woensdag 30 november 2011

A.V.Dysneicetus

Soms lees je dingen waarvan je denkt ‘verdomd, dat had ik zelf kunnen schrijven’. Dit keer gaat het over de oude antieke spelen. Een verhaal over de eerste Olympische spelen op de berg Olympus in het nu zieltogende en bijna failliete Griekenland. We hebben enkele jaren geleden een rondreis gemaakt langs die oude antieke stadions. Marijke was me geregeld kwijt als ik weer zat weg te dromen op die stenen tribunes. Natuurlijk moest ik afpassen of de lengte van het stadion ook wel 192 meter was. En ik kon me niet beheersen om beide armen omhoog te strekken bij het overschrijden van de finish. Applaus belemmerde mijn denkproces. Duizenden klappende handen glijden als een warme douche over me heen. In een waas zie ik een dikke man in een smetteloos wit kleed naderen. Hij drukt me een groen lauwerkransje op de kale kruin. Iemand pakt me bij de hand, het is Marijke die voor me staat:’heej dromer, kunnen we weer verder’.
Heerlijk, lees onderstaand verslag van twee dagen Olympische spelen en oordeel zelf.

De tweede dag
‘Op Uw plaatsen...!’ De scheidsrechter in zijn purperen gewaad en een krans van laurierbladen om het hoofd, heft zijn hand omhoog. Vier atleten, volledig naakt, staan klaar om elkaar te bestrijden op het 'stadion' , een hardloopwedstrijd over ruim 192 meter, de lengte van het stadion. Elke vezel in hun lichaam is gespannen. Op de stenen banken langs het stadion houden vele duizenden Grieken de adem in. Het gouden beeld van Zeus, vlammend in de zonnestralen, ziet neer op dit grootse gebeuren.
'Af!' Vier lopers schieten als bliksemschichten uit de startdrempels. Ineens is het stadion een orkaan van lawaai. De aanmoedigingen barsten los. Iedereen wil dat de atleet van zijn stad de overwinning zal behalen. Die zal dan de olijftakken om zijn slapen krijgen, zijn beeltenis zal in marmer gehouwen worden en misschien zullen de Spelen naar hem worden vernoemd. Het is Talaus die een kleine voorsprong neemt. Talaus komt uit Sparta. De aanmoedigingen zijn oorverdovend en het is niet moeilijk te raden uit welke hoek de toejuichingen komen. De Spartanen schreeuwen, gillen, tieren. Ook Talaus zelf laat zich niet onbetuigd. Hij loopt alsof Hades, de God uit de onderwereld, hem op de hielen zit. Hij moedigt zichzelf aan met luide kreten, misschien ook wel om zijn tegenstanders angst aan te jagen. Maar dan komt een tenger ventje naar voren. Het is Scopias van Thebe. El voor el wint hij op zijn tegenstander. Slechts enkele ellen scheiden hen nog van de eindstreep. Dan werpt Scopias zijn schoudertjes naar voren en gooit als het ware zijn tenger lijfje over de eindstreep. Languit schuurt hij over het zand. Maar hij voelt niets van dit alles. 'De zege is voor Scopias van Thebe...!' Wat een eer voor deze atleet. Hij knielt voor het altaar van Zeus en veegt het stof uit zijn gezicht.

De derde dag
Vandaag is het de dag van het pentatlon, de vijfkamp. Dysneicetus uit Croton staat klaar om de discus te werpen, een platte, afgeronde schijf van ongeveer 4 kilo. Het machtige bovenlichaam iets naar voren gebogen zwaait hij enkele keren met zijn armen voor- en achterwaarts. De snelheid van de beweging wordt steeds groter. Het stadion houdt de adem in. Ineens draait hij als een wervelwind in de rondte en met een zoevend geluid vliegt de discus uit zijn hand. De scheidsrechters snellen toe om een stokje te plaatsen op de plek waar de discus is neergekomen. 'Vijfennegentig voet,' wordt bekendgemaakt. Daverende bijval van de tribunes. Niemand zal de man uit Croton overtreffen, dat is vrijwel zeker. Dysneicetus staat klaar voor het tweede onderdeel van het pentatlon, het verspringen. Ineengedrongen staat hij daar, één bonk spieren. Er klinkt fluitspel. De man heeft in elke hand een brok lood van 4 kilo. Zijn vingers steken door gaten in het lood. Dan komt de aanloop. Als een adelaar zweeft hij door de lucht. De handen worden met een ruk naar voren gegooid. De brokken lood moeten hem de snelheid geven om te kunnen vliegen. De fluitspeler ontlokt schrille tonen aan zijn instrument. Met een duidelijk hoorbare plof landt Dysneicetus in het zand. Zijn afstand is genoeg voor een derde plaats, naar later zal blijken. Nu omknelt de rechterhand van Dysneicetus de essenhouten speer. Staat hij niet bekend als de man die de speer verder kan werpen dan wie dan ook in Croton? Met de linkerhand veegt hij liefkozend langs de metalen speerpunt. Dan knielt hij op één knie. Het is alsof hij bidt tot zijn goden. Dan komt hij overeind, zwiept het prachtige naakte lichaam als een veer naar achter en met een fluitend geluid doorklieft de speer de lucht. Trillend blijft hij in de grond steken. Honderdnegentig voet! Zijn tweede overwinning in de vijfkamp is een feit. Nog één overwinning scheidt hem van de absolute zegepraal. Daarvoor zijn drie overwinningen nodig. Er resten nog hardlopen en worstelen. Zal het hem lukken?

