nog eens overlegd, en ik mag het aankoopbedrag naar beneden afronden’. ‘Nou, nee hoor, dat is veel te weinig’. ‘s Avonds kruip ik achter de laptop en zoek op alle bekende autosites naar Fiat Idea’s van 2006 en 2007. Ik tik ze allemaal in een Excel-sheet daarbij automatisch het gemiddelde uitrekenend. Na 40 hits zit ik nog steeds boven de 6300 euro en laat dat via de mail weten aan die blaaskaak. ‘Ik wil 6000 euro inruilwaarde, en anders hoef je me niet meer terug te bellen’. En jawel hoor, de volgende dag gaat de telefoon. ‘Meneer Titulaer . . . . we zijn eruit . . . !’. Heel trots vertelt hij dat dan wel de korting van 500 euro eraf gaat en dat we dan 5000 euro krijgen voor onze Fiat Idea. Ik vlieg op uit mijn stoel en Marijke probeert me met handbewegingen tot enige beheersing te manen. ‘Luister jongeman, we wilden een deal sluiten om Nederland eindelijk uit die crisis te helpen. En bij een goede deal moet je van beide kanten een goed gevoel overhouden. Jij vraagt 12.459 voor jouw rot-UP en ik 6000 voor mijn dierbare Fiat. Ik vraag geen korting op jouw UP-rotter en jij kruipt gluiperig van 3750 naar 4500 euro. We moeten van Rutte positiever naar de toekomst kijken, maar die ligt duidelijk niet bij jou, we kijken nog even verder wie wel blij is met onze crisisaanpak.’.
‘Mag ik U nog eens bellen over een paar dagen . . .’.
‘Nee, al kom je nu met 7000 euro op de proppen, ik heb bij jou niet het gevoel dat we samen dit land verder helpen . . ‘.


De volgende dag gaan we naar de Fiatwinkel. We kijken wat rond, oefenen het in-en-uitstappen in een Fiat-500, -Panda, -Punto, -Qubo en –Doblo. We voelen aan het stuur en proberen de stoelen nog wat verder omhoog te draaien, want we zitten graag wat hoger. Oh jee, komt zo’n gluiperd aan, nu met loszittend grijs kostuum en een modieuze roadview-bril:
‘Mag ik u vragen wat u zoekt?’.
‘Tja, we moeten van Rutte ons land uit de crisis helpen, en willen daarom een nieuwe auto kopen!’
.
Hij kijkt ons aan als een doos speelgoedautootjes: ‘Ik bedoelde eigenlijk zoekt u iets meer luxe of iets robuust? Iets met hoge instap of gewone instap? Iets met meer binnenruimte of maakt dat niet uit? Iets met . . . . ’. We komen uiteindelijk bij een glimmend zwarte Fiat-Qubo . . . ‘Maak maar eens een scherpe offerte, en bedenk daarbij dat we wel een prachtige Fiat-Idea inruilen’.
‘Willen jullie iets drinken?’.
‘Ja, koffie graag, ik zwart en mijn man met alles’
, zegt Marijke.
De vriendelijke jongeman haalt zelf de koffie en levert onze autosleutels af aan de balie bij de garage. Marijke en ik doen schattingen op het bedrag waar hij op uit zal komen. Na zenuwachtig wachten, waarbij ik me voorbereid op zware onderhandelingen, schuift de sympathieke verkoper de offerte tussen ons in. Hij geeft 1500 euro korting bovenop de actieprijs van de Qubo en we krijgen 6250 euro voor onze Fiat Idea. ‘Uhh . .daar moeten we even over nadenken’.
‘Waarom dat dan . . ‘
stoot Marijke me aan.
‘Nou ja, dit zijn toch investeringen die het landsbelang aangaan, daar moeten we thuis op de bank nog even over praten, we bellen je op. Ja, sorry mijn vrouw die vindt het nogal snel goed maar ik kan haar moeilijk thuis laten . . ‘. De goeie man glimlacht en we staan op. We lopen langs de glimmende Fiat Qubo, niet iets wat we vooraf in gedachte hadden. Maar ja, hij is wel robuust en niet luxe, heeft een lekkere hoge instap, veel ruimte en geen tierelantijntjes die we toch niet begrijpen. Bij het passeren voel ik Marijke links tegen me aanduwen en geloof het of niet, rechts duwt die Qubo tegen me aan.
‘Okay, okay, laten we de koop sluiten’.
‘Weet u het zeker, u kunt me ook morgen nog bellen’
, zegt de verkoper. Bij het zetten van de handtekeningen zegt hij:

‘Mooie auto die Idea, mijn schoonouders hebben ‘m ook’.

zondag 27 januari 2013

Een pathetische leugen

'Al is de leugen wonder snel, de waerheyt achterhaelt se wel’ was de gevleugelde uitspraak van vadertje Cats. Waarom liegen we dan nog potdomme, we doen er de slachtoffers geen plezier mee!

Het is nog gezellig in de kantine, en mijn vrouw zit thuis op me te wachten! Alle eerder gezworen afspraken worden vergeten, zelfs de allergrootste zorgen die je allerliefste thuis op de bank moet doorstaan, worden aan het volgende glas bier gelapt. Ze belt en vraagt waar je blijft! Wie heeft op zo’n moment niet eens gelogen met: ‘Ik ben al onderweg, schat . . ‘. Zelfs als ze er zelf bij is, en ze wil dolgraag naar huis. Wie heeft er niet eens na het alweer volgende rondje zeer irritant gelogen met: ‘Dit is de laatste, hierna gaan we naar huis’.

Vorig jaar wilde ik in Dongen meedoen met een indoor-driekampje: 35 meter sprint, hoogspringen en kogelstoten waren de bescheiden onderdelen. Voor het vertrek werd vilain tegen mijn vrouw gezegd, die normaal altijd met me meegaat: ‘Blijf jij maar lekker thuis, ik doe alleen maar mee met kogelstoten!’.
Mijn knie is namelijk heel erg slecht en staat sprinten, laat staan hoogspringen medisch verantwoord absoluut niet toe. Toen ik enkele uren later met een brede smile en een vette medaille om thuis kwam, spoten twee ogen vuur: ’Wat ben jij een jokkebrok, hoe kom jij aan die medaille, jij hebt ook meegedaan met die andere twee nummers, jij . . . ‘. Ja ja, ik schaamde me toen als een ondeugende kleuter, dat was een vette leugen. Ik wil mezelf dan ook niet vrij pleiten, maar hoe moeten we deze inschalen bij die andere leugens die ons dagelijks overspoelen?

Denk maar eens aan Marc Rutte, we waren toch allemaal getuigen in die vuile verkiezingscampagne, hij loog zich naar zijn tweede ambtstermijn als minister-president, en het wordt zomaar gepikt. Een heel legertje mediatrainers ondersteunde hem om de kluit te besodemieteren. In plaats van die beloofde extra 1000 euro zullen we nu de portemonnee moeten trekken. Hij zegt voor de zoveelste keer ‘sorry’ en lacht ons recht in de camera uit.

Wat te denken van superleugenaar Lance Armstrong? Die blijkt nog meer gelogen en bedrogen te hebben dan we allemaal voor mogelijk hebben gehouden. Gesteund door de complete ‘we-wisten-van-niets’ wielerpers en mogelijk zelfs de UCI loog hij zeven Tourzeges bij elkaar. Hij bouwde een machtig leugenachtig imperium om zich heen en sleurt met zijn intimiderende leugens de gehele wielersport in de stront.