In zijn hart weet Dysneicetus dat hij zich niet meten kan met de razendsnelle atleet Scopias uit Thebe. Een vage hoop heeft hij echter nog steeds. Maar Dysneicetus wordt royaal verslagen door de man uit Thebe. Nu staat hij tegenover Simonides uit Keon, zijn tegenstander bij het worstelen. De huid van Dysneicetus glanst van de olie. Zijn tenen krommen zich in het zand en loerend draait hij om Simonides heen om een zwakke plek in diens verdediging te vinden. Simonides is waakzaam. Niet voor niets is hij kampioen van Keon. Bovendien is hij zwaarder gebouwd dan Dysneicetus, hoewel die weer het voordeel heeft dat hij iets langer is. Dan klinken luide kreten. Als twee beren stormen de twee mannen op elkaar in, tastend naar houvast aan elkaars lichaam. Het is één glibberig gekronkel van armen en benen. Het stadion staat op zijn kop! Het lawaai moet tot in Elis te horen zijn! Plotseling schiet de linkerarm van Dysneicetus onder de oksel van Simonides door om vervolgens als de arm van een inktvis weer terug te komen over de schouder, onder de kin van Simonides. Even kan deze zich staande houden. Hij probeert zich te ontworstelen aan de klemmende greep van Dysneicetus. Vergeefs, hij gaat languit! Hij ligt op zijn buik en voelt de knie van zijn tegenstander op zijn rug. Hij kan geen vin meer verroeren. De strijd is gestreden.

De drie overwinningen voor Dysneicetus betekenen de absolute overwinning in het pentatlon. Als één man rijzen de toeschouwers van hun zitplaatsen. Vergeten is de kwelling van de miljoenen muggen en vliegen, die het leven op de tribunes bijna ondraaglijk maken. Er is een held te bejubelen: Dysneicetus, de man uit Croton. De olie- en zandlaag wordt met sikkelvormige schrapers van zijn huid gekrabd. Hij hoort ternauwernood het oorverdovend lawaai van de duizenden. Hij is triomfator in het pentatlon. En daarvoor dankt hij Zeus!
[mijn dank gaat naar: http://jvpoll.home.xs4all.nl/wdo/GRIEKEN/SPORT/OLYMP.HTM]

Dat moet toch geweldig geweest zijn, en wees nu eerlijk. Als je nog een naam zoekt voor een atletiekvereniging, wat dacht je van Dysneicetus. De naam is een beetje lang, doet een beetje denken aan Disneyland, maar wat een atleet. En helaas, Scopias is al vergeven, je weet nog wel, dat tengere hardlopertje.

zondag 20 november 2011

Hoe is het ermee


Goedemorgen lieve weblog, hoe is het ermee. Nee, ik was je niet vergeten, hoogstens 'n beetje verwaarloosd. Geen excuus, slechts een korte uitleg. Afgelopen periode hebben we het erg druk gehad. Na een maandje zonnen aan de Côte d'Azur, gevolgd door 'n maand intensief atletieken zitten we nu alweer drie weken in Varaignes. Een pittoresk dorpje in de Perigord Vert, de noordpunt van de Dordogne. Voor schrijven ontbreekt dan vaak de tijd, vooral ook door het afwerken van mijn boek 'Historiek van de familie Titulaer'.

Maar natuurlijk was er inspiratie genoeg, het leven confronteert je iedere dag opnieuw weer met zorg, plezier, ergernis, belachelijke voorvallen en gelukkig een schaterlach. Komende winter ga ik me weer concentreren op mijn geliefde atletiek, specifiek de werpvijfkamp en op mijn voorbereiding op het komende seizoen. Ik hoop 65 jaar te worden, dat betekent een nieuwe klasse en een nieuwe uitdaging. Natuurlijk wil ik weer zo hoog mogelijk op de 'bestenlijsten' komen.

Marijke heeft in Frankrijk wat filmpjes gemaakt, waarop te zien is dat ik niet heb stilgezeten. Er moet elke dag wat gedaan worden. Het weer in Frankrijk werkte mee. Maar komende week gaan we terug naar huis, de camper gaat in de winterstalling . .

donderdag 29 september 2011

Merovingische hutkom gevonden in Blerick

Heb je het ook gelezen? Op het kazerneterrein in Blerick is een bijzondere vondst gedaan. Een zogenaamde Merovingische hutkom uit de vijfde eeuw. Archeologen vonden een verkleuring in het zand die bewijst dat er toen een klein gebouwtje heeft gestaan. Volgens de gemeentearcheoloog is het een topvondst, die erop wijst dat het gebied al in de vijfde eeuw permanent werd bewoond. Dit maakt de kans dat er ook een Romeinse nederzetting wordt gevonden misschien wel groter. Nederzettingen uit de vroege middeleeuwen werden namelijk vaak gebouwd bij eerdere Romeinse nederzettingen.

De Merovingen behoorden tot een dynastie van Frankische koningen, die een regelmatig veranderend gebied in delen van het huidige België, Frankrijk en Duitsland regeerden van de 5e tot in de 8e eeuw. De Merovingische dynastie dankt zijn naam aan Merovech, een min of meer legendarische koning van de Salische Franken van 447 tot 457. De hoofdstad van het rijk was tot 486 gelegen in Doornik. Sinds wanneer dit het geval was is onduidelijk. Onder de Merovingen kreeg langzaamaan het middeleeuwse feodalisme gestalte, onder andere door het aanstellen van hertogen die verantwoordelijk werden voor het regeren, verdedigen en rechtspreken in delen van het Frankische koninkrijk. De Karolingen onttroonden de Merovingen in 751, toen Pepijn de Korte de Frankische edelen achter zich kreeg en de laatste Merovingische koning, Childerik III, afzette. De woonhuizen van een Merovingische nederzetting waren circa 6 bij 10 meter en bezaten enige vertrekken om een ingangshalletje met de deur in de lange gevel. Het schilddak rustte op twee nokbalkdragers midden in de plattegrond en de wanden bestonden uit vakwerk met een vulling van leem. De grote woningen waren omgeven door kleine verdiepte hutkommen van 3 bij 4 meter.

Al sinds het begin van onze jaartelling was Blariacum, het huidige Blerick, een waarschijnlijk onbeduidende Romeinse nederzetting bij een kruispunt van wegen. Blariacum staat vermeld op de alom bekende Peutinger kaart (Tabula Peutingeriana). Op de route Atuaca (Tongeren) - Noviomagi (Nijmegen) vermeldt de kaart tussen Catualium (Heel) en Ceuclum (Cuijk) de plaats Blariacum (Blerick). Er was een verbinding over de Maas met Sablones, waar de verbindingsweg liep tussen Coriovallum (Heerlen) en Colonia Ulpia Traiana (Xanten). Er is een krampachtige discussie aan de gang of Sablones het huidige Venlo of het Duitse Kaldenkerken was. Want die van Venlo willen ook wel graag ‘meer historische’ bekendheid. Eigenlijk wat vreemd, want ze hebben alle mogelijke sporen inmiddels uiterst degelijk gesloopt. Sablones betekent overigens zand, en totdat het sluitende bewijs geleverd is, zand erover!

Er is wel veel onderzoek gedaan door Günther Nonninger (Leuth) en Harry Bouten (Panningen) naar Romeinse aanwezigheid in onze regio. Zij zijn van mening dat er in Leuth een Romeins legerkamp is geweest, ergens in het achterland van de Leuther Mühle. Dit feit en het Venlose Jaomerdal hebben volgens hen een tragische verbinding. Door het Jaomerdal liep een lange weg, die vanaf het hoge plateau - waar nabij Leuth een groot Romeins kamp gelegen was - in het Maasdal voerde naar de doorwaadbare oversteekplaats bij Swalmen. Toen het vertrekkende 14e legioen van Julius Caesar in het jaar 54 voor Christus door dit dal trok, werd het in een hinderlaag gelokt, overvallen en grotendeels uitgemoord door Ambiorix, de leider van de volksstam Eburonen. Het is tevens de eerste keer dat in oude teksten een precieze beschrijving gegeven wordt van de nood van de duizenden soldaten die gewond achterbleven op het slagveld. Letterlijk schrijft Julius Caesar de berichten van de weinige overlevenden van de slag in zijn boek De Bello Gallico: 'Het was een geschreeuw en gejammer in het dal'. En ook hier zou het hulpgeroep en gejammer van de gewonde soldaten dagenlang tot in de verre omtrek te horen zijn geweest, waardoor ook dit dal zijn naam kreeg. Maar waarom staken ze niet over van Sablones naar Blariacum?

Na (waarschijnlijk) de bescheiden Romeinse nederzetting en de Merovingen bleef het kazerneterrein in Blerick erg in trek. Rond 1450 was er een Venloos verdedigingswerk op de westelijke Maasoever, achter veerhuis De Staay, op de plek van de huidige kazerne. Het was niet meer dan een houten palissade. Rond Venlo werd een gordel van bolwerken en grachten aangelegd. De soldaten waren toen veelal bij de burgerij ingekwartierd.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog deed Willem van Oranje in 1572 als eerste een poging de stad Venlo te veroveren op Filips II van Spanje, maar deze poging mislukte. In 1597 deed diens zoon, Maurits, op 12-jarige leeftijd opnieuw een poging. Dit keer lukte het wel en werd Venlo ingenomen.

In 1585 werd op de westelijke Maasoever een hoornwerk aangelegd, een ‘buitenwerk’ bij een vesting. Dit hoornwerk, bestaande uit een schans met wachthuis, deed het jaar daarop dienst als uitvalsbasis bij de belegering door Alexander Farnese, hertog van Parma in dienst van de koning van Spanje.
In 1632 veroverde prins Frederik Hendrik (de Stedendwinger), tijdens de Tachtigjarige Oorlog, Venlo op de Spanjaarden. In 1637 verloor hij de stad, na een lange en zware belegering, weer aan dezelfde Spanjaarden. Deze Spanjaarden wilden de stad beter kunnen verdedigen. Hoewel er sinds de zestiende eeuw al een aardige verdedigingsstructuur aan de Maaszijde bestond, het Steenen Bolwerck, werd toch besloten om aan de overzijde van de Maas een fort te bouwen. Fort Sint-Michiel was dat nieuwe fort en werd genoemd naar de aartsengel Michaël, die in het hoofdstuk Openbaringen van de bijbel oorlog voert tegen Satan en beschermer is van het vrome Israël. De bouw van Fort Sint-Michiel startte in 1641 op Michielsdag, 29 september. Op de dag dat ik dit schrijf dus exact 370 jaar geleden. In 1646 deed Frederik Hendrik een poging om het fort en de stad Venlo wederom in handen te krijgen.

Uit de achttiende eeuw dateren enkele rapporten die zich negatief uitlaten over de kwaliteit van Fort Sint-Michiel. Het fort lag te ver van de Maas, was daardoor relatief eenvoudig door de vijand in te nemen, waarna het juist als uitvalsbasis tegen de stad kon worden gebruikt. Daarom werd in 1831 tussen Fort Sint-Michiel en de Maas het aarden Fort Leopold aangelegd. Diverse Blerickenaren, waaronder mijn voorvaderen, werd hiertoe de grond afgepikt, gewoon gestolen. Ik wacht nog steeds wanneer dit wordt teruggegeven.