‘Ik vertelde geen leugens, ik zei dingen die later niet waar bleken te zijn’ zei ooit Richard Nixon in het bekende Watergate schandaal. Zo probeerden we een paar weken geleden in een overleg op te komen voor de puurheid in onze sport. Het was me nog nooit gebeurd om op die manier ‘georganiseerd en gestructureerd’ stelling te nemen tegen discriminatie van ouderen in de sport. En al helemaal niet tegen die altijd door mij gerespecteerde sportbond. Zit daar een man een gloedvol betoog te houden. Iets onderuit gezakt, de vingertoppen van zijn gespreide vingers uiterst nauwkeurig tegen elkaar drukkend. Hij kijkt ons recht in de ogen vanuit een iets scheef gehouden hoofd. We moeten ons niet verzetten tegen veranderingen, hij is immers betrokken in een internationaal overleg om met behulp van verhoudingsgetalletjes alle leeftijdsgrenzen binnen de atletiek de nek om te draaien. Hij vertelt dat met zoveel overtuiging en gezag, dat we aan onszelf gaan twijfelen. Als we aansluitend aan dat overleg zijn gebeuzel toetsen aan een paar praktijkvoorbeelden uit onze gezamenlijke 200 jaar atletiekervaring weten we het zeker :’Dit kan toch niet waar zijn . . !’ . Zullen straks alle 35 jarigen tot en met de 100-plussers tegen elkaar moeten gaan strijden om één nationaal, europees of wereldkampioenschap. Zal dan straks niet meer de verste afstand, de laatst overschreden hoogte of die het eerst het finishlint doorklieft bepalen wie zich de ware kampioen mag noemen. Zal dan die verfoeilijke computer met zijn door statistici ingevoerde leeftijdsfactoren toch ook niet die allermooiste ‘winning-moments’ in onze atletieksport elimineren. Dat kan toch niet waar zijn!

‘Geloof pas iets, als het officieel wordt ontkend’ waren wijze woorden van Otto von Bismarck die ons ook nu goed van pas kwamen. Gisteren zaten we weer tegenover elkaar. In de tussenliggende weken hadden we het complete internationale bestuursapparaat uitgeschud, afgestoft en ‘staubgesaugt’. Enkele door ons scherp geselecteerde speurneuzen hadden gezocht naar mogelijke haarscheurtjes en naar mazen binnen de internationale ‘rules of competition’. Met ingehouden trots en blijdschap naar al die oudere atleten konden we terug rapporteren dat het verhaal van de nu wat ongelukkig onderuitgezakte man een voor de atletieksport wel heel pijnlijke luchtballon was gebleken. Maar nee hoor, hij had dat niet zo verteld, hij was valselijk geciteerd, woorden waren uit zijn verband gerukt en daarbij waren die op de sociale media geplaatste insinuerende plaatjes niet erg netjes geweest.

‘Leugen is de moeder van het geweld’, waarschuwde Mahatma Gandhi ooit eens heel filosofisch. En ook dat bleek te kloppen, als één man voelden vier wat oudere atleten zich als leugenaars en fraudeurs weggezet! Niet de waarheid spreken, en daarmee een hele groep sportmensen onrecht en verdriet aandoen is erg. Maar dan proberen de boel te verdraaien en op die manier ontkennen is echt verfoeilijk. Mijn drie overtuigd pacifistische sportieve collega’s schoten naar het puntje van hun stoel en vuurden hun ongenoegen af op de inmiddels nog verder uitgezakte man. Maar voordat het fileren in alleszins acceptabele bewoordingen dreigde om te slaan in niet meer helder kunnen denken, greep de voorzitter heel terecht in.

Maar waarom liegen wij mensen eigenlijk? Nou ja, een sterk verhaal iets meer aandikken en overdrijven doen we allemaal wel eens. Of stukken van een verhaal weglaten om het nog mooier te laten uitkomen. Als klein kind jokten we wel eens als we iets kapot hadden laten vallen of zonder te vragen dat onweerstaanbare koekje hadden gepakt. Maar dat was nog geen liegen, we wisten nog niet zo precies wat goed en kwaad was. Daar is niks mis mee, zolang het bij af en toe een leugentje om bestwil blijft. Voor een kind is het zelfs goed om op deze manier zo zijn fantasie te ontwikkelen. Maar wat is het verschil tussen dat kinderlijke jokken en dat opzettelijke liegen van volwassenen? Waarom doen mensen dit? Ik ben even gaan zoeken op internet.