Op de sporen uit het verleden van het kazerneterrein in Blerick moet in de toekomst onder meer het nieuwe stadion van VVV komen. Wordt er toch weer gevochten aan de Blerickse kant ter meerdere eer en glorie van Venlo, of Sablones . . . zand erover.

woensdag 21 september 2011

Tango van het blote kontje

Toon Hermans heeft ooit een prachtig liedje gezongen: ‘de tango van het blote kontje’, al twee dagen speelt dat door m’n hoofd. Maar eerst een stukje tekst uit dit geinige liedje:

Het valt me op dat billen op elkander lijken
Vooral wanneer je ze wat langer kan bekijken
Er zijn er bij die lijken uitgesproken geinig
Er zijn er andere, die zeggen mij maar weinig
Ik vind dat billen ook iets hebben van gezichten
Je ziet meteen of ze neven zijn of nichten
En ik zag twee trieste billen in het water staan
Van waarom komt hier nou nooit eens iemand aan
Ik ben niet kritisch, maar de meeste billen hangen
Of ze hebben van die rare kreukels in de wangen
Je hebt belegen billen en ook hele blitse
En chagrijnige mensen hebben van die spitse


Marijke en ik hebben al twee keer een wandeling gemaakt over het prachtige strand van St.Aygulf. En of we dat nu willen of niet, we moeten daarbij over een naaktstrand, zeker om bij die strandbar verderop een lekker koel rosé-tje te nuttigen. Nou, afgezien dat het niets om het lijf heeft, vond ik dat naaktstrand maar een treurige bedoening. Zie je op het ‘normale’ strand fleurige parasols, strandlakens en badpakken, op het naaktstrand niets van dat alles. Zie je op het ‘normale’ strand vrolijk keuvelende mensen, op het naaktstrand allemaal ernstige gezichten. Het lijkt wel alsof ‘naakt op het strand’ een ernstige bezigheid is.

Wat me meteen opviel was het te hoge percentage aan oudere alleengaande mannen. Trouwens die paar blote dames waren ook al tamelijk 'oud belegen'. Maar eerst die mannen. Nou, geen esthetische aanblik. Op de plaats waar we toch graag van die ‘sixpacks’ zien, bevonden zich uitsluitend en alleen van die ‘beertenders’. En dan met van die verfrommelde tapkraantjes eronder. Wat meteen opvalt is dat al die blote mannen zich compleet kaal scheren. Eerst dacht ik ‘wat een gedoe’, maar na een paar van die beertenders wist ik waarom. Het is natuurlijk om dat tapkraantje wat meer vrij te maken en iets meer geprononceerd naar voren te brengen. Want het stelde niet veel voor. Misschien door de ouderdom of door het alleengaan, maar de tapkraantjes leefden een nogal teruggetrokken bestaan. En wat je vaker hoort van oudere mannen klopt ook! Het patroontasje is meestal langer dan het geweer. Nou laten we in dit geval zeggen, het waterpistooltje. En dan stonden ze ook nog met de handen wat nonchalant op de heupen. Niet zoals wij dat normaal plegen te doen, nee, de handen ietsjes meer naar achteren geplaatst. Dit om de beertender met aftappunt iets meer naar voren te drukken. De te ernstige blik daarbij niet naar de prachtige Middellandse Zee gericht, nee, op de slordig op het hete strand uitgestalde hoop blootjesvolk. Sommigen met het aftappuntje in het zand gedrukt, anderen op de rug liggend, daarbij het aftappuntje ongegeneerd scheef over het patroontasje hangend. Je kon zo zien wie er links- dan wel rechtsdragend was. Maar ik was blij dat we eindelijk ons terrasje bereikt hadden, en gerustgesteld dat de rosé uit een normale fles uit de koelkast kwam.

Op de onvermijdelijke weg terug flaneerde een oudere dame voor ons uit. En ik moest weer denken aan dat liedje van Toon Hermans. Verdomd, die billen hadden echt iets van een gezicht. Onmiskenbaar was voor dit gezicht een ooglidcorrectie geen overbodige luxe. De vrouw was te bruin en de billetjes waren te flodderig. Ik moest glimlachen, om beurten kwam een wit halvemaantje tevoorschijn onder de billetjes. Ze leek wel ondeugend te knipogen. De oudere dame draaide zich om, en een compleet ander gezicht keek me aan. Onmiskenbaar een vrouw met twee gezichten. Hier leken de ogen een beetje op van die bruine washandjes waar nog een vingertopje uitstak. De oogjes wiegden een beetje op en neer en keken overduidelijk naar een wat lager gelegen plekje. Normaal zou je dat erogeen moeten prikkelen, maar dan zou het iets meer moeten weg hebben van een poes of een sappige perzik. Dit had meer het gehalte van een kale kippek . . . . . .

Hèhè, gelukkig, net op tijd arriveren we weer op het ‘normale’ strand. Waar een aantal jongelui voorbereidingen treffen of bezig zijn met kite-surfen. Dat is pas echte sport, en ongetwijfeld bedekken de wetsuits van die strakke sixpacks. Ik krijg weer zin in kogelslingeren of gewichtwerpen. Maar die liggen thuis in Baarlo! Ik denk nog aan mijn 42,40m en 17,17m! Wij genieten van het mooie weer, de sportende jeugd en denken aan dat andere liedje van Toon Hermans

‘Mediterannée . . . zo blauw . . zo blauw’.

maandag 5 september 2011

Frits vs Kim Jong-il : 18-0

Afgelopen zaterdag was het vroeg uit de veren, onze kleindochter moest voetballen met SV Blerick tegen de Venlosche Boys en dat wilden we zeker niet missen. We waren al opgewarmd, want het grote Oranje had de avond tevoren voetbalgeschiedenis geschreven, we hadden gewonnen met 11-0 in de EK kwalificatiewedstrijd tegen San Marino. Ik had er zelfs al van gedroomd, euforisch zag ik die van SVB die ‘van de andere kant van de brug’ vernederen. Kinderen leren snel en ik zag mijn kleindochter de ‘bananenbal’ van Wesley Sneijder perfect kopiëren. Samen met Marijke op de fiets van Baarlo naar sportpark ‘t Soarbrook in Blerick was de perfecte voorbereiding. Het was schitterend weer en de opkomende zon boven de laaghangende mist boven de Maas tussen Baarlo en Blerick was mystiek veelbelovend.

We zetten de fietsen op slot en onze schoondochter wuifde al waar we moesten zijn. ‘Hoi, hallo, goeiemorrege . . . ‘. Net geïnstalleerd aan de zijlijn horen we ‘potverdomme, 1-0 voor Venlosche Boys’. Al snel gevolgd door 2-0 en 3-0. Hoe abrupt en hoe afgrijselijk kunnen dromen en werkelijkheid uit elkaar gerukt worden. Het was geen wedstrijd en het had in mijn optiek ook niets met sport te maken zoals sport bedoeld is. Een paar egoïstische straat-dribbelaartjes van Venlosche Boys negeerden om beurten hun tegenstanders, ja zelfs hun eigen teamgenootjes en slalomden de bal vernietigend in het doel van ons SVB. Het waren ook volgens mij de enige twee die plezier hebben beleefd aan dat wat eigenlijk nooit een wedstrijd is geworden. De Blerickse supporters bleven tegen beter weten in aanmoedigen, en naarmate het scoreverloop dramatische vormen aannam groeide er ook wat kritiek. Onterecht overigens, want er waren er maar twee die echt konden voetballen. De rest toonde hun goeie wil, hield het potentiële talent kennelijk voor ons verborgen en moest gewoon nog erg veel leren. Ik ging eens bij de supporters van de tegenstanders staan, niet dat ik me schaamde of bij de betere partij wilde horen of zo. Nee, gewoon even proeven hoe de beleving aan de andere kant was. Nou, het bleef netjes, maar ze bleven hun team wel onnodig opzwepen, daarmee de vernedering groter en het respect voor de tegenstander kleiner makend. Ik moest terug denken aan vroeger, als we op straat ‘een partijtje’ voetbalden en het ene team liep te ver uit dan werd er spontaan uitgewisseld. Gewoon een paar sterke spelers uit het bovenliggende team uitwisselen met het team dat achterstond. Dat leverde uiteindelijk een evenwichtig partijtje op, waaraan iedereen met plezier deelnam. Maar al te vaak werd de winnaar bepaald door ‘die de laatste goal maakte’. Nu weet ik wel dat je dat moeilijk kunt doen tussen SVB en Venlosche Boys . . . . maar waarom eigenlijk niet? Dit was gewoon een zwaar ongelijke strijd, had in mijn optiek daarom niet veel met sport te maken.

Plotseling realiseerde ik me hoe dicht ik me fysiek bevond bij mijn vorige blog van 12 augustus. Ik zei tegen Marijke: ‘zie je daar die rij struiken, daar liep vroeger die beek die ik 54 jaar geleden over sprong van SVB naar het atletiekveld van Festina’. Ik was dan ook niet meer tegen te houden en moest gaan zoeken naar sporen uit dat verleden. De twee hoogspanningsmasten bleken de enige herkenbare getuigen. Achterop een van hen had altijd Festina gestaan met grote witte letters, en als ik met de trein uit Eindhoven kwam gaf dat altijd een goed gevoel van 'bijna thuis’. En verdomd, onder de zwarte verflaag kon je dat Festina nog voelen. Even een foto maken. Hier moet ongeveer het clublokaal hebben gestaan, daarginds lag de Demka en verderop langs de spoorlijn de ring voor kogelslingeren. Onvermijdelijk moest ik terugdenken aan Frits Vaessen, mijn allereerste trainer. Al eerder schreef ik een blog over hem, en even mijmerde ik weg in de tijd!

Als we met de fiets naar 't Saorbrook gingen stond Frits ons al op te wachten. Dat gaf je meteen dat goede thuisgevoel, Frits had al een rondbaantje uitgelegd in het hobbelige gras met tomatentouw en tentharingen, de training kon beginnen. Ons clublokaal, nou ja, het was een laag-bij-de-gronds afgeschreven oud kippenhok met pannendak dat wat hoger geplaatst was op een muurtje van die grote grijze betonstenen. Je kon nog duidelijk zien waar de kippen destijds in- en uitliepen. We hadden geen stromend water, wel een handpomp waarmee je het donkerbruine moeraswater kon promoveren tot wasgelegenheid. Er was geen elektriciteit, maar een paar heuse olielampen zorgden voor enige verlichting waar en wanneer dat gewenst was. Middenin het enige vertrek stond een oude potkachel tegen een gemetselde schoorsteen, hij zal niet vaak gebrand hebben, maar Frits Vaessen zorgde er toch wel voor dat 'zien jônges' zich konden warmen als het buiten guur en koud was. Op de vloer lagen trottoirtegels en langs de wanden stonden banken en stoelen. Romantiek? Ik kan me nog herinneren als we ‘s winters na een bostraining in de Wielder terugrenden naar ons clublokaal. In het stikkedonker wees het fletse licht van de olielamp de juiste looprichting over de ongelijke en zijknatte grasmat, binnen was het warm en rook het naar houtvuur, vermengd met dennenappels. Na afloop dicht in buurt van Frits blijven fietsen tot op de Nieuwborgstraat, daarna mocht ieder z'n eigen weg gaan.

Er wordt bij ons thuis gebeld, ik ren naar de voordeur. Frits staat met z'n fiets voor de deur, zijn zoon voorop in het kinderstoeltje. 'Aahh Frits . . . maaaamm, Frits is ter', mijn moeder pakt snel de portemonnee uit de keukenla en loopt naar de deur. Frits heeft al het juiste oranje lidmaatschapskaartje bovenop liggen, mijn moeder betaalt de contributie en krijgt een klein oranje strookje als overtuigend bewijs voor mij. Gelukkig, komende maand kan er weer getraind worden, 'Hojje Frits, tot zôndaag'.

Zo’n twee jaar geleden, nieuwjaarsreceptie bij Scopias. Ik ben na bijna 25 jaar weer enkele maanden terug op het oude nest. Natuurlijk schuiven we in no-time aan bij Frits, geen woord over ‘fijn dat je weer terug bent’, nee, bij Frits is atletiek tijdloos en vriendschap cluboverstijgend. Ik voel me echt gegêneerd als ik naar voren wordt geroepen om voor een Nederlands record bij de M60 een gigantische wisselbeker overhandigd te krijgen van de voorzitter. Nog met het schaamrood op de kaken loop ik terug naar de staantafel, krijg een dikke zoen van Marijke, zet de beker op tafel en Frits fluistert in m'n oor: ‘Dae is ouk ein bietje van mich’. Ik sla een arm om zijn schouders en knik ‘Jaooh‘. En even staan we zo samen te genieten, niet van die overmaatse beker maar van wat echte atleten samen kan verbinden.