Uit onderzoek blijkt dat slechts zo’n 1 procent (meestal mannen) een onbedwingbare drang heeft tot liegen. De oorzaak blijkt niet te liggen in het onderscheidend vermogen van goed en kwaad, dat is meestal wel ontwikkeld en aanwezig. Maar zij missen de capaciteit zich hier iets van aan te trekken. Ze hebben geen geweten en zien de consequenties van hun leugens onvoldoende in. Schuldgevoel en empathie is hen vaak vreemd. Wie zich hier nog verder in gaat verdiepen en doorsurft op internet zal ook veel geciteerde kenmerken bij de grote Lance Armstrong herkennen. Internet laat zien dat het vaak ambitieuze mensen zijn, belust op roem. Zij pochen over hun eigen prestaties, dromen van succes, denken dat ze uniek zijn in de wereld waardoor zij alleen begrepen kunnen worden door mensen die zelf ook bijzonder zijn. Zij willen graag bewonderd en op hun wenken bediend worden. Zij worden arrogant en hooghartig gevonden. De zelfoverschatting lijkt samen te hangen met een zeer kwetsbaar zelfgevoel. Zij willen dat alles op hun manier gebeurt en kunnen razend worden als iemand daar kritiek op heeft of er tegenin wil gaan. Op een gegeven moment voel je je gebruikt door deze mensen. Ze krijgen het soms goed voor elkaar om anderen voor hun karretje te spannen maar het gaat alleen goed zo lang ze niet tegengesproken worden. Kritiek verdragen ze slecht, dat merk je aan de gespannen stilte die er valt wanneer je ze afwijst of de razende woede waarin ze dan terecht komen. Het zijn de mensen die je jaren later nog iets kwalijk kunnen nemen. Het zijn vaak ijdele mensen die zichzelf graag horen spreken.

Allemaal wijze woorden in zwart-wit verpakt tot verstandige volzinnen samengesmolten. Maar ja, wat hebben we eraan? We herkennen ze vaak pas als de leugen al regeert of als het kwaad reeds geschied is. Nou ja, in ieder geval toch goed om er nog eens nuchter tegenaan gekeken te hebben, we leren er altijd iets van. Bij volgende verkiezingen weet Marc Rutte alvast waar het zetelverlies aan ligt, wordt de volgende Tour de France gereden op een bruine boterham met kaas en zakken pathetische leugenaars hopelijk definitief onderuit.

vrijdag 4 januari 2013

De bezem erdoor!

Soms voel je dat de kluit belazerd wordt, maar je krijgt er de vinger maar niet achter. Zo ook in onze inzet als Boze Masters om te komen tot ‘opener’ Nederlandse Kampioenschappen Masters binnen internationale regels en door iedereen omarmd. We kregen vrij snel in de gaten dat ‘voorzichtig uitgedrukt’ ons eigen Platform niet verstandig had geadviseerd aan de Atletiekunie. Maar het wordt nog erger, blijkbaar is er vanuit datzelfde Platform ook nog eens verkeerde informatie verstrekt. Watergate op Sportcentrum Papendal, Diederik Stapel-affaires binnen ons eigen Bondsbureau!

Op 7 november 2012 wordt op de website Atletiekunie gepubliceerd dat het NK-weekend Masters werpvijfkamp, kogelslingeren en gewichtwerpen verdwijnt en gesplitst wordt ondergebracht bij NK Baan en NK Meerkamp. Verder de drastische maatregel dat de 5-jaar-leeftijdsklassen plaats moeten maken voor drie nieuwe clusters (35-49jr, 50-59jr, 60+jr). Tijdens een stroperig overleg met het Platform masters op woensdagavond 12 december 2012 op Papendal moest het Platform ruiterlijk toegeven dat men een niet al te goed doordacht advies aan de Atletiekunie had gegeven. Maar de ex-voorzitter van het Platform gaf aan die avond nog een bizarre wending. Hij kondigde aan dat er momenteel internationaal overleg plaatsvond om leeftijdsklassen in combinatie met leeftijds-correctie-factoren verder te reduceren. De Atletiekunie had hierop vooruit lopend al voorstellen gedaan om in de (nabije) toekomst uiteindelijk te komen tot één masterklasse (35 t/m 100+). Het leek ons als ervaren rotten een compleet ridicuul voorstel, je zou dan immers met hulp van een computer na de series moeten gaan berekenen wie er in de finale komt. En uiteindelijk zou degene die dan ook nog als zesde finisht Nederlands kampioen kunnen worden.