Met een schok keer ik weer in de realiteit en wandel terug naar het voetbalveld. Het is inmiddels 17-0 en nog net op tijd ben ik getuige van de 18-0, de definitieve eindstand. Onderweg naar huis moet ik nog denken aan Frits. Altijd wist hij iedereen te motiveren, niemand stond bij hem aan de zijlijn, atletiek kent te veel disciplines en iedereen was wel ergens goed in. Frits zorgde dat je er echt bij hoorde, kraakte je nooit af en is een van de belangrijkste factoren dat ik nog steeds actief aan atletiek doe.

Maar de atletiekwereld om me heen is sterk veranderd, te vaak waart een ijzige Kim-Jong-il-geest rond. Te vaak heerst er een Noord-Koreaanse sfeer in sportclubs, vaak veroorzaakt door etterige machtspelletjes. En wat denk ik dan vaak met weemoed terug aan dat thuisgevoel dat Frits voor iedereen bij Festina wist te creëren.


Potverdomme, wat een fijne mens!

dinsdag 9 augustus 2011

Meer verstand van verzekeren

Afgelopen zondag 7 augustus was een baanwedstrijd in Turnhout. Het is een stukje rijden, maar zeker voor ons werpers heb je dan ook wat. Altijd perfect georganiseerd, goeie jury, goedlopende wedstrijd omdat die Belgen werken met bordjes en natuurlijk zes pogingen. De sectoren liggen er keurig bij en er wordt in oplopende volgorde van opgegeven afstand geworpen. Beter kan het niet, we proberen dat vaker in eigen land uit te leggen op die plekken waar het niet goed loopt. Voor de omstandigheden zou je eigenlijk alleen nog wedstrijden in België en Duitsland moeten doen, maar ja, je wil je geliefde handwerk zo graag in eigen land promoten. Maar zo langzamerhand word je van dat aanpolderen met die verzekeringsagenten toch wel ontzettend moe.

Maar het was dus een leuk wedstrijdje met de dames erbij, gezellig samen op ’n rijtje dichtbij de werpkooi, allemaal in onze zelf meegenomen stoeltjes. Broodje op de vuist, een koelbox met lekkers en het weer werkte niet eens tegen. Met kogelstoten probeer ik op te letten wat Wim ons geleerd heeft en Jan wijst er nog eens op ‘je moet je been verder onder je trekken’. Natuurlijk heeft hij gelijk, maar ja, het lijf wil niet meer. Mijn slechte knie, het gemis aan dat stukje looptraining, we worden wat stijver en wat trager. Ik loop even naar Frans, die aan de zijkant een sigaretje staat te paffen. ‘Snap er niks meer van Frans, maar ik stoot geen 12 meter meer, waar ligt dat toch aan?’. Frans trekt eens stevig aan zijn peuk, kijkt me aan met een blik van ‘kan ik hem dat wel zeggen?’, trapt zijn peuk uit en mompelt onder het weglopen ‘een paar jaar geleje waarde geij nog wat fanatieker!’. Dus daar ligt dat aan? Ik ga op zoek naar mijn meest fanatieke instelling en stap de ring in, vergeet even alles wat er van mijn oude lijf aan technische hoogstandjes verwacht wordt en ‘boeoeoeff’. Met al dat samengeraapte fanatisme duw ik dat ding zover mogelijk van me af. ‘Elf meter negentig’ zegt de jury. ‘Dank je wel’, zeg ik tegen Frans die even z’n neus optrekt alsof hij wil zeggen ‘dat wist ik ook wel’. Zijn vrouw spreekt hem even later vermanend toe, ik kan in het voorbijgaan nog net opvangen ‘waarom weet jij dat wel altijd bij anderen, maar niet bij je zelf’. Een keigoeie vent die Frans.

Van de week hadden we de kleindochter op bezoek. Ze had al zo vaak gevraagd om een keer met me te gaan kogelslingeren. Ik had via Frans bij de bekende ijzerboer in Brabant een kogeltje van drie kilo op de kop getikt, en trots wees ik haar op die prachtig glimmende nieuwe aanwinst tegen de garagemuur. ‘Ooh opa, gaon we noow slingere . . . ‘, en even later sta ik haar in te wijden in de geheimen van het kogelslingeren, zeg nu zelf, wie kan dat beter dan ik. Eerst goed staan, voetjes langs elkaar, rug recht, losjes in de knieën, en die kogel meteen in de ‘draai’ pakken. Alsof ze nooit anders gedaan heeft laat ze kogel prachtig rondzingen en roept ongeduldig ‘nu loslaten opa?’. Nee nee, want eerst zorgen dat ze de armpjes goed gestrekt houdt. Eventjes ontspannen en ritmisch wandelen met die draaiende kogel en natuurlijk die moeilijke eerste draai doornemen. Zo van bij de draai ingaan op je linker hak gaan staan om vervolgens met de rechter voorvoet in te zetten. Wachten, kogel laten lopen, wachten en dan snel bijstappen. Potverdomme, ze doet het ook nog, alleen om het allemaal tegelijk te doen wil nog even niet lukken. Ze weet niet meer van ophouden en gooit met het allergrootste gemak met haar 9 jaar dat ding 20 meter weg. Knap hoe die kinderen dat oppakken wat bij ons absoluut niet meer lukt.

Een paar dagen eerder waren we op bezoek bij een zeer sympathieke oude sportmaat en zijn vrouw van Eindhoven Atletiek. Komende maand wordt hij tachtig, en hij is de enige echte pionier van de werpvijfkamp in Nederland. Zo’n kleine twintig jaar geleden organiseerde hij hier de allereerste werpvijfkamp. Om dat mogelijk te maken moest hij wel uit eigen zak een complete set werpgewichten uit Amerika laten overkomen. Jarenlang hebben we samen in binnen- en buitenland zo’n beetje alle werpvijfkampen bezocht. Maar na twee nieuwe heupen lukt het allemaal niet meer zo goed. Hij traint nog wel een paar keer per week en neemt dan steeds alle vijf de onderdelen nog even stevig door. ‘Lekker in m’n uppie trainen vind ik het allerleukste Jan, met wedstrijd lopen ze allemaal om me heen te zeuren van ‘je-moet-dit-zus-en-je-moet-dat-zo’, maar dat lukt allemaal niet meer’. We hebben verder een zeer boeiend gesprek over het wel en wee van onze atletiek. Groot respect wat die man aan wijsheid heeft vergaard en een schat aan ervaring heeft. Buiten ons tweeën ken ik vanaf nu niemand die zo breed is geïnformeerd over atletiek. Ja, d’r zijn er genoeg die verstand hebben van verzekeren, maar . . .

Twee dagen na zijn verjaardag zijn heeft hij clubkampioenschappen en hij zou dan heel graag in alle stilte op zijn eigen terrein een aanval willen doen op het Nederlands record werpvijfkamp M80. Maar zijn club vindt dat het niet kan, het is allemaal te breed of te smal, past niet in het schema, geen juryleden etc.etc.. Potverdomme denk ik dan, zo’n man die alles voor de club gedaan heeft, altijd een echte topper is geweest en nu ontzeggen ze hem dit. Als een kwajongen weggezet! Stelletje klojo’s, ik ga een clubje juryleden verzamelen en hem zijn droom laten uitkomen, misschien met achteraf nog een klein feestje. Nee Jan, hoor ik een stemmetje zeggen, niet doen, niet mee bemoeien, straks krijg jij weer de deksel op de neus van die verzekeringspiefen.

Zo lig ik wat voor me uit te mijmeren over die afgelopen dagen. Het wordt ook tijd voor mezelf om de balans op te maken. Is er echt iemand die meer weet van atletiek dan ik? Waarom laat ik me dan zo vaak overdonderen door die verzekeringsagenten? Iedereen weet het altijd beter, maar ze maken er wel steeds meer een zootje van. Ja, ik ben eruit. Net zoals m’n oude sportmaat. Lekker blijven trainen op m’n eigen veldje bij Scheuten Glas en dan af en toe een wedstrijdje in België of in Pruusses. Lekker in mijn uppie genieten. Ik ga mijn atletiek memoires schrijven, een ode brengen aan al die prachtige mensen die ik de afgelopen 54 jaar heb mogen leren kennen.

En die verzekeraars, och laat ze maar, die hebben alleen verstand van . . . . . .

dinsdag 2 augustus 2011

Een bijzondere rode roos

Vanmorgen staken we ons keurig in het pak, want dat hoort bij het afscheid van ôzze Jack. Niet voor de buitenwacht, niet voor ‘wat-de-mensen-er-van-zeggen’, maar gewoon voor Jack. Een extra schone zakdoek verdween in de gladgestreken broek, je weet maar nooit. In de afgelopen dagen hebben we ons zelf ervan overtuigd dat het zo goed is, hij was op, hij heeft nu z’n rust, hij is bij pap en mam.

Uiteraard waren wij weer de eersten, in de familiekamer zitten we zwijgend naast elkaar en kijken wezenloos naar een kikkertje in de vijver voor het raam. De familie komt binnen, handen schudden, een lange zwijgende stilte, alleen het kikkertje zorgt alweer voor enige afleiding. Onder de muziek van ‘El condor pasa’ lopen we de aula binnen, zonder om te kijken horen we dat de zaal zich vult. Een schielings nieuwsgierige blik verraadt dat er ook mensen achter tegen de muur moeten staan. Ze hadden allemaal een bijzondere band met ôzze Jack. Een foto met een glimlachende Jack en zijn trom markeren de kist, die voor de rest omzoomd is met een zee van witte rozen.

Het wordt een bijzonder afscheid van ôzze Jack, mien breurke. Een bijzonder mens, een ‘mongooltje’. Direct achter ons zitten zijn vrienden en vriendinnen van het dagverblijf, ook allemaal even bijzonder. Op een groot scherm boven de kist verschijnen foto’s uit het toch wel vrolijke en welbestede leven van ôzze Jack. Een spreker leest voor wat hem de afgelopen week over het leven van ôzze Jack is verteld. Zijn begeleidster vertelt indrukwekkend hoe bijzonder het dagverblijf ruim 40 jaar van ôzze Jack heeft genoten. Zij besluit met persoonlijke citaten van zijn vrienden en vriendinnen. Elke naam en elk citaat wordt begeleid door een even persoonlijke snik, een luide roep of een huilbui. De zaal is ademloos, en ik betrap me erop dat ik veel te hard in mijn schone zakdoek zit te knijpen. Zijn liefste nichtje Ruuth, de dochter van Jacks neef, vertelt met liefde en te ingehouden emotie wat Jack voor haar heeft betekent. Als ze zich richt tot de kist blijkt het ware verdriet om het verlies van haar Jack.