Vele masters hebben vervolgens fel gereageerd op de gewraakte aanpassingen per telefoon, brief, mail of sociale media. Ook de atletiekverenigingen zagen de bui al hangen en steunden hun eigen kader en trainers in dat protest. In een antwoord van de directie Atletiekunie aan die verenigingen staat te lezen: ‘De mogelijkheden van het toepassen van agegrading worden in een breed kader, ook in mondiaal verband, nader onderzocht’. Heej, dat had die ex-voorzitter ook al gezegd, blijkbaar was de directie dus ook op de hoogte van dat internationale complot tegen leeftijdsindeling van masters.

Hoog tijd dus om op onderzoek te gaan, maar waar begin je aan, hoe kom je daar achter? Want man en paard worden natuurlijk niet genoemd, ja, die ex-voorzitter was erbij betrokken. Via enkele internationaal ingevoerde sportverslaggevers werden de organisaties van European Veterans Athletic Association (EVAA) en World Masters Athletics (WMA) gesondeerd. Naast gefronste wenkbrauwen en terechte verbijstering bleek uit niets dat leeftijdsindeling en correctiefactoren een thema waren. Dan maar een bescheiden en directe vraag richten aan de hoogstverantwoordelijken van WMA, EVAA en Atletiekunie. Het wordt stil, wachten wordt op zo’n moment erg pijnlijk, sommigen zeiden ‘hou er toch mee op’, een ander schreef ‘stop toch met dat geklets’, maar er kwam geen antwoord. Na enig aandringen blijkt dat er terdege internationaal overleg is geweest, maar dat men nog niet reageert in afwachting op een nader besluit van de Atletiekunie!!?? Wel hebben we inmiddels zwart op wit dat er geen wijzigingen te verwachten zijn binnen WMA-EVAA ten aanzien van leeftijdsindeling en correctiefactoren. We hadden nooit anders verwacht, maar toch een geruststelling.

Intussen wrijft de manager wedstrijdorganisatie in de (sociale) media nog wat meer zout in de wonden. Door de druk vanuit de masters worden de leeftijdsclusters bij de wegatleten onmiddellijk teruggedraaid, hèhè, die hebben we alvast stil. De baanatleten moeten nog wachten, jaja, tweedracht maakt macht! Voor het NK-indoor wordt niets teruggedraaid, men (??) is immers tevreden met vier leeftijdsclusters. Wat een onzin, praat maar eens met onze 70-plussers. En voor het seizoen 2013 blijven de drie gewraakte leeftijdsclusters gewoon gehandhaafd, lekker dan! En daarna zullen we wel voor 2014 een en ander heroverwegen, ik neem aan dat die analyse inmiddels reeds klaarligt. De ware aap komt pas echt uit de mouw als hij laat optekenen: ‘Sommige categoriën zijn te mager bezet, daar moeten we van af’. Maar ga zelf nu eens de uitslagen van het ‘echte’ NK bij de dames en heren analyseren. Hoeveel onderdelen zijn hier sterk bezet? Bij welke onderdelen was hier sprake van een waardig kwalitatief hoogstaand kampioenschap?

Dat noopt een stelletje ouwe mopperkonten tot een dringend advies. Wil de Atletiekunie haar sport echt stimuleren en opstuwen naar Olympische deelname? Vergeet dan zeker niet het voorland en het achterland te cultiveren. Het voorland, onze jeugd, moet alle gelegenheid krijgen met ‘alle’ Olympische disciplines kennis te maken. En dan liever tien kampioenschappen teveel om alle potentiële talenten die kans te bieden en te scouten. Maar ook dat achterland, wij masters, zijn van groot en onderschat belang. Daar hou je het kader immers vast, daar zitten de trainers en coaches. Die zelf nog fanatiek bezig zijn met hun favoriete onderdelen, die zich blijvend verdiepen in nieuwe technieken en dat overdragen aan de jeugd.

Alleen die combinatie van het langer doorgaan in ‘alle’ leeftijdscategoriën over de volledige breedte van ‘alle’ disciplines zal voor de atletiek dat gewenste Olympische rendement opleveren.

En die starre en stompzinnige besluiten vanachter een bureau. Ach directie, de bezem erdoor!