Zijn muziek, die van zijn eigen BZN, zorgt voor de hoognodige onderbrekingen. Goedgekozen momenten om emotioneel even tot rust te komen. Het is zover, we moeten definitief afscheid nemen van de tastbare Jack, alles wat nu nog rest zijn mooie herinneringen hoor ik de spreker zeggen. Iedereen loopt langs de kist, iedereen krijgt de kans om persoonlijk afscheid te nemen. Een bijzonder mens treedt resoluut naar voren. In keurig T-shirt en keurige korte broek, speciaal voor het afscheid van zijn Jack. Hij is bijzonder groot, en zijn te lange armen en slungelige benen maken hem nog meer bijzonder. In zijn zeker niet verfijnde opengevouwen handen houdt hij teder en liefdevol een rode roos. Hij loopt vastbesloten op de kist af, remt kordaat en zijn armen en benen komen wat later tot stilstand dan zijn bovenlichaam. Zij deinen en slingeren nog even na, heel bijzonder, iedereen kijkt. Hij gaat strak in de houding staan. En héél langzaam buigt hij voorover, zijn armen strekken zich tergend langzaam boven de kist. De rode roos lijkt wel te zweven boven zijn prachtige handen. En plechtstatig langzaam laat hij zijn rode roos neerdalen op die witte rozenzee van zijn Jack. Hij recht zijn mooie liefdevolle lijf en beent met slingerpassen weg. De zaal breekt, en alweer betrap ik mezelf potdomme. Mijn schone zakdoek opengevouwen in mijn handen vangen de tranen op, die over mijn wangen biggelen.

Wat een bijzondere vent, wat een emotioneel afscheid. Daarom noem ik ze nou bijzondere mensen, en daarom was ôzze Jack ook zo’n bijzondere broer.

maandag 1 augustus 2011

‘iepppp!!’

Vannacht schrok ik wakker van een kort, schril en fel geluid, ‘iepppp!!’. Ik vloog rechtop, mijn haren op de arm stonden rechtop, maakte het licht aan en zei ‘Marijke, heb jij dat ook gehoord?’. Langzaam werd er iemand wakker naast me, draaide zich heel traag om en mompelde ‘je zult wel gedroomd hebben, ga maar weer slapen!’. Met de oren gespitst bleef ik luisteren en verdomd, een paar minuten later, ik was bijna weer ingedommeld,
‘iepppp!!’ - daar was het weer. Nu ging aan twee kanten het licht aan, want zie je wel, ik had niet gedroomd. Samen lagen we nu te luisteren, als twee konijntjes de oren gespitst, scherp en alert, met de adem ingehouden. Net toen aan een kant weer het licht uitging en een diepe zucht hoorbaar werd,
‘iepppp!!’ - Een kort en irritant scherp geluid, net zoiets als een tandartsboor exact op het moment dat die rotvent een zenuw raakt. Het volgende halfuur was rijp voor een lachfilm, homevideo’s, bananensplit of zoiets.
‘ieppp!!’ – het komt bij jou vandaan, heb je die stopwatch misschien nog aanstaan. Tuurlijk niet, ik gebruik al eeuwen geen stopwatch meer. Maar toch kijk ik voor alle zekerheid in de la van m’n nachtkastje.
‘ieppp!!’ – nee, het komt bij jou vandaan. Nou, dat kan helemaal niet, ik heb niks in m’n nachtkastje.
‘ieppp!!’ – het is jouw radiowekker. Twee handen gaan synchroon naar de twee wekkerradio’s links en rechts van het bed.
‘ieppp!!’ – ook niet, het lijkt wel dat het uit de kleerkast komt. Ik vlieg uit bed en kijk achter en onder de kast. Het kan toch geen krekel zijn. Nee, hoe moet die . .
‘ieppp!!’ – voor alle zekerheid duik ik met mijn oude botten onder en achter het bed. Nou dat moet dan wel een verdomd eigenaardige en zeldzame krekel zijn.
‘ieppp!!’ – het komt van die twee heksen die naast de kast staan. Marijke vliegt op en pakt de twee heksenpoppen en verbant ze naar een van de andere slaapkamers. Net op het moment dat ze worden neerzet . .
‘ieppp!!’ – nee, dat is het ook niet, maar wat kan dat zijn potdomme. Ik roebedoep naar beneden en duik in de meterkast. Zou het misschien de draadloze router kunnen zijn? Aandachtig wacht ik op de volgende
‘ieppp!!’ – nee, niks, nada, het komt toch van boven. Misschien de elektrische ontluchting, zullen we die even uitzetten. Maar ik hoef niet lang af te wachten
‘ieppp!!’ – Nondejuu, ik sprint weer naar boven. Marijke is daar ook al driftig aan het inspecteren en vermoedt dat het toch uit de kast komt. Maar ze kan zowel in de laden, op de schappen als in het hanggedeelte niks vinden . .
‘ieppp!!’ – het komt van achter de kast! Heej, misschien de zolderkast, en braaf laat ik me daar even in opsluiten, je kunt nooit weten.
‘ieppp!!’ – nee, niet in de zolderkast, Marijke laat me gelukkig weer vrij en ik loop inmiddels totaal over de roje op de overloop! Potverdomme, Derek Ogilvie zal toch geen nieuwe zesde-zintuig-show aan het voorbereiden zijn.
‘ieppp!!’ – wel pot nonde, nu recht boven m’n hoofd! Ik kijk omhoog en zie daar een klein wit rond gevalletje met langwerpige gaatjes . . . onze r o o k m e l d e r!!

Ik ruk dat ding van het plafond en ontdoe hem van z’n batterij. Wat een geruststelling, achterop de rookmelder lees ik WAARSCHUWING: Raakt de batterij leeg, dan klinkt één keer per minuut een waarschuwingssignaal! Verder staat er iets van ‘eens per week’ controleren en reinigen met de stofzuiger. Wie had daar aan kunnen denken, we wonen hier nu ruim vijf jaar en dat ding is er één keer af geweest om het plafond te witten. Gaat zo’n batterijtje wel lang mee.

Daar staan we dan met z’n tweetjes, tegenover elkaar op de overloop. Blote beentjes onder onze pyama’s, we barsten uit van het lachen. ‘Maar goed dat niemand dat gezien heeft!’. We duiken het bed weer in en Marijke zegt wat ik denk ‘daar hoeft geen nieuw batterijtje meer in’.

En ik vond dat jullie het ter lering-ende-vermaak wel mochten weten. En hoor je midden in de nacht iets dat lijkt op ‘ieppp??’ . . . .